ECLI:NL:RBMNE:2026:3978

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
12195892 \ LC EXPL 26-766
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 145 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing uitvoerbaarheid verstekvonnis in verzetprocedure

In deze civiele verzetprocedure vordert de verzetvoerder de schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van een verstekvonnis dat hem tot betaling van een geldsom veroordeelt. De kantonrechter beoordeelt of de schorsing als voorlopige voorziening kan worden toegewezen op grond van artikel 223 Rv Pro.

De kantonrechter stelt vast dat het verzet de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard niet automatisch schorst. De schorsing kan slechts worden toegewezen indien het belang van de verzetvoerder zwaarder weegt dan dat van de wederpartij, zonder dat de kans van slagen van het verzet wordt meegewogen.

De verzetvoerder voert aan dat de oorspronkelijke vordering onvoldoende is onderbouwd en dat er een aanzienlijk restitutierisico bestaat. De kantonrechter oordeelt dat deze argumenten niet leiden tot een kennelijke misslag in het verstekvonnis en onvoldoende zijn onderbouwd. Daarom wordt de vordering tot schorsing afgewezen.

De verzetvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident, terwijl de wederpartij geen kosten wordt toegekend. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling.

Uitkomst: De vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid van het verstekvonnis wordt afgewezen en de verzetvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 12195892 \ LC EXPL 26-766
Vonnis in het incident van 24 juni 2026
in de zaak van
[partij 1],
wonend in [woonplaats 1] ,
gedaagde partij in het verzet, oorspronkelijk eisende partij,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij 1] ,
gemachtigde: mr. E. Doornbos, advocaat in Badhoevedorp,
tegen
[partij 2] ,
handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonend in [woonplaats 2] ,
eisende partij in het verzet, oorspronkelijk gedaagde partij,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij 2] ,
gemachtigde: mr. R.J. Bakker, advocaat in Naarden.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verstekvonnis van 24 december 2025 met zaaknummer 12002284 LC EXPL
25-2597.
  • de verzetdagvaarding van [partij 2] van 7 april 2026;
  • de akte overlegging producties van [partij 2] van 22 april 2026;
  • de incidentele conclusie strekkende tot een voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van [partij 2] van 22 april 2026;
  • de brief van mr. Bakker van 23 april 2026.
1.2
[partij 1] heeft uitstel gevraagd voor het nemen van een conclusie van antwoord in het incident. De kantonrechter heeft dat verzoek afgewezen omdat het niet was gemotiveerd.
1.3
Vervolgens is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1
[partij 2] vordert in het incident dat de kantonrechter de executie van het tegen hem gewezen verstekvonnis van 24 december 2025 schorst, in het bijzonder de executoriale beslagen die op respectievelijk 16 en 17 maart 2026 zijn gelegd onder het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (hierna: het UWV) en onder BAWAG P.S.K. Bank für Arbeit und Witschaft und Österreichische Postsparkasse Aktiengesellschaft. Tot slot vordert [partij 2] dat [partij 1] wordt veroordeeld in de kosten van het incident.
2.2
[partij 2] baseert zijn vordering op artikel 223 Rv Pro. Op grond van artikel 223 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van het geding, mits de vordering samenhangt met de hoofdvordering en sprake is van spoedeisend belang, in die zin dat de beslissing op de hoofdvordering niet kan worden afgewacht. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering voldoet aan de wettelijke vereisten. De vordering zal dan ook inhoudelijk worden beoordeeld.
2.3
De kantonrechter stelt voorop dat het verstekvonnis van 24 december 2025, waarin [partij 2] is veroordeeld tot betaling van een geldsom, uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Ingevolge artikel 145 Rv Pro schorst het door [partij 2] ingestelde verzet de tenuitvoerlegging van een uitvoer bij voorraad verklaard verstekvonnis niet. Op grond van artikel 223 Rv Pro kan de uitvoerbaarheid bij voorraad van een vonnis worden geschorst als voorlopige voorziening voor de duur van het geding. De beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad is in het verstekvonnis niet gemotiveerd. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat in het verzet uitspraak is gedaan is dan toewijsbaar als er omstandigheden zijn die meebrengen dat het belang van [partij 2] daarbij zwaarder weegt dan het belang van [partij 1] om tot tenuitvoerlegging van het vonnis over te gaan. Verder geldt dat de kans van slagen van het verzet bij de belangenafweging buiten beschouwing blijft. Wel kan de rechter bij de beoordeling betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing op een kennelijke misslag berust (Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026).
2.4
[partij 2] voert aan dat [partij 1] de door haar gevorderde schadevergoeding in de verstekprocedure op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Ook heeft zij het verweer van [partij 2] niet weergegeven. Daarmee heeft [partij 1] de kantonrechter een onvolledige en onjuiste voorstelling van zaken gegeven volgens [partij 2] . Volgens [partij 2] blijkt uit de verzetdagvaarding dat de vordering feitelijk en juridisch onhoudbaar is. Verder voert [partij 1] aan dat er sprake is van een aanzienlijk restitutierisico.
2.5
Dat [partij 1] de vordering volgens [partij 2] te mager heeft onderbouwd en zijn verweer niet heeft gepresenteerd, maakt niet dat het verstekvonnis op een juridische of feitelijke misslag berust. Met zijn betoog dat de vordering geen stand zal houden, doet hij in feite een beroep op de kans van slagen van het door hen ingestelde verzet tegen het verstekvonnis. Dat is geen omstandigheid die een rol kan spelen bij de afweging van de belangen die de kantonrechter moet maken (zie 2.3). Dat er sprake zou zijn van een restitutierisico aan de kant van [partij 1] heeft [partij 2] onvoldoende onderbouwd.
2.6
Gelet op het voorgaande wijst de kantonrechter de incidentele vordering van [partij 2] af.
2.7
[partij 2] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Omdat [partij 1] geen conclusie van antwoord in het incident heeft genomen worden haar proceskosten begroot op nihil.
2.8
De hoofdzaak wordt naar de rol verwezen zodat [partij 1] een conclusie van antwoord in oppositie kan nemen.
2.9
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
in het incident
3.1
wijst de vordering van [partij 2] af;
3.2
veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van het incident welke aan de zijde van [partij 1] worden begroot op nihil;
in de hoofdzaak
3.3
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
22 juli 2026 te 11.00 uur
voor het nemen van een conclusie van antwoord in oppositie door [partij 1] ;
3.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op
24 juni 2026.
13702