ECLI:NL:RBMNE:2026:3979

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
C/16/593690 / HA ZA 25-269
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 3:105 BWArt. 3:306 BWArt. 3:314 BWArt. 4:7 lid 1 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen voortgezet gebruiksrecht woonark; verbod betreden eigendommen gedaagde

De zaak betreft een geschil over het voortgezet gebruik van een woonark met bijbehorende tuin gelegen op het perceel van gedaagde sub 2 c.s. Eiser, erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van zijn overleden vader, stelt een persoonlijk gebruiksrecht te hebben op de ligplaats van de woonark. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een persoonlijk gebruiksrecht voor eiser en dat het afgeleide recht van zijn vader is geëindigd bij diens overlijden in 2013.

Eiser voert daarnaast aan dat het ontzeggen van het gebruik misbruik van bevoegdheid is en dat de vordering tot beëindiging van het gebruik is verjaard. De rechtbank wijst deze gronden af, onder meer omdat het eigendomsrecht van gedaagde zwaarwegend is en de verjaringstermijn nog niet is voltooid. Wel wordt eiser toegestaan om binnen twee weken de roerende zaken uit de woonark te verwijderen.

Gedaagde sub 2 c.s. vordert voorts een verbod voor eiser om zich op hun eigendommen te begeven, wat wordt toegewezen met een dwangsom. De vordering tot verwijdering van de woonark wordt afgewezen omdat de woonark onderdeel is van de nalatenschap die nog niet is vereffend. De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Eiser heeft geen persoonlijk gebruiksrecht op de woonark; hij mag na verwijdering van roerende zaken de eigendommen van gedaagde niet betreden.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/593690 / HA ZA 25-269
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [plaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. G. van Lent,
tegen

1.[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd in [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. B. Nijman,

2. [gedaagde sub 2] ,

wonend in [plaats 1] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. B. Nijman.
Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden genoemd, waarbij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gezamenlijk als [gedaagde sub 2] c.s. wordt aangeduid.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 mei 2025, met bijlagen;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende conclusie van eis in (deels voorwaardelijke) reconventie;
- de conclusie van antwoord in (deels voorwaardelijke) reconventie, met bijlagen;
- de akte producties in conventie en in (deels voorwaardelijke) reconventie van [eiser] , met bijlagen;
- de pleitnota van [eiser] ; en
- de pleitnota van [gedaagde sub 2] c.s.
1.2
De mondelinge behandeling is gehouden op 24 maart 2026. Door en namens partijen zijn de standpunten, mede aan de hand van spreekaantekeningen, verder toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de rechtbank. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt. De rechter heeft partijen laten weten dat op 6 mei 2026 vonnis zou worden gewezen. Door omstandigheden is dat 24 juni 2026 geworden.

2.De kern

Het geschil gaat om woonark “ [woonark] ” (hierna: Woonark) met bijbehorende tuin. [gedaagde sub 2] c.s. is eigenaar van het perceel aan de [straat] [nummeraanduiding 1] in [plaats 1] , waarin de Woonark is gelegen, alsmede van de omringende percelen. In een zijsloot van het perceel aan de [straat] [nummeraanduiding 1] ligt sinds 1963 de Woonark waarin de vader van [eiser] ,
[naam 1] (hierna: [naam 1] ), op grond van een persoonlijk gebruiksrecht woonde. [naam 1] is op [2013] overleden. [eiser] heeft de nalatenschap van zijn vader beneficiair aanvaard. De vorderingen van [eiser] die neerkomen op het voortgezet gebruik van de Woonark met tuin zullen worden afgewezen. De door [gedaagde sub 2] c.s. in reconventie ingestelde vorderingen zullen deels worden toegewezen in die zin dat het [eiser] wordt verboden zich op de eigendommen van [gedaagde sub 2] c.s. te begeven, zoals hierna in dit vonnis zal worden toegelicht.

3.De achtergrond

3.1
[naam 2] is de rechtsvoorganger van [gedaagde sub 2] en was voor [gedaagde sub 2] eigenaar van het perceel aan de [straat] [nummeraanduiding 1] in [plaats 1] , kadastraal bekend gemeente [.] , sectie [letteraanduiding 1] , nummer [nummeraanduiding 2] . De zuidwestelijke zijde daarvan grenst aan de rivier [....] , waarvan een zijsloot in het perceel ligt. In die zijsloot ligt sinds medio 1963 de Woonark van [naam 1] en waarin [naam 1] ook woonde. Bij eindarrest van 13 september 2011, hersteld bij arrest van 11 oktober 2011 (zaaknummer 200.060.988), heeft het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, tussen [naam 1] en [naam 2] voor recht verklaard dat er sinds 1963 een overeenkomst bestaat tot het hebben van een ligplaats voor de Woonark tussen [naam 1] en familie [naam 3] (de voormalige eigenaren van het perceel voordat [naam 2] daarvan eigenaar werd), inhoudende het gebruik van de ligplaats van de Woonark aan de [straat] [nummeraanduiding 1] in [plaats 1] en dat [naam 2] aan die overeenkomst is gebonden. [naam 1] is op [2013] overleden. Van zijn beide erflaters heeft de zus van [eiser] de nalatenschap verworpen en heeft [eiser] de nalatenschap beneficiair aanvaard; hij is daarmee tevens vereffenaar van de nalatenschap.
3.2
Na het overlijden van [naam 1] is [eiser] op de Woonark gaan wonen. In een daaropvolgende kort geding procedure tussen [naam 2] en [eiser] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland in het vonnis van 18 juni 2014 (zaaknummer C/16/368945 / KG ZA 14-335) geoordeeld dat als gevolg van het overlijden van [naam 1] het hiervoor genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam niet langer van kracht is en is het [eiser] verboden om gebruik te maken van de Woonark en om op de eigendommen van [naam 2] te komen. Dit oordeel is in het arrest van 19 juli 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (zaaknummer 200.152.734) bekrachtigd.
3.3
In 2022 is [naam 2] overleden en is [gedaagde sub 2] eigenaar geworden van het perceel ( [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 2] ) waarop de Woonark ligt. Daarnaast is hij eigenaar geworden van de percelen met de nummers [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 3] en [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 4] . De toegang tot het perceel [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 2] loopt onder meer via voornoemde percelen. [gedaagde sub 2] heeft de toegang tot de Woonark afgesloten zodat [eiser] daar geen gebruik van kan maken.
3.4
Vervolgens heeft [eiser] een kort geding procedure gevoerd tegen [gedaagde sub 2] . Die procedure heeft geleid tot het kort geding vonnis van 8 september 2023 van deze rechtbank (ECLI:NL:RBMNE:2023:4627). [eiser] had kort gezegd de toegang tot de Woonark gevorderd, maar de desbetreffende vordering(en) zijn afgewezen. Daarentegen heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank in reconventie de vorderingen van [gedaagde sub 2] toegewezen waarbij het - kort gezegd - [eiser] opnieuw is verboden om gebruik te maken van de Woonark, om zich daarop te begeven of er te verblijven, alsmede is verboden om zich op de eigendommen van [gedaagde sub 2] (percelen [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 2] , [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 3] en [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 4] ) te begeven en daarvan gebruik te maken.
3.5
Bij akte van kavelruil van 15 februari 2024 is [gedaagde sub 1] in plaats van [gedaagde sub 2] eigenaar geworden van het perceel ( [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 2] ) waarin zich de Woonark bevindt. [gedaagde sub 2] is eigenaar van de percelen [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 3] en [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 4] gebleven. Tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] zijn niet eerder procedures gevoerd, waardoor hetgeen is opgenomen in artikel 236 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met betrekking tot het gezag van gewijsde niet geldt. [eiser] verblijft momenteel in een gehuurde recreatiewoning die hij niet blijvend kan bewonen. De impasse rondom de Woonark duurt daarmee voort. [eiser] wenst duidelijkheid rondom zijn huidige positie in de vorm van een definitief oordeel.
3.6
Daarna is [eiser] deze bodemprocedure begonnen.
Vordering en standpunt van [eiser]
3.7
Samengevat vordert [eiser] in deze procedure:
  • Primair:het vrije en ongestoorde gebruik en genot van de ligplaats van de Woonark op het perceel [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 2] en voor recht te verklaren dat [eiser] eigenaar is geworden van de tuin behorende bij de Woonark, alsmede om [gedaagde sub 2] c.s. te veroordelen om [eiser] de vrije toegang te verlenen tot het perceel [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 2] via de percelen [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 3] en [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 4] ;
  • Subsidiair:[gedaagde sub 2] c.s. te gebieden om [eiser] in de gelegenheid te stellen om de in de Woonark aanwezige roerende zaken te verwijderen; en
  • Primair en subsidiair:[gedaagde sub 2] c.s. te veroordelen in de proces- en nakosten.
3.8
[eiser] grondt zijn vorderingen op het bestaan van een voor hem geldende gebruiksovereenkomst voor wat betreft de ondergrond van de ligplaats van de Woonark, waarbij [eiser] tevens stelt dat er sprake is van een afgeleid recht van [naam 1] met betrekking tot het recht op gebruik. [eiser] stelt verder dat hij een groot belang heeft bij voortgezet gebruik van de Woonark. Het ontzeggen van het voorgezet gebruik van de ligplaats van de Woonark levert volgens hem misbruik van bevoegdheid op in de zin van artikel 3:13 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en is daarmee onrechtmatig. [eiser] stelt - meer subsidiair - dat voor het geval zijn gebruik van de (ondergrond van de) ligplaats onrechtmatig is en geen sprake was van een voor hem geldende gebruiksovereenkomst, de vordering tot beëindiging van het gebruik jegens hem op grond van hetgeen is opgenomen in artikel 3:306 BW Pro en artikel 3:314 BW Pro is verjaard. [eiser] beroept zich met betrekking tot de tuin bij de Woonark op eigendomsverwerving door verjaring in die zin dat er volgens hem sprake is van bevrijdende verjaring in de zin van artikel 3:306 BW Pro en 3:105 BW.
Standpunt en (tegen)vordering van [gedaagde sub 2] c.s.
3.9
[gedaagde sub 2] c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] en vordert daarbij [eiser] te veroordelen in de proceskosten.
3.1
[gedaagde sub 2] c.s. heeft diverse tegenvorderingen (eis in reconventie) ingesteld. In de eerste plaats vordert [gedaagde sub 2] c.s. - onder de voorwaarde dat van een zuivere aanvaarding door [eiser] geen sprake is en de vorderingen in conventie niet vanwege de onduidelijkheid over de proceshoedanigheid van [eiser] (ingesteld als vereffenaar of als erfgenaam) worden afgewezen - dat door de rechtbank een vereffenaar wordt benoemd op grond van artikel 4:203 lid 1 onder Pro b BW, met de bepaling dat de kosten van de vereffening door [eiser] worden gedragen. [gedaagde sub 2] c.s. vordert verder verwijdering van de Woonark nu [eiser] volgens [gedaagde sub 2] c.s. niet op grond van een zakelijk recht of anderszins gerechtigd is de Woonark op het perceel [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 2] te hebben of daar ligplaats in te nemen. Tevens vordert [gedaagde sub 2] c.s. betaling van verbeurde dwangsommen omdat het [eiser] in het vonnis van deze rechtbank van
8 september 2023 was verboden zich op de eigendommen van [gedaagde sub 2] c.s. te begeven en hij zich ondanks dit verbod op die gronden heeft begeven. In dat verband vordert [gedaagde sub 2] c.s. zich te onthouden van verdere inbreuken op dit eigendomsrecht.

4.De beoordeling

4.1
Omdat de vorderingen in conventie en reconventie nauw met elkaar samenhangen worden deze vorderingen gezamenlijk besproken.
De te beantwoorden vragen en opbouw van dit vonnis
4.2
In deze zaak staat de vraag centraal of [eiser] het gebruik van de Woonark met bijbehorende tuin mag voortzetten.
4.3
In de kern genomen heeft [eiser] drie gronden aangevoerd waarop dat voortgezet gebruik is gebaseerd, te weten:
i.) het bestaan van een voor [eiser] geldende gebruiksovereenkomst voor wat betreft de ondergrond van de ligplaats van de Woonark;
ii.) er sprake is van misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW Pro bij het weigeren van het voortgezet gebruik van de ligplaats van de Woonark; en
iii.) er sprake is van verjaring van de vordering tot beëindiging van het gebruik van de ligplaats van de Woonark met bijbehorende tuin.
4.4
Deze drie onderwerpen zullen hierna in de bovengenoemde volgorde puntsgewijs worden besproken, waarbij eerst de hoedanigheid waarin [eiser] procedeert aan de orde zal komen. Vervolgens zullen de door [gedaagde sub 2] c.s. ingestelde tegenvorderingen worden behandeld.
De proceshoedanigheid van [eiser]
4.5
[gedaagde sub 2] c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [eiser] niet kunnen worden toegewezen omdat niet duidelijk is in welke hoedanigheid hij die vorderingen heeft ingesteld, namelijk als vereffenaar of als erfgenaam. Bovendien zou [eiser] misbruik van recht maken door zich enerzijds op het bestaan van een onverdeeldheid van de nalatenschap te beroepen en anderzijds voor zichzelf vorderingen in te stellen.
4.6
De rechtbank is van oordeel dat de door [gedaagde sub 2] c.s. ingenomen stellingen op dit punt niet kunnen slagen. Uit de conclusie van antwoord in (deels voorwaardelijke) reconventie blijkt dat [eiser] de nalatenschap van [naam 1] beneficiair heeft aanvaard, dat wil zeggen onder het voorrecht van boedelbeschrijving, als bedoeld in artikelen 4:190 lid 1 en 4:195 BW. Aan dit erfrechtelijk kader kan niet voorbij worden gegaan, zodat van een zuivere aanvaarding door [eiser] door het starten van deze procedure - zoals [gedaagde sub 2] c.s. stelt - geen sprake kan zijn. Wanneer een nalatenschap beneficiair wordt aanvaard, worden alle erfgenamen volgens artikel 4:195 lid 1 BW Pro automatisch vereffenaar. Hierdoor worden beide hoedanigheden in één persoon verenigd. Uit die omstandigheid volgt dat in een procedure (als eisende partij) beide rollen kunnen worden vervuld. Een vereffenaar kan dus optreden namens de te vereffenen nalatenschap en tegelijkertijd als erfgenaam (in privé) vorderingen instellen met betrekking tot de uiteindelijke erfrechtelijke verkrijging. De rechtbank is van oordeel dat uit de aard van de door [eiser] ingestelde vorderingen voldoende blijkt in welke hoedanigheid hij die heeft ingesteld. Van een onduidelijke proceshoedanigheid aan de zijde van [eiser] is dus geen sprake, zodat aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak wordt toegekomen.
Geen sprake van een gebruiksovereenkomst
4.7
In het kader van het voortgezet gebruik van de Woonark beroept [eiser] zich - primair - op een eigen persoonlijke gebruiksovereenkomst voor wat betreft de (ondergrond van de) ligplaats van de Woonark. De rechtbank stelt voorop dat het wezen van een gebruiksovereenkomst is dat het voorwerp van de overeenkomst
in gebruikwordt gegeven.
4.8
De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de betwisting van [gedaagde sub 2] c.s., niet kan worden aangenomen dat er sprake is van een persoonlijke gebruiksovereenkomst met [eiser] voor wat betreft de (ondergrond van de) ligplaats van de Woonark. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat [eiser] ook geen nadere feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat de gebruiksovereenkomst met [naam 1] ook voor hem gold en nog steeds heeft te gelden en dat de ligplaats van de Woonark naast aan [naam 1] ook daadwerkelijk aan [eiser] in gebruik is gegeven. Verder is van belang dat [eiser] zich in eerdere gerechtelijke procedures met betrekking tot de Woonark nooit op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van een persoonlijk gebruiksrecht op grond waarvan hij het gebruik van de Woonark kan voortzetten. Dit had wel voor de hand gelegen indien er daadwerkelijk sprake is van een dergelijk recht.
4.9
Bij de akte producties in conventie en in (deels voorwaardelijke) reconventie heeft [eiser] een verklaring van [naam 4] , de grootvader van [eiser] , overgelegd waaruit zou blijken dat hij een persoonlijk gebruiksrecht heeft. Los van het feit dat de echtheid van die verklaring door [gedaagde sub 2] c.s. wordt betwist en niet duidelijk is welke zeggenschap de grootvader van [eiser] als pachter van het perceel destijds had, is de rechtbank van oordeel dat uit die verklaring ook niet volgt dat [eiser] een persoonlijk gebruiksrecht heeft. Het bevat enkel een verklaring dat er geen bezwaar is tegen het afmeren van de Woonark, maar niet dat [eiser] ook daadwerkelijk een gebruiksrecht daartoe heeft verkregen van de (toenmalige) eigenaar van het perceel.
4.1
Omdat [eiser] zijn vordering tot voortgezet gebruik van de Woonark baseert op de stelling dat hem een eigen gebruiksrecht toekomt, heeft hij op grond van de hoofdregel van bewijslastverdeling van artikel 150 van Pro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv), de bewijslast daarvan. [eiser] moet dus stellen en bij betwisting bewijzen dat hij als gevolg van het gestelde gebruiksrecht recht heeft op voorgezet gebruik van de Woonark. Daarbij geldt in het algemeen dat bewijs pas aan de orde komt, wanneer men voldoende heeft gesteld. Wat voldoende is, hangt af van het verweer van de wederpartij. Naarmate deze haar verweer concreter onderbouwt, moet degene die de bewijslast heeft de omstandigheden waarop zij haar stellingen baseert, concreter toelichten en beter onderbouwen. Tegenover een concreet en gemotiveerd verweer kan men niet volstaan met algemene stellingen.
4.11
Op grond van het voorgaande geldt dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hem een eigen gebruiksrecht toekomt. Het had het op de weg van [eiser] gelegen het beschikken over het gestelde gebruiksrecht nader te onderbouwen. Zo had hij dit bijvoorbeeld kunnen doen door overlegging van een overeenkomst dan wel verklaring waaruit volgt dat er (tevens) een persoonlijk gebruiksrecht door de familie [naam 3] (de voormalige eigenaren van het perceel) aan [eiser] is verleend. Omdat [eiser] op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Het bewijsaanbod van [eiser] op dit punt wordt dan ook gepasseerd.
4.12
De conclusie is dat van een voor [eiser] geldende gebruiksovereenkomst voor wat betreft de ondergrond van de ligplaats van de Woonark geen sprake is. Nu [eiser] geen beroep kan doen op een voor hem geldend gebruiksrecht behoeven de door partijen ingenomen stellingen met betrekking tot de beëindigingsbevoegdheid ten aanzien van dat gebruiksrecht geen verdere bespreking meer.
4.13
De door [eiser] ingenomen stelling dat hij tevens een van [naam 1] afgeleid recht op gebruik heeft kan eveneens niet slagen nu vaststaat dat dit recht met het overlijden van [naam 1] op [2013] is geëindigd. Als er al sprake zou zijn van een dergelijk afgeleid recht heeft te gelden dat wanneer het hoofdrecht ophoudt te bestaan, ook het afgeleide recht daarmee vervalt.
Geen sprake van misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW Pro
4.14
Als tweede grond heeft [eiser] aangevoerd dat [gedaagde sub 2] c.s. misbruik van bevoegdheid maakt door het weigeren van het voorgezet gebruik van de ligplaats van de Woonark.
4.15
De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 3:13 lid Pro 2, laatste zinsnede BW, de eigendomsbevoegdheid wordt misbruikt wanneer men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. De rechtbank is van oordeel dat aan de zijde van [gedaagde sub 2] c.s. het belang zwaar weegt om na beëindiging van de gebruiksovereenkomst met [naam 1] , over zijn eigendom te kunnen beschikken en een langlopend juridisch conflict met [eiser] af te sluiten. Daarbij weegt eveneens zwaar dat [eiser] niet beschikt over een zakelijk recht of een persoonlijk gebruiksrecht op basis waarvan hij het gebruik van de Woonark mag voortzetten. In dat kader heeft [gedaagde sub 2] c.s. bovendien onweersproken aangevoerd dat de Woonark binnen de hindercontouren van zijn melkveehouderij ligt en dat bewoning van de Woonark een belemmering in de uitoefening van zijn bedrijf oplevert. Van misbruik van bevoegdheid door de uitoefening van zijn eigendomsrecht door van [gedaagde sub 2] c.s. is gezien het voorgaande geen sprake.
Geen sprake van verjaring van de vordering tot beëindiging van het gebruik van de ligplaats van de Woonark met bijbehorende tuin
4.16
[eiser] stelt als derde grond voor het voorgezet gebruik van de Woonark dat indien zijn gebruik van de (ondergrond van de) ligplaats al onrechtmatig is en er geen sprake is van een voor hem geldende gebruiksovereenkomst, de vordering tot beëindiging van het gebruik jegens hem op grond van het bepaalde in artikel 3:306 in Pro samenhang met artikel 3:314 BW Pro is verjaard. Ook vanuit dit gezichtspunt bekeken staat het volgens [eiser] [gedaagde sub 2] c.s. niet vrij om hem het gebruik te ontzeggen.
4.17
De rechtbank oordeelt hierover als volgt. In het tussenarrest van 12 april 2011 heeft het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem zaaknummer 200.060.988), geoordeeld dat [naam 1] op grond van een, niet levenslange maar in beginsel voor opzegging vatbare, duurovereenkomst het gebruiksrecht had om de Woonark op de ligplaats te laten liggen en dat [naam 1] geen bezitter was van de ondergrond maar slechts houder en evenmin bezitter was van een opstalrecht. Als wordt aangenomen dat [eiser] rechtsopvolger is in de eigendom van de Woonark dan moet hij dit oordeel op grond van artikel 236 Rv Pro in gezag van gewijsde tegen zich laten gelden, zodat hij niet kan worden aangemerkt als opvolger in bezit maar slechts in zijn vaders houderschap.
4.18
Een bevrijdende verjaring als bedoeld in artikel 3:105 BW Pro in samenhang met artikel 3:306 BW Pro begint (pas) te lopen met de aanvang van de dag na het begin van het bezit. Nu [eiser] evenmin als [naam 1] tot het moment van overlijden van [naam 1] op [2013] het bezit had, zal het beroep van [eiser] op eigendomsverkrijging als gevolg van bevrijdende verjaring niet opgaan. Indien er al sprake zou zijn van een onafgebroken bezit van de Woonark door [eiser] na het overlijden van zijn vader, wat door [gedaagde sub 2] c.s. wordt betwist, dan heeft te gelden dat de verjaringstermijn van 20 jaar uit artikel 3:306 BW Pro nog niet is voltooid. Gezien het voorgaande behoeven de door partijen ingenomen stellingen met betrekking tot het feit of de inschrijving van [eiser] en zijn onderneming op het adres van de Woonark als een bezitshandeling kunnen worden beschouwd geen verdere bespreking meer.
4.19
Ten aanzien van de tuin heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat tuin geen onderdeel vormde van de gebruiksovereenkomst betreffende de (ondergrond van de) ligplaats van de Woonark en ook niet van de pachtovereenkomst die eerder tussen (de rechtsvoorgangers van) partijen heeft bestaan. [naam 1] en [eiser] hielden de tuin daarom volgens [eiser] niet krachtens een rechtsverhouding tot de rechtsvoorgangers van [gedaagde sub 2] c.s. [eiser] kwalificeert het gebruik van de tuin als bezit dat meer dan 20 jaar heeft voortgeduurd. Volgens [eiser] is er daarom sprake van eigendomsverkrijging als gevolg van bevrijdende verjaring in de zin van in artikel 3:105 BW Pro in samenhang met artikel 3:306 BW Pro.
4.2
Tussen partijen is niet in geschil dat er tussen [naam 1] en later ook met [eiser] en de familie [naam 3] een pachtovereenkomst is gesloten met betrekking tot het agrarisch onroerend goed van de familie [naam 3] . [gedaagde sub 2] c.s. betwist dat de tuin geen onderdeel uitmaakt van de hiervoor genoemde pachtovereenkomst en verwijst in dat kader naar het arrest gerechtshof Arnhem van 20 november 2007 (ECLI:NL:GHARN:2007:BC0239) waarin de pachtovereenkomst wegens wanbetaling is beëindigd en is opgenomen dat de pachtovereenkomst betrekking had op:
“De boerenhoeve met stallen, schuren, hooiberg, erf, ondergrond, bouw-, weiland en water, gelegen te [plaats 1] , aan [straat] [nummeraanduiding 1] , Kadastraal bekend gemeente [.] - [..] , sectie [letteraanduiding 2] nrs. [nummeraanduiding 5] , [nummeraanduiding 6] , [nummeraanduiding 1] en [nummeraanduiding 7] , tezamen groot 16 hectaren, 17 aren en 60 centiaren en sectie [letteraanduiding 3] , nummer [nummeraanduiding 8] , groot 4 aren en 20 centiaren, met uitzondering echter van het woonhuis met schuur, ondergrond, erf en weg, gelegen te [plaats 1] , aan [straat] [nummeraanduiding 1] , uitmakende gedeelten, tezamen groot ongeveer 30 aren van gemeld perceel, sectie [letteraanduiding 2] nummer [nummeraanduiding 7] en sectie [letteraanduiding 3] , nummer [nummeraanduiding 8] , zoals met zwart is aangegeven op een tekening, welke aan deze akte is gehecht.”
4.21
De rechtbank is van oordeel dat, aangezien uit het onder 4.20 genoemde arrest volgt dat de pachtovereenkomst zag op de boerenhoeve met stallen, schuren, hooiberg, erf, ondergrond, bouw-, weiland en water aan [straat] [nummeraanduiding 1] in [plaats 1] , [eiser] onvoldoende heeft weerlegd dat de tuin geen onderdeel van de pachtovereenkomst uitmaakte. Het is immers niet komen vast te staan dat de tuingrond valt onder de 4.20 genoemde uitzondering. Op de door [eiser] in dit kader als productie 12 overgelegde niet nader gespecifieerde kadastrale kaart is een gedeelte geel gearceerd dat volgens [eiser] als tuin moet worden aangemerkt. Deze enkele arcering zonder nadere toelichting maakt nog niet dat daarmee de tuin geen onderdeel van de pachtovereenkomst vormt. Gezien het verweer van [gedaagde sub 2] c.s. had het op de weg van [eiser] gelegen om zijn stellingen op dit punt nader te onderbouwen. Nu hij dat heeft nagelaten moet dat voor zijn risico blijven.
4.22
Gezien het voorgaande gaat de rechtbank uit van de situatie dat de tuingrond tot het voorheen door [naam 1] en [eiser] gepachte behoorde. In die situatie heeft te gelden dat tot 2007 [eiser] de grond, waaronder de door hem gestelde tuin, op grond van een titel, namelijk een pachtovereenkomst, in gebruik had. In die periode kan er van een lopende verjaringstermijn geen sprake zijn. Een eventuele verjaringstermijn kan gezien het voorgaande niet eerder dan in 2007 zijn gaan lopen. Los van de vraag of er sindsdien sprake is geweest van een onafgebroken bezit door [eiser] heeft net als ten aanzien van de (ondergrond van de) ligplaats van de Woonark te gelden dat de verjaringstermijn van 20 jaar uit artikel 3:306 BW Pro nog niet is voltooid. Eigendomsverkrijging van de tuingrond door middel van bevrijdende verjaring is gezien het voorgaande dus niet aan de orde.
Verwijdering van roerende zaken uit de Woonark
4.23
Subsidiair heeft [eiser] gevorderd om diverse roerende zaken van hemzelf en van [naam 1] uit de Woonark te verwijderen en hem in dat kader toegang te verlenen tot de Woonark.
4.24
De rechtbank zal deze vordering toewijzen. Daarvoor is redengevend dat, zoals onder 4.6 aan de orde is gekomen, [eiser] de nalatenschap van [naam 1] beneficiair heeft aanvaard, dat wil zeggen onder het voorrecht van boedelbeschrijving, als bedoeld in artikelen 4:190 lid 1 en 4:195 BW. De essentie van de vereffening uit Boek 4 BW is dat de nalatenschap te gelde wordt gemaakt om, voor zover nodig, eerst
de schuldeisers te voldoen. Indien er daarna baten overblijven eindigt de vereffening en wordt er verdeeld onder de erfgenamen. Als enig erfgenaam van de nalatenschap van [naam 1] verplicht artikel 4:211 lid 3 BW Pro [eiser] in de rol van vereffenaar in dat kader een boedelbeschrijving op te maken en ter inzage te leggen. Om aan deze wettelijke verplichting te kunnen voldoen dient [eiser] te kunnen beschikken over de volledige nalatenschap van [naam 1] Dat betekent inclusief, zoals door [eiser] onweersproken is gesteld, de op de Woonark aanwezige roerende zaken behorende tot de nalatenschap van [naam 1] Ten aanzien van zijn eigen roerende zaken die zich op de Woonark zouden bevinden geldt dat [eiser] daarover op grond van zijn eigendomsrecht moet kunnen beschikken.
4.25
Gezien het voorgaande zal de rechtbank [gedaagde sub 2] c.s. gebieden om [eiser] in de gelegenheid te stellen om de op de Woonark aanwezige roerende zaken van hemzelf en behorende tot de nalatenschap van [naam 1] daarvan te verwijderen. De rechtbank zal die gelegenheid wel in de tijd beperken zodat [gedaagde sub 2] c.s. binnen afzienbare tijd [eiser] kan verbieden om zijn eigendommen te betreden. Gelet op de historie tussen partijen is van belang dat glashelder is wanneer dwangsommen verbeurd kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] de nog resterende roerende zaken redelijkerwijs binnen twee weken na datum van dit vonnis moet verwijderen, zoals nader in de beslissing is geformuleerd. De daarbij gevorderde dwangsom zal als niet weersproken worden toegewezen met dien verstande dat dit zal worden gemaximeerd tot een bedrag van € 10.000,-.
Geen benoeming vereffenaar
4.26
[gedaagde sub 2] c.s. heeft onder de opschortende voorwaarde dat van een zuivere aanvaarding geen sprake is en de vorderingen niet vanwege de onduidelijkheid van de proceshoedanigheid van [eiser] worden afgewezen, een tegenvordering ingesteld, inhoudende de benoeming van een vereffenaar.
4.27
Artikel 4:203 lid 1 sub b BW Pro bepaalt dat de rechter een vereffenaar kan benoemen, op verzoek van onder andere een belanghebbende, wanneer hij die met het beheer van
de nalatenschap belast is daarin onder andere in ernstige mate in de vervulling van zijn verplichtingen tekortschiet, daartoe ongeschikt is, of wanneer de schulden van de nalatenschap de baten lijken te overtreffen.
4.28
Volgens [gedaagde sub 2] c.s. schiet [eiser] ernstig tekort in de vervulling van zijn verplichtingen als vereffenaar nu na ruim 12 jaar na het overlijden van zijn vader hij als vereffenaar van de nalatenschap van [naam 1] nog steeds geen definitieve boedelbeschrijving heeft opgesteld. [gedaagde sub 2] c.s. is voorts van mening dat [eiser] tevens in het beheer van de nalatenschap ernstig tekortschiet, door de Woonark niet van de eigendommen van [gedaagde sub 2] c.s. te verwijderen waardoor hij de Woonark niet behoorlijk kan onderhouden. [gedaagde sub 2] c.s. stelt verder dat de te verwachten kosten van de verwijdering van de Woonark dusdanig zijn dat de nalatenschap negatief zal
uitvallen.
4.29
De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat de procedure die strekt tot benoeming van een vereffenaar een verzoekschriftprocedure bij de rechtbank betreft en dus niet door middel van een eis in reconventie in deze procedure kan worden ingediend. De procedure is nader geregeld in artikel 4:206 BW Pro. Het verzoek tot benoeming van een vereffenaar moet door een advocaat bij de rechtbank worden ingediend (artikel 278 lid 3 Rv Pro). De rechtbank beslist niet op het verzoek tot benoeming van een vereffenaar dan na verhoor of behoorlijke oproeping van de verzoeker, alsmede voor zover zij bestaan en bekend zijn, van de erfgenamen, de boedelnotaris en de executeur (artikel 4:206 lid 1 BW Pro). Belanghebbenden mogen in persoon ter zitting verschijnen. Bevoegd is de rechtbank van de laatste woonplaats van de erflater (artikel 268 Rv Pro).
4.3
Tijdens de zitting heeft (de advocaat van) [gedaagde sub 2] c.s. in dit verband een beroep gedaan op - naar de rechtbank begrijpt - de wisselbepaling van artikel 69 Rv Pro. In dat artikel is een regeling opgenomen voor het geval dat een partij zich vergist bij haar keuze van het procesinleidend stuk door bijvoorbeeld aan de rechter een vordering voor te leggen door indiening van een verzoekschrift of een procedure over een verzoek begint met het (laten) uitbrengen van een dagvaarding. Indien de rechter constateert dat de zaak op het verkeerde ‘spoor’ zit, moet hij volgens artikel 69 Rv Pro geen niet-ontvankelijkverklaring uitspreken, maar ambtshalve ervoor zorg dragen dat de procedure wordt doorgeleid naar het juiste ‘spoor’. De rechtbank is echter van oordeel dat een dergelijk beroep op artikel 69 Rv Pro in dit geval niet op gaat. Voornoemde bepaling ziet tenslotte alleen op die gevallen waarin het geding ten onrechte met een verzoekschrift dan wel met een dagvaarding is ingeleid. Andere wetsingangen, zoals een eis in reconventie, zijn daarin niet genoemd. Het voorgaande betekent dat [gedaagde sub 2] c.s. niet-ontvankelijk moet worden verklaard met betrekking tot zijn “vordering” in reconventie tot benoeming van een vereffenaar. Dit onderdeel zal dan ook worden afgewezen.
Geen verwijdering Woonark
4.31
[gedaagde sub 2] c.s. heeft in reconventie tevens verwijdering van de Woonark gevorderd. Zoals onder 3.1. is beschreven ligt de Woonark in het water op het perceel met kadastraal nummer [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 2] . Voornoemd perceel is eigendom van [gedaagde sub 1] . Omdat de gerechtigde tot de Woonark volgens [gedaagde sub 2] c.s. niet op grond van een zakelijk recht of anderszins gerechtigd is de Woonark op dat perceel te hebben of daar ligplaats in te nemen, moet deze worden verwijderd. De Woonark zou volgens [gedaagde sub 2] c.s. tevens voor [eiser] aanleiding vormen om zich zonder toestemming van [gedaagde sub 2] c.s. op diens eigendommen te begeven met als doel om naar de Woonark te komen en te gaan. [gedaagde sub 2] c.s. vordert daarom dat [eiser] ook wordt veroordeeld om zich te onthouden van inbreuken op het eigendomsrecht van [gedaagde sub 2] c.s. met betrekking tot de percelen met kadastrale nummers [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 3] , [nummeraanduiding 4] , [nummeraanduiding 9] , [nummeraanduiding 10] , [nummeraanduiding 11] , [nummeraanduiding 2] en [nummeraanduiding 12] .
4.32
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet ter discussie staat de Woonark tot de nalatenschap van [naam 1] behoort en deze nalatenschap door [eiser] beneficiair is aanvaard en de vereffening van die nalatenschap nog niet is voltooid. Dat betekent dat de Woonark gedurende voornoemde vereffening tot een afgescheiden vermogen, de boedel, behoort. Zoals hiervoor aan de orde is gekomen had [naam 1] gedurende zijn leven een persoonlijk recht van gebruik van de ligplaats. Dat recht is geëindigd bij zijn overlijden. Nu in dit vonnis is geoordeeld dat [eiser] als enig erfgenaam geen zakelijk recht heeft of anderszins gerechtigd is tot het gebruik van de ligplaats van de Woonark aan de [straat] [nummeraanduiding 1] in [plaats 1] , dient [gedaagde sub 2] c.s. te kunnen beschikken over het ongestoord gebruik van zijn eigendomsrecht met betrekking tot zijn percelen in die zin dat de Woonark daarvan verwijderd moet worden nu die Woonark daar zonder recht en titel ligplaats heeft. Omdat de Woonark momenteel echter nog steeds tot het afgescheiden vermogen van de nalatenschap van [naam 1] behoort, betekent dit dat de vordering tot verwijdering van de Woonark op dit moment (nog) niet kan worden toegewezen. Daarvoor is tenslotte een voltooide vereffening nodig.
4.33
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 22 februari 2018 (zaaknummer 200.220.830) in dat kader het standpunt ingenomen dat de verplichting de Woonark te verwijderen een schuld van de nalatenschap is. Het hof heeft daartoe overwogen dat de verplichting om de Woonark te verwijderen en de daarmee gepaard gaande kosten geen schulden van de erflater zijn die niet met zijn dood zijn tenietgegaan in de zin van artikel 4:7 lid 1 onder Pro a BW. Deze verplichtingen zijn immers pas ontstaan door het eindigen van het gebruiksrecht ten gevolge van het overlijden van [naam 1] Dat betekent volgens het hof niet dat deze schulden dan ook geen schulden van de nalatenschap zijn. Tot het afgescheiden vermogen (de nalatenschap) behoren ook schulden als de onderhavige die weliswaar pas na het overlijden van de erflater zijn ontstaan, maar voortvloeien uit een voor het overlijden van de erflater al bestaande rechtsverhouding of die, zoals hier, de afwikkeling van die rechtsverhouding betreffen. De verplichting om de Woonark te verwijderen is in die zin in elk geval een schuld van de nalatenschap. De sloopkosten zijn redelijkerwijs nodig voor het uitvoeren van de verplichting tot verwijdering van de Woonark en zijn daardoor aan te merken als kosten van vereffening van de nalatenschap in de zin van artikel 4:7 lid 1 onder Pro c BW.
4.34
De rechtbank overweegt dat de verplichting tot vereffening van de nalatenschap in het geval van beneficiaire aanvaarding strekt tot bescherming van de schuldeisers van de nalatenschap. De vereffening beoogt te bewerkstelligen dat de vorderingen op geordende wijze zoveel mogelijk daadwerkelijk uit de nalatenschap worden voldaan. Nu duidelijk is geworden dat de Woonark van de eigendommen van [gedaagde sub 2] c.s. verwijderd moet worden en de kosten daarvan een schuld van de nalatenschap vormt, dient [eiser] met die kennis de vereffening met gerede spoed te voltooien. Indien hij nalaat aan deze verplichting als vereffenaar te voldoen staat het [gedaagde sub 2] c.s. vrij om op grond van artikel 4:203 lid 1 sub Pro BW middels een verzoekschriftprocedure bij de rechtbank een vereffenaar te laten benoemen om op die wijze (alsnog) een voltooiing van de vereffening van de nalatenschap van [naam 1] te bewerkstelligen om daarmee tot het uiteindelijk doel, namelijk verwijdering van de Woonark te komen.
4.35
Uit de beoordeling van de vorderingen in conventie volgt dat de vordering van [gedaagde sub 2] c.s. om [eiser] te verbieden dat hij de eigendommen van [gedaagde sub 2] c.s. betreedt of gebruikt kan worden toegewezen. [eiser] beschikt immers niet over een recht of titel om gebruik te maken van de percelen van [gedaagde sub 2] c.s. Dat betekent dus dat hij daar niet zonder toestemming van [gedaagde sub 2] c.s. mag komen en verblijven. De daarbij gevorderde dwangsom zal als prikkel tot nakoming worden toegewezen, met dien verstande dat dit zal worden gemaximeerd tot een bedrag van € 100.000,- en is verbeurd na afloop van de 4.25 genoemde termijn.
Geen betaling dwangsommen op grond van vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 8 september 2023
4.36
Bij het onder 3.4 genoemde vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, in kort geding gewezen op 8 september 2023, is het [eiser] verboden zich op de eigendommen van [gedaagde sub 2] , destijds kadastraal bekend als
gemeente [.] , sectie [letteraanduiding 1] , nummers [nummeraanduiding 13] , [nummeraanduiding 4] en [nummeraanduiding 3] te begeven, zich daar te bevinden of daarvan anderszins gebruik te maken op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per dag.
4.37
Volgens [gedaagde sub 2] c.s. heeft [eiser] zich ondanks dit verbod op maandag 7 april 2025 en op maandag 2 juni 2025 op de gronden van [gedaagde sub 2] begeven. Bij brief van 4 juni 2025 heeft de raadsman van [gedaagde sub 2] c.s. [eiser] gevraagd tot betaling van de verbeurde dwangsommen over te gaan. Tot nu toe is betaling uitgebleven. [gedaagde sub 2] c.s. vordert daarom in deze procedure betaling van de verbeurde dwangsommen tot een bedrag van € 2.000.
4.38
Ter zitting heeft [eiser] betwist dat hij zich op de genoemde data op de eigendommen van [gedaagde sub 2] c.s. heeft begeven. De advocaat van [gedaagde sub 2] c.s. heeft in reactie daarop ter zitting nader bewijs aangeboden op dit punt maar dat verder niet gespecificeerd.
4.39
De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een bewijsaanbod voldoende moet zijn gespecificeerd. Een partij die bewijs aanbiedt moet concreet onderbouwen wat zij wenst te bewijzen en met welke middelen dan wel wie daarover als getuige kan verklaren. Nu het bewijsaanbod van [gedaagde sub 2] c.s. niet aan voornoemde regels voldoet zal de rechtbank dit als onvoldoende gespecifieerd passeren. Gezien de betwisting van [eiser] zal de vordering tot betaling van de door [gedaagde sub 2] c.s. gestelde verbeurde dwangsommen worden afgewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad verklaring
4.4
[eiser] heeft ten slotte verweer gevoerd tegen de door [gedaagde sub 2] c.s. in reconventie gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring. Hij voert daartoe aan dat de vorderingen in reconventie financieel gezien zodanig vergaande consequenties hebben ten
nadele van hem, dat het bij belangenafweging niet redelijk zou zijn om tot toewijzing over te gaan in plaats van een (onherroepelijke ) hoger beroep einduitspraak af te wachten.
4.41
De rechtbank overweegt in dit kader dat partijen in deze procedure over en weer overwegend in het ongelijk worden gesteld. In reconventie wordt enkel de vordering inhoudende dat het [eiser] wordt verboden de eigendommen van [gedaagde sub 2] c.s. te betreden of te gebruiken toegewezen, waarbij geldt dat het belang van [gedaagde sub 2] c.s. om de inbreuk op zijn eigendomsrecht zo spoedig mogelijk te beëindigen zwaarder weegt dan het belang van [eiser] om de uitkomst van een mogelijke procedure in hoger beroep af te wachten. Het gevorderde verbod tot uitvoerbaar voorraad verklaring ten aanzien van deze veroordeling zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.42
In de omstandigheid dat beide partijen overwegend in het ongelijk worden gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie:
5.1
gebiedt [gedaagde sub 2] c.s. [eiser] voor een periode van maximaal twee weken na de datum van dit vonnis in de gelegenheid te stellen om de roerende zaken die aanwezig zijn in de Woonark die zich bevindt op het perceel kadastraal bekend [plaats 1] [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 2] uit de Woonark te verwijderen, alsmede [eiser] en de door hem aan te wijzen (hulp)perso(o)n(en) daartoe te voet dan wel met een personenauto of ander vervoermiddel de toegang te verlenen tot de Woonark en tot de percelen kadastraal bekend [plaats 1] [letteraanduiding 1] [nummeraanduiding 2] , [nummeraanduiding 3] en [nummeraanduiding 4] , en over de brug over de [straat] , indien en voor zover dat nodig is voor de verwijdering van die zaken, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor elke dag of een gedeelte daarvan dat [gedaagde sub 2] c.s. daarmee in strijd handelen, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;
in reconventie:
5.2
verbiedt [eiser] zich na afloop van de onder 5.1 genoemde periode te begeven op of te bevinden op de eigendommen van [gedaagde sub 2] c.s., bestaande uit de percelen, kadastraal bekend gemeente [.] sectie [letteraanduiding 1] nummers [nummeraanduiding 3] , [nummeraanduiding 4] , [nummeraanduiding 9] , [nummeraanduiding 10] , [nummeraanduiding 11] , [nummeraanduiding 2] en [nummeraanduiding 12] , met de bepaling dat [eiser] bij iedere overtreding van dit verbod een dwangsom zal verbeuren van € 10.000 per dag of een gedeelte daarvan dat hij dit verbod overtreedt, tot een maximum van € 100.000,- is bereikt;
in conventie en in reconventie:
5.3
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en is in aanwezigheid van de griffierFout
! De documentvariabele ontbreekt.in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
type: BEv / 4998
coll: