Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] met de producties 1 tot en met 5;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
2.De beoordeling
Onderwerp: opzeggen arbeidscontract
Rechtbank Midden-Nederland
De werknemer trad op 12 oktober 2024 in dienst bij de werkgever. Zij vorderde salaris vanaf 17 oktober 2025, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente, omdat zij meende recht te hebben op loon na die datum.
De werkgever stelde dat de werknemer de arbeidsovereenkomst per 6 oktober 2025 had opgezegd, waardoor zij geen recht meer had op salaris vanaf 17 oktober 2025. De kantonrechter volgde deze stelling en wees de loonvordering af.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige wilsverklaring tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst had gedaan, zoals blijkt uit een schriftelijke opzegging en ondersteunende Whatsapp-berichten. De werknemer had de opzegging niet gemotiveerd betwist.
De arbeidsovereenkomst eindigde daarom per 6 oktober 2025. De werknemer werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de werkgever.
Uitkomst: De loonvordering wordt afgewezen omdat de werknemer de arbeidsovereenkomst zelf heeft opgezegd per 6 oktober 2025.