ECLI:NL:RBMNE:2026:3981

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
12201846 \ UV EXPL 26-103
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:127 BWArt. 3:94 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling servicekosten en verrekening proceskosten tussen verhuurder en huurder

In deze kortgedingprocedure vordert de verhuurder betaling van naheffingen en achterstallige servicekosten van de huurder over de jaren 2020, 2024 en 2025, alsmede betaling van servicekosten vanaf juni 2026. De procedure volgt op eerdere geschillen over de betalingsverplichting van de huurder.

De kantonrechter stelt vast dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege de impasse tussen partijen over de verrekening van proceskosten en servicekosten. Het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van november 2025 vormt de basis voor de berekening van de servicekosten en bevestigt de betalingsverplichting van de huurder.

De huurder heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de berekeningen van de verhuurder, waardoor de kantonrechter deze als juist aanneemt. De verhuurder mocht de aan de huurder verschuldigde proceskosten verrekenen met haar vordering, omdat geen geldige cessie aan de gemachtigde van de huurder is aangetoond.

De kantonrechter veroordeelt de huurder tot betaling van een bedrag van €3.237,09, de wettelijke rente, de servicekosten over 2026 en de proceskosten van €1.403,02. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat betaling ook bij hoger beroep moet plaatsvinden.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van servicekosten, naheffingen en proceskosten, met het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12201846 \ UV EXPL 26-103
Vonnis in kort geding van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. W.D. de Bruin,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.A. Spigt.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 11 mei 2026 met producties 1 tot en met 20;
  • de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4;
  • de mondelinge behandeling van 27 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
  • de spreekaantekeningen van mr. De Bruin.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling was namens [eiseres] aanwezig mevrouw [A] (bestuurder) met haar gemachtigde mr. De Bruin. [gedaagde] is ook verschenen met haar gemachtigde mr. Spigt. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij mr. De Bruin gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen. Partijen hebben op elkaar kunnen reageren en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Aan het einde van de mondelinge behandeling is de zaak twee weken aangehouden voor een mogelijke minnelijke regeling. Dat is niet gelukt, waarna er is verzocht om vonnis te wijzen. Daarna is bepaald dat er vandaag een vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

[eiseres] is een appartementencomplex in [plaats] . Zij biedt – tegen betaling – basisservice en facultatieve service aan de bewoners van het complex. [gedaagde] huurt één van de appartementen op [eiseres] . Tussen [eiseres] en [gedaagde] hebben verschillende procedures plaatsgevonden over de betalingsverplichting van [gedaagde] van de servicekosten voor [eiseres] . In deze procedure vordert [eiseres] betaling van twee naheffingen over het jaar 2020 en (na vermindering van haar eis) de achterstallige servicekosten over de jaren 2024 en 2025. Daarnaast vordert [eiseres] betaling van de servicekosten vanaf juni 2026. De vordering is toewijsbaar.

3.De beoordeling

Er is sprake van een spoedeisend belang
3.1
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
3.2
De kantonrechter acht een spoedeisend belang aan de zijde van [eiseres] aanwezig. De vordering betreft een vordering tot betaling van servicekosten en die vordering bestaat ook al langere tijd. Vanwege proceskostenveroordelingen in de eerdere procedures moet [eiseres] ook aan [gedaagde] nog een bedrag betalen. Zij heeft dat willen verrekenen met haar vordering op [gedaagde] , maar met die verrekening is [gedaagde] niet akkoord gegaan. Partijen verkeren dus over deze twee vorderingen in een impasse en de gemachtigde van [gedaagde] heeft om die reden in een eerder stadium aangekondigd dat hij zal overgaan tot betekening van de eerdere uitspraken om zo betaling te krijgen van wat er nog aan [gedaagde] toekomt (zonder dat [gedaagde] aan [eiseres] zal betalen). Voor partijen is noodzakelijk dat er een vonnis wordt gewezen waarin een beslissing wordt genomen over het al dan niet mogen verrekenen van de twee vorderingen. In die situatie ziet de kantonrechter voldoende spoedeisend belang voor [eiseres] om deze procedure te starten. Daarbij speelt mee dat door [gedaagde] is aangegeven dat zij op het bestaansminimum leeft en dus weinig financiële middelen heeft.
[gedaagde] moet aan [eiseres] de naheffing en servicekosten betalen
3.3
Op 25 november 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een arrest gewezen tussen [eiseres] en [gedaagde] over de verschuldigdheid van de verschillende servicekosten. In dit arrest heeft het gerechtshof (onder andere) een basis gegeven voor de berekening van de servicekosten. Ook heeft het gerechtshof geoordeeld dat [gedaagde] gehouden is tot betaling van naheffingen als de betaalde servicevoorschotten lager zijn geweest dan de werkelijke kosten.
3.4
Met het arrest als uitgangspunt heeft [eiseres] over de jaren 2024 en 2025 een berekening gemaakt van de servicekosten die [gedaagde] nog aan haar moet betalen (waarbij de zorgkosten in mindering zijn gebracht passend bij het arrest van het gerechtshof). Tegen deze berekeningen heeft [gedaagde] in deze procedure geen verweer gevoerd, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van die berekeningen. Uit die berekeningen volgt dat [gedaagde] aan [eiseres] nog moet betalen een bedrag van € 2.936,88 voor het jaar 2024 en een bedrag van € 2.843,21 voor het jaar 2025. Daarnaast heeft [eiseres] vanwege de werkelijke servicekosten besloten om voor het jaar 2020 twee naheffingen (van in totaal € 200,00) in rekening te brengen bij [gedaagde] , zoals op grond van het arrest ook mocht. Ook hiertegen heeft [gedaagde] geen inhoudelijk verweer gevoerd, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid ervan. Dit betekent dat [eiseres] recht heeft op een totaalbedrag van 5.980,09.
3.5
Voor zover [gedaagde] met haar verwijzing naar de uitspraken van de huurcommissie heeft bedoeld om verweer te voeren tegen de hoogte van de berekeningen en naheffingen, slaagt dat niet. De uitspraken van de huurcommissie zijn niet relevant voor dit kort geding, omdat daar is geoordeeld over andere jaren en dus niet over de jaren 2024 en 2025. Bovendien leest de kantonrechter in rechtsoverweging 3.36 van het arrest van het gerechtshof dat het gerechtshof van oordeel is dat huurrecht niet op de overeenkomst met [gedaagde] van toepassing is, zodat de servicekosten die [eiseres] aan [gedaagde] in rekening heeft gebracht niet aan de eisen die het huurrecht daaraan stelt worden getoetst en de door de huurcommissie in dat kader gedane uitspraken voor die procedure niet relevant zijn.
[eiseres] mocht de aan [gedaagde] verschuldigde proceskosten verrekenen met haar vordering
3.6
[eiseres] vordert primair om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.237,09. Dat is een lager bedrag dan waar zij op grond van de berekeningen recht op heeft. [1] [eiseres] doet namelijk een beroep op verrekening met de aan [gedaagde] nog toekomende proceskosten van € 2.743,00. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] die bevoegdheid tot verrekening. Voor een bevoegdheid tot verrekening is nodig dat [eiseres] een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan haar schuld tegenover dezelfde wederpartij en waarbij zij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering (zo volgt uit artikel 6:127 lid 2 BW Pro). Daarvan is sprake, omdat niet is gebleken van een gecedeerde vordering aan de gemachtigde van [gedaagde] . Weliswaar stelt [gedaagde] dat de proceskosten toekomen aan haar gemachtigde, omdat bij een verleende toevoeging door de Raad voor de Rechtsbijstand een cessie plaatsvindt, maar van een geldige cessie jegens [eiseres] is niets gebleken. Uit het dossier blijkt immers niet van een akte of van een mededeling van een cessie aan [eiseres] (zoals is vereist op grond van artikel 3:94 BW Pro), zodat niet is komen vast te staan dat de vordering is gecedeerd aan de gemachtigde van [gedaagde] . Omdat van een cessie niet is gebleken, heeft [eiseres] nog een schuld aan [gedaagde] (en dus niet aan mr. Spigt). [eiseres] heeft dus een prestatie te vorderen van [gedaagde] die beantwoordt aan haar schuld aan [gedaagde] . Daarmee was [eiseres] bevoegd tot verrekening. [eiseres] heeft ook aan (de gemachtigde van) [gedaagde] verklaard dat zij haar schuld met die vordering heeft verrekend, zo blijkt uit het e-mailbericht van 10 maart 2026 (productie 9 bij de dagvaarding). Op grond van artikel 6:127 lid 1 BW Pro zijn met die verrekeningsverklaring beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop tenietgegaan.
3.7
Op basis van het voorgaande is het voor de kantonrechter voldoende aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure tussen partijen de (primaire) vordering van [eiseres] zal worden toegewezen, omdat [eiseres] mocht overgaan tot verrekening. De kantonrechter zal de vordering tot betaling van een bedrag van € 3.237,09 in dit kort geding daarom toewijzen.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
3.8
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom, die tot en met 13 mei 2026 is berekend op een bedrag op van € 516,31 (na verrekening) is ook verschuldigd. [gedaagde] heeft deze niet weersproken.
[gedaagde] moet de servicekosten over 2026 ter hoogte van € 332,00 betalen
3.9
Tegen de vordering tot betaling aan [eiseres] van de servicekosten over 2026 ter hoogte van € 332,00 per maand, uiterlijk te voldoen elke eerste dag van de ingetreden maand, is geen afzonderlijk verweer gevoerd. Gelet op de verplichting van [gedaagde] om de servicekosten aan [eiseres] te betalen, is het voldoende aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure deze vordering toewijsbaar is. Daarom zal de vordering tot betaling in dit kort geding worden toegewezen. De hierover gevorderde wettelijke rente (indien tijdige betaling uitblijft) acht de kantonrechter ook toewijsbaar.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.1
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
529,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.403,02
Uitvoerbaar bij voorraad
3.11
De veroordelingen van [gedaagde] worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals [eiseres] heeft gevorderd. Dit betekent dat [gedaagde] aan de veroordelingen in dit vonnis moet voldoen, óók als zij of [eiseres] in hoger beroep gaat. Dit vonnis geldt dan totdat de hoger beroepsrechter een beslissing heeft genomen.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.753,40 aan hoofdsom en verschenen wettelijke rente, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 3.237,09, met ingang van 14 mei 2026, tot de dag van volledige betaling;
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen de servicekosten over 2026 ter hoogte van € 332,00 per maand, uiterlijk te voldoen elke eerste dag van de ingetreden maand vanaf 1 juni 2026 tot en met 1 december 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover indien tijdige betaling uitblijft, te berekenen over die bedragen afzonderlijk vanaf de verschillende data van opeisbaarheid daarvan;
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.403,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.

Voetnoten

1.[eiseres] vorderde subsidiair het hogere bedrag van € 6.312,09 voor het geval de kantonrechter oordeelt dat geen verrekening heeft plaatsgevonden.