AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Geen premiebetaling wegens ontbreken verzekeringsrisico na verkoop auto
In deze zaak vordert Univé betaling van premienota's over de periode van 30 september 2024 tot en met 30 december 2024 van [gedaagde] B.V., die een aansprakelijkheidsverzekering had afgesloten voor haar auto. [gedaagde] betwist de verschuldigdheid van de premie en stelt primair dat de verzekering per 30 september 2024 is geëindigd door opzegging op 25 september 2024. Subsidiair voert zij aan dat Univé geen risico heeft gelopen in de gevorderde periode, omdat de auto op 30 september 2024 is verkocht aan een derde partij die de auto zelf verzekerde.
De kantonrechter laat de vraag of de opzegging Univé heeft bereikt in het midden, omdat zelfs als dat niet het geval is, het beroep op artikel 7:938 lid 1 BWPro slaagt. Dit artikel bepaalt dat geen premie verschuldigd is indien de verzekeraar geen risico heeft gelopen. Vaststaat dat Univé vanaf 30 september 2024 tot de beëindiging van de verzekering op 17 januari 2025 geen risico liep, aangezien de auto was overgedragen en verzekerd door de nieuwe eigenaar.
Daarom wijst de kantonrechter de vordering van Univé tot betaling van €287,59 aan premienota's af. Ook de nevenvorderingen zoals incassokosten en rente worden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd omdat [gedaagde] het verweer pas in deze procedure heeft ingebracht, terwijl eerdere aanmaningen waren verzonden. Elke partij draagt haar eigen kosten.
Uitkomst: De vordering tot betaling van premienota's wordt afgewezen omdat de verzekeraar geen risico heeft gelopen na verkoop van de auto.
Uitspraak
RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11850559 \ MC EXPL 25-4683
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
N.V. UNIVÉ SCHADE,
gevestigd en kantoorhoudende te Assen,
eisende partij,
hierna te noemen: Univé,
gemachtigde: LikiFin,
tegen
[gedaagde] B.V.,
(mede) gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.B.M. Swart.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 augustus 2025 met producties 1 tot en met 3; - de conclusie van antwoord met producties 1; - de conclusie van repliek met productie 4; - de conclusie van dupliek.
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.
2.De kern van de zaak
2.1.
[gedaagde] heeft een aansprakelijkheidsverzekering voor haar auto (een Fiat 500 met kenteken [kenteken] , hierna: de auto) bij Univé afgesloten. [gedaagde] heeft de premienota’s over de periode van 30 september 2024 tot en met 30 december 2024 niet betaald. Univé heeft vanwege de wanbetaling de aansprakelijkheidsverzekering per 17 januari 2025 beëindigd. Univé wil dat [gedaagde] de premienota’s van in totaal van € 287,59 alsnog betaalt. De vraag is of [gedaagde] de premienota’s aan Univé moet betalen. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de premienota’s niet aan Univé hoeft te betalen.
3.De beoordeling
[gedaagde] hoeft de premienota’s van in totaal € 287,59 niet aan Univé te betalen
3.1.
[gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de premienota’s betwist. Primair stelt [gedaagde] dat zij de verzekering op 25 september 2024 heeft opgezegd. De verzekering is daarom per 30 september 2024 geëindigd, waardoor er geen grondslag meer bestaat voor de vordering van Univé. Subsidiair stelt [gedaagde] dat zij de premienota’s niet hoeft te betalen, omdat Univé geen risico heeft gelopen in de gevorderde periode (artikel 7:938 lid 1 vanPro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). De kantonrechter oordeelt als volgt.
3.2.
Partijen twisten in de eerste plaats over de vraag of de opzegging van 25 september 2024 van [gedaagde] Univé heeft bereikt en dus door Univé is ontvangen. De kantonrechter is van oordeel dat de beantwoording van die vraag in het midden kan blijven en wel om het volgende. Voor zover Univé gelijk heeft en zij de opzegging niet heeft ontvangen omdat de opzegging is verzonden naar een no-reply e-mailadres van Univé en haar daarom niet heeft bereikt, heeft te gelden dat het beroep van [gedaagde] op artikel 7:938 lid 1 BWPro slaagt.
3.3.
In artikel 7:938 lid 1 isPro – kort gezegd – bepaald dat er geen premie is verschuldigd als in het geheel geen risico is gelopen door de verzekeraar (Univé) of de tot uitkering gerechtigde ( [gedaagde] ). [gedaagde] heeft onderbouwd gesteld dat zij per 30 september 2024 de auto heeft verkocht/geleverd aan [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) (zie productie 2 van [gedaagde] ). De auto kwam vanaf dat moment voor risico voor [bedrijf] . [bedrijf] heeft de auto ook verzekerd en de auto is nog altijd verzekerd (zie productie 3 van [gedaagde] ). Univé heeft vanaf 30 september 2024 tot en met 17 januari 2025 (datum van de beëindiging van de verzekering door Univé) daarom geen risico gelopen. Dit alles heeft Univé niet betwist.
3.4.
De kantonrechter is van oordeel dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 7:938 lid 1 BWPro. Het staat vast dat Univé over de gevorderde periode geen risico heeft gelopen. [gedaagde] hoeft daarom geen premie aan Univé te betalen. De vordering tot betaling van de gevorderde premienota’s wordt afgewezen. Dit betekent dat [gedaagde] het bedrag van € 287,59 niet aan Univé hoeft te betalen.
De nevenvorderingen worden ook afgewezen
3.5.
Omdat de hoofdsom wordt afgewezen, worden de nevenvorderingen – de buitengerechtelijke incassokosten en de rente – ook afgewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.6.
De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren en wel om het volgende. Univé heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] pas in deze procedure voor het eerst met dit verweer is gekomen, terwijl zij [gedaagde] daarvoor al meerdere malen heeft gesommeerd en/of aangemaand tot betaling. Als [gedaagde] naar aanleiding van de sommaties/aanmaningen eerder had gereageerd had wellicht deze procedure voorkomen kunnen worden. De proceskosten worden daarom tussen partijen gecompenseerd.
4. De beslissing
De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van Univé af,
4.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.