ECLI:NL:RBMNE:2026:3993

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/5892
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens hennepkwekerij

De burgemeester heeft op 11 juni 2026 een last onder bestuursdwang opgelegd om een woning te sluiten voor drie maanden vanwege de vondst van een hennepkwekerij op 6 maart 2026. Verzoeker, eigenaar en verhuurder van de woning, maakte bezwaar tegen deze sluiting en vroeg om een voorlopige voorziening om het besluit te schorsen.

Tijdens de zitting op 25 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek behandeld. Verzoeker stelde dat de sluiting zijn financiële positie ernstig schaadt, omdat hij huurinkomsten misloopt en problemen heeft met het betalen van de hypotheek. Echter, verzoeker heeft geen financiële stukken overgelegd die dit onderbouwen, noch bewijs geleverd van contact met de bankafdeling Bijzonder Beheer.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang ontbrak en dat het besluit niet evident onrechtmatig was. De duur van de sluiting is gebaseerd op het Damoclesbeleid en kan in de bezwaarprocedure worden besproken. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en blijft de sluiting van kracht tot de beslissing op bezwaar. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen en de sluiting blijft van kracht tot de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5892
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker

(gemachtigde: E.R. de Jong),
en

de burgemeester van de gemeente [plaats 2] , verweerder

(gemachtigde: D. Shabaz).

Waar gaat deze zaak over?

De burgemeester heeft op 11 juni 2026 een last onder bestuursdwang opgelegd om de woning aan de [adres] te [plaats 2] (de woning) te sluiten voor de duur van drie maanden. De politie heeft namelijk op 6 maart 2026 een hennepkwekerij aangetroffen in de woning. Verzoeker is de eigenaar en verhuurder van de woning. Hij is het niet eens met de sluiting en heeft bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. De burgemeester heeft op 10 april 2026 verzoeker geïnformeerd over het voornemen tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. Bij besluit van 11 juni 2026 heeft de burgemeester de last onder bestuursdwang opgelegd. De woning moet gedurende drie maanden gesloten blijven, van dinsdag 16 juni 2026 tot en met 8 september 2026.
Verzoek om voorlopige voorziening
2. Verzoeker heeft op 13 juni 2026 bezwaar ingediend en een verzoek om voorlopige voorziening gevraagd. Verzoeker verzoekt een voorziening te treffen die inhoudt dat het besluit van de burgemeester wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Spoedeisend belang

3. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. Verzoeker voert aan dat de sluiting van de woning rechtstreeks zijn positie als eigenaar en verhuurder raakt. Door een sluiting van drie maanden loopt verzoeker een aanzienlijk bedrag van huurpenningen mis. Ter zitting heeft gemachtigde van verzoeker aangegeven dat hij loopt bij de afdeling Bijzonder Beheer van de bank omdat hij zijn hypotheek niet kan betalen.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat als gevolg van de sluiting van de woning door het missen van huurpenningen voor verzoeker financiële problemen ontstaan die aanleiding moeten geven tot het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft geen enkel financieel stuk overgelegd wat inzicht geeft in zijn uitgaven, inkomsten en eventuele spaargeld. Ook is er geen stuk overgelegd waaruit blijkt dat eiser bij de afdeling Bijzonder Beheer van de bank loopt. Daarom kan de voorzieningenrechter niet vaststellen dat er financiële problemen spelen. Dat gemachtigde van verzoeker stelt dat hij wel de financiële stukken heeft gezien, neemt niet weg dat verzoeker zijn financiële situatie niet inzichtelijk heeft gemaakt voor de voorzieningenrechter.
Is het besluit evident onrechtmatig?
6. De voorzieningenrechter overweegt tot slot dat het ontbreken van spoedeisend belang niet aan het treffen van een voorlopige voorziening in de weg staat, indien sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door de burgemeester ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven.
7. Op voorhand is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het besluit van 11 juni 2026 evident onrechtmatig is. In bezwaar heeft verzoeker gevraagd of de woning niet korter gesloten kan worden, bijvoorbeeld een maand. Daarover kan worden gesproken tijdens de bezwaarprocedure. Dit geeft echter geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit vanwege de duur van de sluiting evident onrechtmatig is, gelet op de omstandigheid dat de duur van de sluiting is gebaseerd op het toepasselijke Damoclesbeleid. Aan een verder inhoudelijk oordeel van het besluit komt de voorzieningenrechter niet toe.
Wat is de conclusie?
8. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat er geen spoedeisend belang is en dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is. Dat betekent dat verzoeker de beslissing op bezwaar kan en moet afwachten en dat er, gelet op de belangen over en weer, geen reden is om tot die tijd een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Dit betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst en verzoeker in ieder geval totdat op het bezwaar is beslist de woning niet mag gebruiken.
9. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.