ECLI:NL:RBMNE:2026:3997

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/3037
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening tegen weigering handhavend optreden calamiteitenpad niet-ontvankelijk verklaard

Verzoekers dienden een verzoek om een voorlopige voorziening in tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug van 9 april 2026, waarin het college weigerde handhavend op te treden tegen bewoners die dagelijks gebruik maken van het calamiteitenpad tussen de Mova-laan en het bosbad. Het college oordeelde dat er geen sprake was van een overtreding van het bestemmingsplan, omdat het plangebied te voet betreden mag worden en er geen verplichting is om een poort te plaatsen.

Verzoekers wilden dat het college het hek, dat inmiddels was verwijderd, weer terugplaatst om de onveilige situatie door overlast, bedreigingen, samenscholingen, dealen en vernielingen te beëindigen. Zij stelden dat het college hiermee de verkoopvoorwaarde en het bestemmingsplan negeerde.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek niet voldeed aan het vereiste van materiële connexiteit, omdat het bestreden besluit alleen betrekking had op de weigering handhavend op te treden tegen het gebruik van het pad, en niet op het plaatsen van een hek. Het verzoek om het hek terug te plaatsen kon niet via het bestreden besluit worden bereikt.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk beoordeeld. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot weigering handhavend op te treden is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan materiële connexiteit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/3037

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] en anderen, uit [plaats] (gemeente Utrechtse Heuvelrug),verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug(het college), verweerder(gemachtigde: mr. W. van der Wel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen het besluit van het college van 9 april 2026 om het op
8 november 2024 ontvangen handhavingsverzoek af te wijzen (
het bestreden besluit). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat staat in het bestreden besluit?
2. Het college heeft het verzoek om handhavend op te treden tegen de bewoners van de Mova-laan die dagelijks gebruik maken van de calamiteitendoorgang tussen de Mova-laan en het bosbad afgewezen. Het college vindt dat geen sprake is van een overtreding. De planvoorschriften van het bestemmingsplan verbieden niet dat het plangebied te voet wordt binnengetreden en de planvoorschriften bevatten ook geen verplichting om een poort te plaatsen op het pad. Omdat er geen sprake is van een overtreding, heeft het college geen reden om handhavend op te treden.
Wat vragen verzoekers?
3. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, waarbij het college wordt opgedragen om het door de gemeente inmiddels weggehaalde hek weer terug te plaatsen in het calamiteitenpad aan het eind van de Mova-laan. In de nadere toelichting van 27 mei 2026 wijzen zij op de overlast van de vele geparkeerde auto’s van bezoekers van het bosbad, ondanks dat daar een parkeerverbod is. Ook zijn er regelmatig bedreigingen geuit en is er overlast van samenscholingen, er wordt gedeald en er vinden vernielingen plaats en dat maakt dat er sprake is van een onveilige situatie. Dit alles komt doordat bezoekers van het bosbad nu weten dat er een ontsluitingsroute is. Voorheen was het hek als calamiteitenpoort alleen tijdens calamiteiten en slechts vanaf één kant te passeren. Verzoekers vinden dat het college door het hek te verwijderen zowel de verkoopvoorwaarde over de inrichting en het gebruik van het calamiteitenpad negeert, als ook de verleende vergunning voor het hek en het bestemmingsplan waaruit duidelijk blijkt dat de Mova-laan één ontsluiting heeft.
Waarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk?
4. Een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Het vereiste van materiële connexiteit houdt in dat een verzoek om voorlopige voorziening betrekking moet hebben op het materiële geschil over het besluit dat voorligt. [2] Dat wil zeggen dat wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken, betrekking moet hebben op de inhoud van het besluit en ook via dat besluit moet kunnen worden bereikt.
5.1
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoet het verzoek niet aan het vereiste van materiële connexiteit. Wat verzoekers willen bereiken, heeft geen betrekking op de inhoud van het bestreden besluit. Immers het bestreden besluit heeft betrekking op de weigering handhavend op te treden tegen bewoners die dagelijks gebruik maken van de poort tussen de Mova-laan en het bosbad. Verzoekers willen dat de voorziening wordt getroffen dat het college het hek onmiddellijk terugplaatst. Verzoekers willen daarmee bereiken dat het calamiteitenpad niet meer wordt gebruikt.
5.2
De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit verzoek echter niet voldoet aan het vereiste van materiële connexiteit. Het bestreden besluit heeft uitsluitend betrekking op de weigering handhavend op te treden, omdat geen sprake is van een overtreding. Het bestreden besluit ziet niet op de weigering een hek te plaatsen. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter

(is verhinderd te ondertekenen)

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Artikel 8:81 van Pro de Awb.