ECLI:NL:RBMNE:2026:40

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/4972-V
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet tijdig beslissen

Opposant diende op 23 juli 2024 een beroepschrift in wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep op 27 november 2024 niet-ontvankelijk omdat er geen sprake zou zijn van een besluit waartegen beroep kon worden ingesteld. Opposant ging hiertegen in verzet op 25 december 2024.

Tijdens de zitting op 27 november 2025 verscheen alleen opposant. Hij voerde aan dat de gedragslijn van verweerder onjuist werd geïnterpreteerd en dat deze gedragslijn wel degelijk nadelige rechtsgevolgen voor hem heeft, onder meer door het beperken van communicatiekanalen en het niet reageren op zijn verzoeken. De rechtbank oordeelde dat de rechtspositie van opposant wordt aangetast doordat verweerder niet reageert op zijn verzoeken.

De rechtbank concludeert dat het eerdere oordeel niet juist was en verklaart het verzet gegrond. De uitspraak van 27 november 2024 vervalt, en de rechtbank zal de behandeling van het beroep voortzetten. Opposant zal nog bericht ontvangen over de verdere procedure.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt, waarna de behandeling van het beroep wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4972-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 op het verzet van

[opposant] , te [woonplaats] , opposant,

Procesverloop

Op 23 juli 2024 heeft opposant een beroepschrift ingediend, omdat verweerder volgens opposant niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar.
Verweerder heeft op 20 augustus 2024 een verweerschrift ingediend.
In de uitspraak van 27 november 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant is op 25 december 2024 tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
De zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2025.
Opposant is wel verschenen. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 27 november 2024 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen sprake is van een besluit waartegen een beroep niet tijdig beslissen kan worden ingediend. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 27 november 2024 niet juist was.
Standpunt opposant
3.1
Opposant is het niet eens met de uitspraak van 27 november 2024 om de volgende redenen. De samenvatting die de rechtbank geeft in r.o. 2 wat betreft de gedragslijn klopt niet met wat er daadwerkelijk in de gedragslijn staat geschreven. De gedragslijn wordt immers gepresenteerd als een simpele communicatie kwestie. Daarmee doet de rechtbank geen recht aan de strekking van de gedragslijn en de rechtsgevolgen voor opposant. Volgens opposant staat er in de gedragslijn – kort gezegd – dat er
‘niet meer zal worden gereageerd, tenzij’of
‘alleen in bijzondere gevallen’. Als direct belanghebbende ondervindt hij hier dagelijks de rechtsgevolgen van.
3.2
Opposant stelt dat de door de rechtbank aangehaalde uitspraken van de Afdeling niet van toepassing zijn. Het zijn namelijk casussen waarbij de overheid als werkgever en eigenaar of beheerder van gebouwen en terreinen, een maatregel treft om werknemers te beschermen en veilige werkomstandigheden te scheppen. Deze verplichting rust op grond van de Arbeidsomstandighedenwet op de overheidswerkgever.
3.3
Daarnaast verwijst opposant naar een uitspraak van 17 april 2020 van deze rechtbank [1] , waarin wordt beoordeeld of een registratie in het Gemeentelijke Incidenten Registratiesysteem rechtsgevolg heeft. De rechtbank beantwoord deze vraag ontkennend, maar geeft wel aan dat die rechtsgevolgen ontstaan wanneer verweerder overgaat tot het opleggen van maatregelen en voor zover deze maatregelen publiekrechtelijke handelingen zijn. Volgens opposant bevat de opgelegde gedragslijn inhoudelijke mededelingen met betrekking tot het niet in behandeling nemen van aanvragen en verzoeken die zien op exclusieve overheidsbevoegdheden en het daaruit voorvloeiend overheidshandelen.
3.4
Vervolgens voert opposant aan dat de gedragslijn een ingekapseld besluit is in de zin van de Awb en dat hij wat dit onderdeel betreft ontvangen had moeten worden in bezwaar en beroep. Hij is van mening dat de zinsnede
“we reageren niet meer op klachten, handhavingsverzoeken en andere procedures aangaande”moet worden beschouwd als een schriftelijk weigering een besluit te nemen zoals bedoeld in artikel 6:2 van Pro de Awb. Opposant stelt dat hij in beroep en verzet duidelijk heeft gemaakt dat de gekozen bewoording in de gedragslijn een inperking betekent van hetgeen zij van verweerder mogen verwachten, en dat dit wel degelijk gericht is op, voor hem, nadelige rechtsgevolgen.
3.5
Tijdens de zitting heeft opposant naar voren gebracht dat zijn rechtspositie wordt aangetast doordat hij uitsluitend gebruik mag maken van één enkel e-mailadres ( [e-mailadres] ) voor communicatie met de gemeente. Volgens opposant heeft hij in de loop der jaren goede contacten opgebouwd met verschillende ambtenaren en onderhield hij met hen ook per werkmail contact. Hij stelt dat de huidige gedragslijn hem daadwerkelijk beperkt in zijn mogelijkheden om zich schriftelijk tot de gemeente te wenden. Daarnaast voert opposant aan dat hij, ondanks dat hij gebruikmaakt van het adres [e-mailadres] , in strijd met de wettelijke verplichting geen ontvangstbevestiging meer ontvangt van verweerder.
Beoordeling
4. De rechtbank volgt opposant in zijn standpunt dat zijn rechtspositie wordt aangetast, omdat verweerder geheel niet reageert op zijn verzoeken. Verweerder stelt zich weliswaar op het standpunt dat de eiser door de gedragslijn geen beperking ondervindt van zijn algemene mogelijkheden om voor de rechten op te komen, maar het is de rechtbank niet duidelijk hoe zich dat verhoudt tot de stelling van opposant dat verweerder helemaal niet (meer reageert op zijn verzoeken. Daarbij betrekt de rechtbank dat zij in een andere procedure het beroep van opposant wegens niet tijdig beslissen door verweerder gegrond heeft verklaard [2] , omdat de rechtbank in die procedure kennelijk van oordeel was dat verweerder daarop wel had moeten reageren.
5. Dit betekent dat opposant gelijk krijgt. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 27 november 2024 vervalt (artikel 8:55, negende lid, van de Awb). Het vervallen van de eerdere uitspraak betekent dat de rechtbank de behandeling van het beroep (mede gericht tegen het alsnog genomen besluit) zal voortzetten. Opposant krijgt over de verdere behandeling nog bericht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

Voetnoten

1.ECLI:NL: RBMNE: 2020:1520