ECLI:NL:RBMNE:2026:400

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
11904297 \ LC EXPL 25-2009
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.17 lid 2 Besluit ZorgverzekeringArt. 6:29 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling verplicht eigen risico en eigen bijdrage aan zorgverzekeraar

Ohra Zorgverzekeringen heeft [gedaagde] gedagvaard wegens het niet betalen van het verplichte eigen risico van € 385,00 en een eigen bijdrage van € 24,94 voor haar minderjarige zoon over het jaar 2024. [gedaagde] erkent het eigen risico, maar betwist de eigen bijdrage voor haar zoon en de proceskosten.

De kantonrechter oordeelt dat de eigen bijdrage voor minderjarigen wel verschuldigd is, omdat artikel 2.17 lid 2 van het Besluit Zorgverzekering alleen ziet op het eigen risico en niet op de eigen bijdrage. De door [gedaagde] overgelegde betaalbewijzen betreffen premies en eerdere betalingsregelingen en worden niet in mindering gebracht op de vordering.

Verder wijst de kantonrechter het verweer af dat de dagvaarding onterecht was vanwege een lopende betalingsregeling, omdat deze definitief was komen te vervallen. Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid voor matiging van de proceskosten wordt verworpen. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 409,94 en de proceskosten van € 527,14 plus eventuele kosten van betekening.

Uitkomst: De verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van het verplichte eigen risico, de eigen bijdrage voor haar minderjarige zoon en de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11904297 \ LC EXPL 25-2009
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van

1.OHRA ZORGVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Tilburg,
2.
ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ CZ GROEP U.A.,
gevestigd te Tilburg,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: Ohra,
gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Ohra heeft [gedaagde] op 18 augustus 2025 gedagvaard voor de kantonrechter. Daarbij heeft Ohra drie producties meegestuurd. [gedaagde] heeft op de dagvaarding geantwoord. Daarna is nog een schriftelijke ronde geweest, waarbij Ohra op het antwoord van [gedaagde] heeft gereageerd (repliek met producties 4 tot en met 7d) en [gedaagde] daarop weer heeft gereageerd (dupliek met bijlagen). Ohra heeft vervolgens bij akte op de bijlagen bij de conclusie van dupliek gereageerd.
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] is bij Ohra verzekerd tegen ziektekosten. [gedaagde] heeft het verplichte eigen risico van het jaar 2024 van € 385,00 en de eigen bijdrage voor haar minderjarige zoon van € 24,94 niet betaald. Ohra wil dat [gedaagde] deze bedragen alsnog betaalt. [gedaagde] vindt dat zij de eigen bijdrage voor haar minderjarige zoon niet hoeft te betalen. [gedaagde] is het er ook niet mee eens dat de proceskosten (volledig) voor haar rekening komen. De kantonrechter geeft Ohra gelijk. [gedaagde] moet beide bedragen, in totaal € 409,94, en de proceskosten aan Ohra betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom

3.De beoordeling

Het eigen risico en de eigen bijdrage
Waarom is [gedaagde] het eigen risico van het jaar 2024 verschuldigd?
3.1.
Op grond van de verzekeringsovereenkomst geldt een verplicht eigen risico van € 385,00. [gedaagde] erkent ook dat zij dit moet betalen. Het staat dan ook vast dat [gedaagde] het verplichte eigen risico van het jaar 2024 aan Ohra verschuldigd is.
Waarom is [gedaagde] de eigen bijdrage voor haar minderjarige zoon verschuldigd?
3.2.
De minderjarige zoon van [gedaagde] is meeverzekerd onder de ziektekostenverzekering van [gedaagde] . Voor minderjarigen geldt dat zij een eigen bijdrage verschuldigd zijn voor bepaalde zorg uit het basispakket. Leeftijd speelt daarbij geen rol. Dit blijkt uit de informatie over de eigen bijdrage op de website van Ohra (zie productie 4 van Ohra).
3.3.
[gedaagde] beroept zich op artikel 2.17 lid 2 van de Zorgverzekeringswet (de kantonrechter begrijpt: artikel 2.17 lid 2 van het Besluit Zorgverzekering, hierna BZv). Op grond van dat artikel geldt volgens [gedaagde] voor minderjarigen geen eigen bijdrage voor zorg uit het basispakket. Dit verweer van [gedaagde] slaagt niet. Artikel 2.17 lid 2 BZv gaat niet over de eigen bijdrage maar over het verplicht eigen risico. Dat is niet hetzelfde. Uit dit artikel volgt dus niet dat minderjarigen geen eigen bijdrage hoeven te betalen voor verleende zorg uit het basispakket.
3.4.
[gedaagde] heeft niet weersproken dat de zorg waarover de eigen bijdrage is berekend, aan haar minderjarige zoon is verleend.
3.5.
De conclusie is dat [gedaagde] de eigen bijdrage voor de minderjarige zoon van [gedaagde] aan Ohra verschuldigd is.
Waarom moet [gedaagde] deze bedragen aan Ohra betalen?
3.6.
[gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek drie betaalbewijzen overgelegd. De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagde] meent dat deze betalingen van de vordering tot betaling van het verplichte eigen risico van het jaar 2024 en de eigen bijdrage voor haar minderjarige zoon moeten worden afgetrokken. De betalingen op de betaalbewijzen worden hierop niet in mindering gebracht.
3.7.
De betalingen van € 159,95 van 29 januari 2025 en 24 februari 2025 zijn premiebetalingen voor de maanden januari en maart 2025. De betaling van € 35,00 van 29 januari 2025 is een termijnbetaling van een eerdere betalingsregeling, die Ohra met [gedaagde] had afgesproken (zie productie 5a van Ohra). Die betaling is al verwerkt en weggestreept tegen de oudste openstaande achterstand van die regeling. De betalingen zien niet op de betaling van het eigen risico of eigen bijdragen en zullen daarom niet van het gevorderde bedrag worden afgetrokken.
Slotsom ten aanzien van de hoofdsom
3.8.
De vordering tot betaling van het verplichte eigen risico van het jaar 2024 en de eigen bijdrage voor de minderjarige zoon wordt toegewezen. [gedaagde] moet € 409,94 (€ 385,00 + € 24,94) aan Ohra betalen.
Proceskosten
Waarom moet [gedaagde] de proceskosten betalen?
3.9.
Het uitgangspunt is dat de partij die ongelijk krijgt, wordt veroordeeld in de proceskosten. Dit houdt in dat diegene de proceskosten van de andere partij moet vergoeden en geen vergoeding krijgt voor de eigen proceskosten. [gedaagde] krijgt in deze zaak ongelijk. [gedaagde] voert verschillende redenen aan waarom van dit uitgangspunt moet worden afgeweken en de proceskosten voor rekening van Ohra moeten komen of moeten worden gematigd. De kantonrechter volgt [gedaagde] daarin niet. [gedaagde] moet de proceskosten betalen. Hierna wordt dit uitgelegd.
3.10.
[gedaagde] voert aan dat Ohra onterecht heeft gedagvaard omdat sprake was van een lopende betalingsregeling. Dit verweer slaagt niet. Het staat vast dat partijen eerder een betalingsregeling hebben afgesproken. [gedaagde] is de betalingsregeling niet correct nagekomen. [gedaagde] heeft op 17 januari 2025 een brief van Ohra ontvangen, waarin staat dat [gedaagde] een gemiste termijnbetaling vóór 31 januari 2025 moet betalen, omdat anders de betalingsregeling zou worden beëindigd. [gedaagde] heeft op 29 januari 2025 de gemiste termijn betaald, maar daarna heeft zij geen termijnbetalingen meer gedaan. De betalingsregeling is daarom alsnog definitief komen te vervallen. In de brief van 7 maart 2025 heeft Ohra [gedaagde] daarover bericht. Ohra kan dan het volledige openstaande bedrag ineens bij [gedaagde] opeisen. Omdat betaling uitbleef, heeft Ohra de vordering ter incasso aan Flanderijn overgedragen. Ook na aanmaning van Flanderijn heeft [gedaagde] de vordering niet betaald en/of op de vordering gereageerd. Ohra is op 18 augustus 2025 dan ook terecht tot dagvaarding van [gedaagde] overgegaan.
3.11.
[gedaagde] voert ook aan dat zij Ohra/Flanderijn meerdere keren om een betalingsregeling heeft verzocht omdat zij een bijstandsuitkering en een beperkte aflossingscapaciteit heeft, maar dat Ohra/Flanderijn hierop niet heeft gereageerd. Ook dit verweer van [gedaagde] slaagt niet. De verzoeken om een betalingsregeling die [gedaagde] heeft gedaan en waarvan zij schermprints laat zien, dateren uit 2023. De vordering waar het in deze zaak over gaat bestond toen nog niet. De verzoeken gaan over iets anders, namelijk de vordering tot betaling van het verplicht eigen risico van het jaar 2022 (bij Flanderijn bekend onder dossiernummer [nummer] ). Bovendien geldt dat Ohra op grond van artikel 6:29 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) niet verplicht is een betalingsregeling af te spreken. Ohra mag namelijk zelf kiezen of zij akkoord gaat met een voorstel tot afbetaling in termijnen.
3.12.
[gedaagde] doet daarnaast een beroep op de redelijkheid en billijkheid voor matiging van de proceskosten. Volgens [gedaagde] zou een volledige proceskostenveroordeling haar onevenredig zwaar treffen en staat die niet in verhouding tot de aard en omvang van het geschil. De kantonrechter gaat niet mee in het verzoek tot matiging van de proceskosten. Hoewel de kantonrechter begrip heeft voor de financiële situatie van [gedaagde] , is het enkele feit dat [gedaagde] het financieel niet breed heeft geen grond om de proceskosten te matigen en/of af te wijzen. Dit ligt immers, hoe vervelend ook, geheel in de risicosfeer van [gedaagde] . Daar komt bij dat [gedaagde] voorafgaand aan deze procedure voldoende kansen heeft gehad om de vordering buiten rechte (in termijnen) te betalen. [gedaagde] heeft echter deze mogelijkheden onvoldoende benut of kunnen benutten waardoor Ohra uiteindelijk genoodzaakt was [gedaagde] in rechte te betrekken, met alle bijkomende kosten tot gevolg.
Slotsom ten aanzien van de proceskosten
3.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ohra worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
205,00
(2,5 punten × € 82,00)
- nakosten
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
527,14
Verzoek tot betalingsregeling
3.14.
Met betrekking tot het verzoek van [gedaagde] om een betalingsregeling, merkt de kantonrechter op dat hij niet bevoegd is deze op te leggen. [gedaagde] kan hiervoor contact opnemen met (de gemachtigde van) Ohra.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Ohra tegen bewijs van kwijting te betalen € 409,94,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 527,14, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis moet worden betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
HHt/37278