Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
Inleiding
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Rechtbank Midden-Nederland
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen een beslissing van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. Het verzoek betreft een voorlopige voorziening hangende het beroep dat eiser heeft ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 27 maart 2026.
De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak gedaan. Volgens de artikelen 8:81 en 8:85, tweede lid, Awb kan op een voorlopige voorziening alleen inhoudelijk worden beslist zolang het beroep aanhangig is en er formele connexiteit bestaat.
In deze zaak is inmiddels op 23 juni 2026 op het beroep van eiser (zaaknummer UTR 26/2888) een uitspraak gedaan, waardoor de eis van formele connexiteit niet meer is vervuld. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van formele connexiteit na eerdere uitspraak op het beroep.