ECLI:NL:RBMNE:2026:4000

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/5801
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:85 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken formele connexiteit na eerdere beslissing

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen een beslissing van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. Het verzoek betreft een voorlopige voorziening hangende het beroep dat eiser heeft ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 27 maart 2026.

De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak gedaan. Volgens de artikelen 8:81 en 8:85, tweede lid, Awb kan op een voorlopige voorziening alleen inhoudelijk worden beslist zolang het beroep aanhangig is en er formele connexiteit bestaat.

In deze zaak is inmiddels op 23 juni 2026 op het beroep van eiser (zaaknummer UTR 26/2888) een uitspraak gedaan, waardoor de eis van formele connexiteit niet meer is vervuld. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van formele connexiteit na eerdere uitspraak op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5801

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: S.E. Silbermann).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende het beroep dat eiser heeft ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 27 maart 2026.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. Op grond van de artikelen 8:81 en 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb kan op een voorlopige voorziening alleen inhoudelijk worden beslist zolang het beroep aanhangig is. Aan deze eis van formele connexiteit wordt niet meer voldaan nu met de uitspraak van 23 juni 2026 op het beroep (UTR 26/2888) van eiser is beslist. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.
de griffier is niet in de gelegenheid
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.