Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het procesverloop
- verzoekschrift ingediend door [verzoeker] met bijlage 1 t/m 44;
- verweerschrift van [verweerster] met bijlage N01 t/m N05 en de referentieset;
- de aanvullende brief van [verzoeker] , ingekomen op 1 juni 2026 met bijlage 45 t/m 49;
- de aanvullende brief van [verzoeker] , ingekomen op 3 juni 2026 met bijlage 50;
- de aanvullende reactie van [verweerster] , ingekomen op 3 juni 2026 met bijlages N01 t/m N08;
- de nagestuurde referentieset bij het verweer van [verweerster] , ingekomen op 3 juni 2026.
“nadere toelichting”voorgedragen en overgelegd. Verder heeft [verweerster] nog een aan haar gerichte
“werkgeversverklaring mbt reintegratie werkzaamheden”, gedateerd 3 juni 2026, overgelegd. Op de mondelinge behandeling is tenslotte nog verschenen dhr. B.L. Menting, bewindvoerder van [verweerster] .
2.Het geschil
“de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van mevrouw [verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1972, op grond van artikel 350 lid 3 sub e en Pro/of sub f Fw tussentijds te beëindigen zonder toekenning van de schone lei.”
- i) artikel 350, lid 3 sub e Fw: [verweerster] tracht haar schuldeisers te benadelen;
- ii) artikel 350, lid 3 sub f Fw: er zijn feiten en omstandigheden bekend geworden die op het tijdstip van indiening van het verzoek tot toelating reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen.
“het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling af te wijzen en het vonnis van 13 februari 2026, waarbij verweerster tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is toegelaten, in stand te laten.”
3.De beoordeling van het verzoek
- Bij beschikking van 31 januari 2022 heeft de rechtbank Den Haag beslist over de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding.
- Nadat [verzoeker] hoger beroep had ingesteld tegen voormelde beschikking van 31 januari 2022 en [verweerster] incidenteel hoger beroep had ingesteld heeft het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 7 december 2022 de beschikking van de rechtbank Den Haag d.d. 31 januari 2022 vernietigd en -opnieuw rechtdoende- een andere wijze van verdeling gelast en [verweerster] veroordeeld tot betaling van een bedrag ad
- Direct ná de beschikking van 31 januari 2022 heeft [verweerster] diverse beslagen ten laste van [verzoeker] doen leggen. In de daarop volgende procedures zijn -voor zover einduitspraak is gedaan- de vorderingen van [verweerster] afgewezen.
- Bij vonnis in kort geding d.d. 16 september 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag alle ten laste van [verzoeker] gelegde beslagen opgeheven, [verweerster] verboden opnieuw executoriaal beslag te leggen ter zake partneralimentatie en - kort en zakelijk samengevat- [verweerster] veroordeeld mee te werken aan de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zoals bepaald bij beschikking van
- Eind 2024 heeft [verweerster] de rechtbank Midden-Nederland verzocht om toegelaten te worden tot de Wsnp.
- Het verzoek van [verweerster] om toegelaten te worden tot de Wsnp is door de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 25 februari 2025 afgewezen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 6 juni 2025 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 25 februari 2025 bekrachtigd.
- Eind 2025 heeft [verweerster] zich opnieuw tot de rechtbank Midden-Nederland gewend met een verzoek toegelaten te worden tot de Wsnp.
- Bij vonnis van 13 februari 2026 heeft de rechtbank Midden-Nederland [verweerster] toegelaten tot de Wsnp. Voor zover thans van belang heeft de rechtbank daarbij het volgende overwogen:
- Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 maart 2026 heeft het gerechtshof het hiervoor vermelde kort geding vonnis van 16 september 2024 bekrachtigd met veroordeling van [verweerster] in de geliquideerde proceskosten. Daarbij heeft het gerechtshof Den Haag het volgende overwogen:
- Bij arrest van het gerechtshof Den Haag d.d. 2 juni 2026 -waarbij het gerechtshof de door [verweerster] bestreden vonnissen van de rechtbank Den Haag d.d. 21 februari 2024, 21 augustus 2024 en 25 september 2024 heeft bekrachtigd, is [verweerster] veroordeeld in de werkelijke proceskosten van [verzoeker] . Daarbij heeft het gerechtshof het volgende overwogen:
- drie percelen grond in Italië heeft verkocht aan een offshore entiteit in een niet transparante jurisdictie. In mei 2022, slechts enkele dagen nadat [verzoeker] hoger beroep had ingesteld, heeft [verweerster] drie percelen grond in Italië verkocht aan [bedrijf 11] , gevestigd te [plaats 2] en [plaats 3] . Niet duidelijk is onder welke voorwaarden deze verkoop heeft plaatsgevonden. In haar verzoekschrift toelating Wsnp vermeldt [verweerster] dat zij een bedrag ad € 120.000,-- heeft ontvangen maar dat is niet geloofwaardig nu in de procedure bij het gerechtshof Den Haag de onroerende zaken zijn gewaardeerd op € 384.000,--. De verkoop aan een offshore entiteit in een niet-transparante jurisdictie, kort ná aanvang van het hoger beroep, was kennelijk gericht op het onttrekken van vermogen aan het verhaal van schuldeisers;
- onrechtmatig hypotheek heeft gevestigd op een woning die reeds aan [verzoeker] was toegedeeld. In haar Wsnp-verzoek stelt [verweerster] dat [verzoeker] weigert zijn medewerking te verlenen aan de overname van het eigendomsdeel van [verweerster] dan wel het verkopen aan derden. Het tegendeel is echter het geval, aldus [verzoeker] . [verweerster] is, eerst vanwege de beschikking van 7 december 2022 en later het vonnis van 16 september 2024, gehouden tot het verlenen van haar medewerking aan toedeling van het chalet in België aan [verzoeker] . [verweerster] heeft echter (i) geen enkele actie ondernomen om tot doorhaling van de hypotheek op de woning te komen en (ii) heeft door het weigeren van medewerking een bedrag ad € 60.000,-- aan dwangsommen verbeurd;
- de beslagvrije voet kunstmatig hoog gehouden door structureel onjuiste en onvolledige inkomensgegevens te verstrekken, waardoor het voor verrekening beschikbare gedrag werd geminimaliseerd en [verzoeker] als schuldeiser direct werd benadeeld;
- de aard van haar schulden onjuist voorgesteld door haar eigen agressieve processtrategie en onrechtmatig handelen te presenteren als noodzakelijk verweer.
web van ondernemingen, stichtingen en tussengeplaatste personen” blijkt uit het verzoekschrift toelating Wsnp in ieder geval dat [verweerster] onvolledig is geweest. Dat had wel gemoeten met een deugdelijke toelichting waarom meerdere vennootschappen waarbij [verweerster] betrokken was over zijn gegaan naar een medewerker van haar vennootschap en de net meerderjarige dochter van [verzoeker] en [verweerster] . Door aldus te handelen heeft [verweerster] objectief de schijn gewekt vermogen achter te houden en daarmee haar schuldeisers, waaronder [verzoeker] , te benadelen.
werkgeversverklaring mbt reïntegratie werkzaamheden” genoemde schenking maakt dit niet anders. De schenking is immers gedaan onder de voorwaarde dat [verweerster] in de Wsnp blijft en dat is niet het geval zoals hierna zal worden beslist.
- ondernemingen heeft verzwegen. [verweerster] heeft in het Wsnp-verzoek als (ex-)onderneming uitsluitend [bedrijf 1] B.V. opgegeven. Ten tijde van de toelating was [verweerster] echter (in)direct betrokken bij meerdere vennootschappen. Van [bedrijf 3] B.V. is weliswaar een KvK-uittreksel bijgevoegd, maar uitsluitend in de huidige staat (met [bedrijf 4] als bestuurder), zonder enige toelichting op de eerdere betrokkenheid van [verweerster] . Hiermee poogt [verweerster] haar eerdere betrokkenheid bij deze vennootschap te verhullen;
- cruciale gerechtelijke uitspraken niet in het Wsnp-verzoek heeft opgenomen. Het betreft:
het web van ondernemingen, stichtingen en tussengeplaatste personen” de schijn gewekt vermogen achter te houden. Daarmee ontbreekt in ieder geval de goede trouw zoals vereist voor toelating tot de Wsnp. Dat geldt ook voor wat betreft het onvolledig zijn met betrekking tot het vermelden van gerechtelijke procedures in haar verzoek om toelating tot de Wsnp. De rechtbank is met [verzoeker] van oordeel dat vermelding en bespreking van in ieder geval het kort geding vonnis van 16 september 2024 niet had mogen ontbreken. Met dit vonnis en de daarmee niet strokende inleiding van haar verzoek tot toelating Wsnp (zie hiervoor 3.2) zou [verweerster] niet zijn toegelaten tot de Wsnp.
geenkennis van andere stukken zoals bijvoorbeeld de aantekeningen van de zitting van 14 januari 2026.