ECLI:NL:RBMNE:2026:4010

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
12239940 \ LV EXPL 26-17 D/51246
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning wegens huurachterstand na onvoldoende betalingsperspectief

De zaak betreft een kort geding tussen verhuurders en huurders van een zelfstandige woning, waarbij de verhuurders ontruiming vorderen wegens een huurachterstand van €6.285,- en de lopende huur van €2.095,- per maand. De huurders erkennen de achterstand maar hebben onvoldoende perspectief geboden om deze in te lopen.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de huurders tijdelijk minder inkomen hadden door ziekte, waardoor schulden opliepen tot circa €70.000,-, waarvan inmiddels een deel is afgelost. De aanvraag voor bewindvoering staat nog in de kinderschoenen en een wettelijke schuldsanering wordt overwogen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de verhuurders een spoedeisend belang hebben bij ontruiming en betaling, en dat het in hoge mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter de vorderingen zal toewijzen. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen met een termijn van veertien dagen na betekening. De huurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, de lopende huur tot ontruiming, en de proceskosten. De gevorderde wettelijke rente en incassokosten worden afgewezen vanwege het ontbreken van de toepasselijke algemene voorwaarden in het geding.

Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de verhuurders direct tot uitvoering kunnen overgaan indien de huurders niet voldoen. De vordering tot machtiging voor eigen ontruiming wordt afgewezen omdat de deurwaarder deze taak heeft. Het vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en op 26 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De huurders worden veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van de huurachterstand en lopende huur, met het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Lelystad
Zaaknummer: 12239940 \ LV EXPL 26-17 D/51246
Vonnis in kort geding van 26 juni 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,2. [eiseres sub 2] ,

beiden wonend in [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ,
gemachtigde: mr. J.T.J. Gijsbers (Stichting Achmea Rechtsbijstand),
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2] ,

beiden wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
gemachtigde: mr. K. van Polen en E.P. de Jong.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 mei 2026 met 7 producties;
- de producties 1 en 2 van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ;
- de mondelinge behandeling van 12 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling op 12 juni 2026 waren [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] aanwezig. Zij werden bijgestaan door mr. Gijsbers. Ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] waren aanwezig. Zij werden bijgestaan door mr. Van Polen en De Jong. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben ook hun beoogd bewindvoerder, mevrouw [A] , meegenomen naar de zitting. De Jong heeft spreekaantekeningen voorgedragen. De voorzieningenrechter heeft die spreekaantekeningen aan het dossier toegevoegd.
1.3
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat hij schriftelijk uitspraak doet.

2.De kern van de zaak

2.1
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] huren sinds 12 november 2025 van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] de zelfstandige woning aan de [adres] in [plaats] . De huurprijs is € 2.095,- per maand en moet worden vooruitbetaald. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben een huurachterstand laten ontstaan.
Daarom vorderen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ontruiming van de woning. Zij eisen ook betaling van de huurachterstand met rente en kosten. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] klopt het dat er een huurachterstand is. Zij willen graag in de woning blijven wonen. De voorzieningenrechter wijst de ontruiming en de huurachterstand toe. De wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

3.De beoordeling

[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben een spoedeisend belang bij hun vorderingen
3.1
In dit kort geding moet de voorzieningenrechter allereerst beoordelen of [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] een spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben. Van een spoedeisend belang is sprake als een onmiddellijke voorziening nodig is en van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet kan worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten. Bij de beoordeling moet de voorzieningenrechter de belangen van beide partijen afwegen.
3.2
De voorzieningenrechter vindt dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] een spoedeisend belang hebben bij de gevorderde ontruiming. Er is een huurachterstand. Volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] loopt die achterstand (en daarmee hun schade) verder op als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de woning blijven wonen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] toegelicht dat zij rekening hebben gehouden met de huurinkomsten toen zij bepaalde financiële verplichtingen aangingen. Volgens [eiseres sub 2] betaalt zij de hypotheek normaal gesproken van de huurinkomsten en heeft zij hiervoor nu haar spaargeld moeten gebruiken. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben er dus belang bij dat zij zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen over de beschikbaarheid van de woning, zodat zij de woning kunnen verhuren aan een kandidaat die wel aan zijn of haar betalingsverplichting voldoet. Zij hebben ook een spoedeisend belang bij de gevorderde huurachterstand. Daarbij weegt ook mee dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] erkennen dat zij de huurachterstand moeten betalen.
Wat toetst de voorzieningenrechter in dit kort geding?
3.3
De voorzieningenrechter moet in dit kort geding beoordelen of het in hoge mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in een bodemprocedure zal toewijzen. In dit vonnis in kort geding wordt alleen een voorlopig oordeel gegeven. Bij de beoordeling van de vordering tot ontruiming moet de voorzieningenrechter terughoudend zijn, omdat een ontruiming een ingrijpend karakter en vaak onomkeerbare gevolgen heeft.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten € 6.285,- aan huurachterstand betalen
3.4
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] noemen in de dagvaarding een huurachterstand van € 6.285,-. Deze huurachterstand is berekend tot en met de maand mei 2026. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] klopt die huurachterstand. De voorzieningenrechter zal [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] daarom veroordelen om € 6.285,- aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] te betalen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoeven geen rente en buitengerechtelijke incassokosten te betalen
3.5
De voorzieningenrechter vindt dat sprake is van bedrijfsmatige verhuur door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiser sub 1] in vastgoed investeert. Hij bezit nog een tweede woning die hij verhuurt. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] wonen zelf in een andere woning van [eiser sub 1] . [eiseres sub 2] heeft op enig moment besloten om samen met [eiser sub 1] de woning aan de [straat] te kopen en te verhuren om zo in haar pensioen te kunnen voorzien. Onder deze omstandigheden moeten [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] worden aangemerkt als professionele verhuurders.
3.6
Uit de schriftelijke huurovereenkomst blijkt dat op de overeenkomst algemene voorwaarden van toepassing zijn. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben die voorwaarden niet bij de dagvaarding gevoegd. De voorzieningenrechter moet ambtshalve beoordelen of in de toepasselijke algemene voorwaarden een of meerdere contractuele regelingen zijn opgenomen over de verschillende onderdelen van de vordering, en zo ja, of die regelingen oneerlijk zijn. Bij gebreke van de algemene voorwaarden kan de voorzieningenrechter zijn ambtshalve taak op dit punt niet uitvoeren en daar zullen consequenties aan worden verbonden. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat er over de gevorderde hoofdsom (de huurachterstand) een contractuele regeling is bedongen. Daarom zal de consequentie worden beperkt tot de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten. Die vorderingen zullen bij wijze van sanctie worden afgewezen, ook al zijn de vorderingen in deze procedure gebaseerd op wettelijke bepalingen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de woning ontruimen
3.7
De voorzieningenrechter wijst de vordering tot ontruiming toe. Het is op voorhand aannemelijk dat de bodemrechter in een bodemprocedure de huurovereenkomst zou ontbinden en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zou veroordelen om de woning te ontruimen, zodat hierop in dit kort geding vooruit kan worden gelopen. De huurachterstand was bij het uitbrengen van de dagvaarding drie maanden. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de huur voor de maand juni 2026 ook niet hebben betaald. De huurachterstand is dus opgelopen tot vier maanden. Deze achterstand is zo groot dat van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet kan worden verlangd dat zij de huurovereenkomst laten voortduren. De door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemde persoonlijke en financiële omstandigheden maken niet dat de voorzieningenrechter de ontruiming afwijst. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben namelijk onvoldoende perspectief gegeven voor een oplossing om de huurachterstand in te lopen en de lopende huur van € 2.095,- per maand te betalen. Zij hebben tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat zij allebei zzp’er zijn en dat de huurachterstand is ontstaan doordat [gedaagde sub 2] ziek werd. Hierdoor hadden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tijdelijk minder inkomen. Op enig moment waren hun schulden in totaal ongeveer € 70.000,-. Inmiddels is [gedaagde sub 2] weer hersteld en aan het werk. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben zij een deel van hun schulden afgelost en is er nu ongeveer € 32.000,- over. Als dat juist is, dan is er aanzienlijk afgelost op andere schulden, terwijl de lopende huur of een gedeelte daarvan niet is betaald, of op de huurschuld is afgelost. Naast de huurschuld zijn er dus nog andere schulden. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben tijdens deze procedure wel initiatief genomen door contact op te nemen met de beoogd bewindvoerder, maar de aanvraag voor het bewind staat nog in de kinderschoenen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook een aanvraag voor de wettelijke schuldsanering overwegen. Het is dus nog niet duidelijk hoe de financiële situatie van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] eruit zal komen te zien.
3.8
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de woning ontruimen. Dit betekent dat zij de woning moeten verlaten en leeg en netjes moeten achterlaten. Zij krijgen hiervoor veertien dagen de tijd. Deze termijn gaat in vanaf het moment dat de deurwaarder dit vonnis aan hen heeft bezorgd.
3.9
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen een machtiging om de ontruiming van de woning zelf te bewerkstelligen, als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet aan de veroordeling voldoet. De voorzieningenrechter wijst die vordering af. Een gedwongen ontruiming gebeurt altijd door de deurwaarder en die heeft geen machtiging nodig om de veroordeling tot ontruiming ten uitvoer te leggen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de lopende huurtermijnen betalen
3.1
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de maandelijkse huurprijs van € 2.095,- aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] betalen vanaf 1 juni 2026 tot en met de dag waarop de daadwerkelijke ontruiming plaatsvindt.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de proceskosten betalen
3.11
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben grotendeels ongelijk gekregen en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De voorzieningenrechter begroot de proceskosten van [eiser sub 1] en Moes op:
- kosten van de dagvaarding
155,60
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.141,60
3.12
De voorzieningenrechter wijst de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toe zoals staat vermeld in de beslissing.
De voorzieningenrechter spreekt de veroordelingen (deels) hoofdelijk uit
3.13
De veroordelingen worden (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
De voorzieningenrechter verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad
3.14
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] het vonnis direct kunnen (laten) uitvoeren als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet aan het vonnis (waaronder de veroordeling tot ontruiming) voldoen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] kunnen dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als zij hoger beroep hebben ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist. Het uitgangspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. De voorzieningenrechter vindt dat in dit geval de belangen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . De belangen die de voorzieningenrechter daarbij heeft meegewogen staan genoemd in rechtsoverweging 3.2 en 3.7. Daarom zal het vonnis volgens het uitgangspunt uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis:
  • de woning aan de [adres] in [plaats] te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn;
  • de woning geheel vrij ter beschikking van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] te stellen;
  • de sleutels van de woning af te geven aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ;
  • de woning na de ontruiming ontruimd te houden en niet opnieuw in gebruik te nemen;
4.2
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] te betalen:
I. € 6.285,- aan huurachterstand tot en met de maand mei 2026;
II. de maandelijkse huurtermijn van € 2.095,- vanaf de maand juni 2026 tot en met de dag waarop [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de woning daadwerkelijk hebben ontruimd;
4.3
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.141,60, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
4.4
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening zijn betaald;
4.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.