Stichting Fonds vordert dat gedaagde de verplichte premies betaalt op grond van de algemeen verbindend verklaarde CAO Stichting Fonds, omdat het productieproces van gedaagde moet worden aangemerkt als het verduurzamen van hout. Gedaagde betwist dit en stelt dat zij niet onder de werkingssfeer van de cao valt omdat zij zich bezighoudt met een chemisch modificatieproces dat afwijkt van traditionele houtverwerking.
De kantonrechter stelt vast dat het acetylatieproces van gedaagde het hout duurzaam verbetert zonder giftige stoffen toe te voegen, waardoor het hout minder krimpt, rotbestendig is en minder vatbaar voor insectenaantasting. Dit proces valt onder het begrip 'verduurzamen van hout' zoals bedoeld in de CAO Stichting Fonds. De bedrijfsactiviteiten en SBI-code van gedaagde ondersteunen deze kwalificatie.
De argumenten van gedaagde dat het eindproduct geen hout meer zou zijn en dat zij geen groothandel in hout is, worden verworpen. Ook het bezwaar dat de CAO niet aansluit bij de specifieke bedrijfsvoering van gedaagde wordt niet gevolgd, mede omdat de CAO een minimum-cao is en afwijkingen mogelijk zijn.
Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige premies over 2023 en 2024, het aanleveren van loongegevens over 2020 en 2021, en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.