Stichting Fonds vordert dat gedaagde de verplichte premies betaalt op grond van de algemeen verbindend verklaarde CAO Stichting Fonds voor de jaren 2023 en 2024. Gedaagde betwist dat zij onder de werkingssfeer van deze cao valt, omdat zij zich bezighoudt met een chemisch modificatieproces van hout dat volgens haar niet onder de traditionele houthandel valt.
De kantonrechter stelt vast dat het productieproces van gedaagde, waarbij naaldhout chemisch wordt geacetyleerd om het hout duurzamer te maken, moet worden aangemerkt als het verduurzamen van hout binnen de betekenis van de CAO Stichting Fonds. Dit oordeel wordt ondersteund door de bedrijfsomschrijving bij de Kamer van Koophandel en de erkenning van chemische modificatie als houtverduurzaming door brancheverenigingen.
De kantonrechter verwerpt de argumenten van gedaagde dat het eindproduct geen hout meer zou zijn en dat de cao niet aansluit bij haar bedrijfsvoering. Ook het bezwaar dat de cao niet aansluit bij de specifieke arbeidsomstandigheden van gedaagde wordt niet gevolgd, mede omdat afwijkingen en dispensaties mogelijk zijn.
De vorderingen tot betaling van achterstallige premies over 2023 en 2024 worden toegewezen, evenals de verplichting tot het aanleveren van loongegevens over 2020 en 2021. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden gematigd tot het wettelijke tarief. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.