ECLI:NL:RBMNE:2026:402

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
11801127 \ UC EXPL 25-5952
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 CAO Stichting FondsArt. 6:96 BWArt. 242 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedaagde valt onder werkingssfeer CAO Stichting Fonds voor houtverduurzaming

Stichting Fonds vordert dat gedaagde de verplichte premies betaalt op grond van de algemeen verbindend verklaarde CAO Stichting Fonds voor de jaren 2023 en 2024. Gedaagde betwist dat zij onder de werkingssfeer van deze cao valt, omdat zij zich bezighoudt met een chemisch modificatieproces van hout dat volgens haar niet onder de traditionele houthandel valt.

De kantonrechter stelt vast dat het productieproces van gedaagde, waarbij naaldhout chemisch wordt geacetyleerd om het hout duurzamer te maken, moet worden aangemerkt als het verduurzamen van hout binnen de betekenis van de CAO Stichting Fonds. Dit oordeel wordt ondersteund door de bedrijfsomschrijving bij de Kamer van Koophandel en de erkenning van chemische modificatie als houtverduurzaming door brancheverenigingen.

De kantonrechter verwerpt de argumenten van gedaagde dat het eindproduct geen hout meer zou zijn en dat de cao niet aansluit bij haar bedrijfsvoering. Ook het bezwaar dat de cao niet aansluit bij de specifieke arbeidsomstandigheden van gedaagde wordt niet gevolgd, mede omdat afwijkingen en dispensaties mogelijk zijn.

De vorderingen tot betaling van achterstallige premies over 2023 en 2024 worden toegewezen, evenals de verplichting tot het aanleveren van loongegevens over 2020 en 2021. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden gematigd tot het wettelijke tarief. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde valt onder de werkingssfeer van de CAO Stichting Fonds en wordt veroordeeld tot betaling van premies en kosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11801127 \ UC EXPL 25-5952
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
de stichting
Stichting Fonds voor Onderzoek, Opleiding en Arbeidsverhoudingen in de Houthandel,
gevestigd in Almere,
eisende partij,
hierna te noemen: Stichting Fonds,
gemachtigde: mr. J.R. Versluis,
tegen
de besloten vennootschap
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigden: mrs. C. van Haasteren, A.F.R. Govers en W.M. Blom

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 23;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 27;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de nagezonden producties 28 en 29 van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling van 5 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van Stichting Fonds en van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
Stichting Fonds wil dat [gedaagde] de verplichte premie betaalt die volgt uit de algemeen verbindend verklaarde CAO Stichting Fonds voor Onderzoek, Opleiding en Arbeidsverhoudingen in de Houthandel (hierna: CAO Stichting Fonds). [gedaagde] betwist dat zij onder de werkingssfeer van die cao valt. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet en oordeelt dat chemische bewerking van hout, die in het bedrijf van [gedaagde] plaatsvindt, moet worden aangemerkt als het verduurzamen van hout in de zin van de CAO Stichting Fonds. De gevraagde verklaring van recht dat [gedaagde] onder de werkingssfeer van de CAO Stichting Fonds valt wordt daarom toegewezen en [gedaagde] moet de aan Stichting Fonds verschuldigde premies over de jaren 2023 en 2024 betalen.

3.De beoordeling

Achtergrond
3.1.
Stichting Fonds financiert activiteiten op het gebied van arbeidsomstandigheden, opleidingen en arbeidsverhoudingen binnen de houthandel. Stichting Fonds wordt gefinancierd door middel van het innen van de verplichte premies conform de algemeen verbindend verklaarde CAO Stichting Fonds.
De werkingssfeer van de CAO Stichting Fonds is gelijk aan de werkingssfeer van de CAO Houthandel. Deze laatste cao heeft voornamelijk betrekking op arbeidsvoorwaarden en speelt in deze procedure in principe geen rol.
3.2.
Stichting Fonds heeft vanaf 2022 aan [gedaagde] facturen verstuurd voor premiebetalingen. De eerste factuur heeft [gedaagde] voldaan, maar de latere facturen niet meer omdat er discussie ontstond over de vraag of [gedaagde] wel onder de werkingssfeer van de CAO Stichting Fonds valt.
3.3.
Volgens [gedaagde] zijn de Houthandel CAO’s (de CAO Stichting Fonds en de CAO Houthandel) bedoeld voor de traditionele houthandel en dat is [gedaagde] niet. [gedaagde] , ook handelend onder de naam [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] , houdt zich bezig met de productie van [productienaam] ®. Het bedrijfspand staat op het Cleantech Park Arnhem, een bedrijventerrein voor bedrijven met schone technologieën. Het zwaartepunt van de bedrijfsactiviteiten bij [gedaagde] ligt in chemie, de chemische modificatie van hout, engineering en research en development.
[productienaam] ® en het productieproces
3.4.
Op de website van [handelsnaam 1] [1] staat het volgende over [productienaam] ®:
‘ [productienaam] is hout.
Juist, maar waarom heb je nog nooit van de [productienaam] -boom gehoord?
Nou, dat komt omdat ze niet bestaan. [productienaam] begint als een snelgroeiende naaldboom (pinus radiata) die in productie-bossen groeit. Deze boom wordt na ca. 30 jaar geoogst en doorloopt vervolgens als plank of balk een modificatie-proces, het zgn. acetyleren met azijnzuur. Dit proces zorgt voor zeer vormstabiel en rotbestendig hout’.
En:
‘Het is buitengewoon rotbestendig en uiterst vormstabiel in wisselende klimaten. Tijdens de modificatie worden geen giftige stoffen gebruikt en komen er dus ook geen giftige stoffen in het hout. [productienaam] is tot in de kern gemodificeerd en heeft dus overal evenveel bescherming. Het is ideaal voor kozijnen, deuren, gevelbekleding, terrassen (…)’.
3.5.
Het productieproces van [productienaam] ® verloopt als volgt. De houten planken van de pinus radiata worden gedroogd bij [gedaagde] aangeleverd waarna het hout wordt ‘opgelat’ en verder droogt. Daarna wordt het hout onderworpen aan een chemische behandeling, namelijk acetylering [2] :
‘Acetyleren is de techniek die wij toepassen om de eigenschappen van hout te verbeteren. Eenvoudig gesteld gebruiken wij azijnzuuranhydride om hydroxylgroepen (die van water houden) te veranderen in acetylgroepen (die niet van water houden). Dit zijn moleculaire groepen die van nature in bomen voorkomen.
Wij voegen dus aan het eindproduct geen giftige chemicaliën toe. Door deze verandering van celstructuur neemt hout minder water op. Dit leidt tot betere eigenschappen van het hout zonder dat er schadelijke of milieu onvriendelijke additieven aan het hout worden toegevoegd.
Het resultaat van deze behandeling is dat het hout minder krimpt of zwelt als het nat wordt, het rot niet en het is minder vatbaar voor aantasting door insecten.
Wij gebruiken ons gepatenteerde acetylatieproces om snelgroeiend, hernieuwbaar en duurzaam gewonnen zachthout te verbeteren tot een niet-giftig product met dezelfde en zelfs betere kwaliteiten dan hardhout, kunststoffen en metalen.’
Na de acetylering wordt het [productienaam] ®-hout ‘afgelat’ en getransporteerd naar de afnemers.
De werkingssfeerbepaling en de uitleg daarvan
3.6.
De werkingssfeerbepaling (artikel 1) in de CAO Stichting Fonds luidt als volgt:
‘Deze overeenkomst geldt voor het houtbedrijf, waaronder wordt verstaan:
Alle in Nederland gevestigde ondernemingen, die uitsluitend of in hoofdzaak voor eigen rekening en risico en gericht op niet-particulieren als afnemers de groothandel uitoefenen in (Nederlands en/of buitenlands, onbewerkt, dan wel bewerkt zonder dat daarvoor een eindproduct is ontstaan) hout- en plaatmateriaal en aanverwante artikelen en/of die uitsluitend of in hoofdzaak de navolgende werkzaamheden verrichten:
- (loon)zagen, (-)schaven, (-)drogen en/of (-)verduurzamen van hout;
- Ten behoeve van de handel, hout oogsten in bossen en andere houtopstanden;
- De vervaardiging van producten uit houtafval, niet zijnde eindproducten, alsmede de handel in deze producten.’
3.7.
Of [gedaagde] valt onder de werkingssfeerbepaling moet worden beantwoord aan de hand van de zogenoemde cao-norm. Die norm houdt in dat een bepaling in een cao naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd. Daarbij zijn in beginsel de bewoordingen van de bepalingen gelezen in het licht van de gehele cao van doorslaggevende betekenis. Bij deze uitleg kan onder meer een rol spelen de elders in de cao gehanteerde formuleringen en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties kunnen leiden, en de kennelijke strekking van de regeling waartoe de betreffende bepaling behoort.
3.8.
Met inachtneming van dit toetsingskader overweegt de kantonrechter dat de term ‘verduurzamen van hout’ in de CAO Stichting Fonds niet is geconcretiseerd. Zo is er geen opsomming gegeven van wat verduurzamen inhoudt en er is ook geen uitzondering gemaakt voor bepaalde productieprocessen. Dit heeft tot gevolg dat ervan uit wordt gegaan dat elke vorm/elk proces van verduurzaming valt onder het algemene begrip ‘verduurzamen van hout’. Een taalkundige uitleg van de werkingssfeerbepaling leidt tot het oordeel dat ook het specifieke (en mogelijk a-typische) productieproces van [gedaagde] valt onder het ‘verduurzamen van hout’. [gedaagde] maakt gebruikt van speciaal in Nieuw-Zeeland gekweekte naaldbomen waarvan het hout gedroogd aan [gedaagde] wordt aangeleverd (en verder droogt op het terrein van [gedaagde] ). Door het acetylatieproces wordt het hout verbeterd tot een product met dezelfde en zelfs betere kwaliteiten dan (onbewerkt) hout (zie 3.5). Het hout is dankzij het productieproces van [gedaagde] duurzamer geworden. Het acetylatieproces van [gedaagde] kan naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet anders worden gekwalificeerd dan het verduurzamen van (naaldbomen)hout. Dit sluit ook exact aan bij de omschrijving van de bedrijfsactiviteiten van [gedaagde] bij de Kamer van Koophandel met SBI-code 16102 (verduurzamen van hout)
3.9.
De argumenten die [gedaagde] aanvoert ter onderbouwing van haar standpunt dat zij desondanks niet onder de werkingssfeer valt, namelijk dat [productienaam] ® geen hout (meer) is en dat [gedaagde] geen groothandel in hout is, overtuigen niet. Dat het eindproduct [productienaam] ® wordt gezien als een duurzame vorm/alternatief voor ‘regulier’ hout dat op dezelfde manier wordt gebruikt en dezelfde functie heeft staat niet ter discussie. De foto’s [3] die [gedaagde] van [productienaam] ® heeft overgelegd bevestigen dit. De opmerking van Stichting Fonds dat [productienaam] ® is gemaakt van hout, wordt aangeprezen als hout en wordt gebruikt als hout [4] is daarmee terecht. Bovendien laat de stelling van [gedaagde] dat door het chemische proces het hout zodanig wordt gemodificeerd dat er geen sprake meer is van hout onverlet dat er in de fabriek van [gedaagde] gewoonweg hout wordt verduurzaamd. Verder staat vast dat [gedaagde] het houtproduct verkoopt aan niet-particulieren [5] . Gelet op dit alles volgt de kantonrechter [gedaagde] niet in haar standpunt dat haar bedrijfsvoering niets met hout te maken heeft. Zonder hout is er immers geen [productienaam] ®.
3.10.
Het klopt dat bij de uitleg van de werkingssfeerbepaling aandacht besteed moet worden aan het hoofdzakelijkheidscriterium, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd. Dat leidt echter niet tot het oordeel dat de werkingssfeerbepaling ten aanzien van [gedaagde] toepassing mist. De kern van de bedrijfsactiviteiten van [gedaagde] is de productie van [productienaam] ® door middel van het acetyleren van naaldbomenhout en dat moet worden aangemerkt als het verduurzamen van hout. Het merendeel van de werknemers van [gedaagde] houdt zich met dit verduurzamingsproces bezig, terwijl het andere deel zich bezig houdt met de (meer traditionele) houtverwerkingsprocessen. Aan het hoofdzakelijkheidscriterium is dus ruimschoots voldaan.
3.11.
Als het al zo is dat de CAO-partijen dit (volgens [gedaagde] ) unieke proces op deze schaal niet voor ogen hebben gehad toen in het kader van de CAO Stichting Fonds (en CAO Houthandel) werd gesproken over de verduurzaming van hout, dan helpt dat [gedaagde] niet. Stichting Fonds heeft in dit verband terecht opgemerkt dat de ontwikkeling van nieuwe methoden en technieken een vanzelfsprekend onderdeel is van verduurzaming. De kantonrechter neemt verder in aanmerking dat Verduurzaamd Hout Nederland (de vereniging van ondernemers in de houtverduurzaming) chemische modificatie met bijvoorbeeld azijnzuuranhydride noemt als voorbeeld van houtverduurzaming [6] .
3.12.
[gedaagde] heeft er op gewezen dat zij in een geheel andere context opereert dan de traditionele houthandel sector waarvoor de Houthandel CAO’s zijn ontworpen. De activiteiten, organisatie en opleidingsbehoeften van [gedaagde] en haar werknemers sluiten daar niet op aan en deelname aan de CAO Stichting Fonds is dan ook niet van nut voor [gedaagde] . Dit bezwaar van [gedaagde] leidt evenmin tot een ander oordeel. Daargelaten dat het niet reëel is om van Stichting Fonds te verwachten dat zij kan voorzien in alle behoeftes van de ondernemingen die aan de CAO Stichting Fonds gebonden zijn, heeft Stichting Fonds tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat er genoeg wordt aangeboden waar ook [gedaagde] gebruik van kan maken, zoals duurzame inzetbaarheid en Arbo-technische zaken. [gedaagde] heeft dat niet weersproken.
3.13.
Op de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat [gedaagde] zich met name zorgen maakt over de toepassing van de CAO Houthandel waarin diverse arbeidsvoorwaarden zijn opgenomen die volgens haar niet passen bij haar bedrijfsvoering, die 24 uur per dag, zeven dagen per week, doorgaat. [gedaagde] meent dat toepassing van die cao haar bedrijfsvoering feitelijk onmogelijk zou maken. Het zou volgens haar onafwendbaar leiden tot het stopzetten van de productie van [productienaam] ® in Nederland en tot het einde van [gedaagde] .
De kantonrechter gaat aan deze stelling voorbij. Ondanks dat de CAO Houthandel in deze procedure niet voorligt, heeft Stichting Fonds er op gewezen dat de CAO Houthandel een minimum-cao is waarvan kan worden afgeweken, ten gunste van de werknemers. Zo hoeft een ploegendienst helemaal geen probleem te zijn mits het werken in de verschillende ploegendiensten voor de werknemers adequaat wordt gecompenseerd. [gedaagde] heeft dat verder niet weersproken. Ook heeft Stichting Fonds aan [gedaagde] de handreiking gedaan om te praten over de eventuele nadelige gevolgen voor [gedaagde] . Deze handreiking heeft [gedaagde] aangenomen. Op de zitting is ook ter sprake gekomen dat [gedaagde] ten aanzien van de in CAO Houthandel opgenomen arbeidsvoorwaarden, die naar haar zeggen in de weg staan aan een goede bedrijfsvoering, om dispensatie kan verzoeken.
3.14.
De kantonrechter verwerpt ten slotte het verweer dat Stichting Fonds heeft nagelaten een zorgvuldig werkingssfeeronderzoek te doen. Stichting Fonds heeft in juli 2023 een rondleiding gehad in het bedrijfspand van [gedaagde] en uitleg gekregen over het productieproces van [productienaam] ®. Dat heeft het standpunt van Stichting Fonds niet veranderd. Ook heeft Stichting Fonds in haar brief van 3 maart 2025 [7] uitvoerig en onderbouwd betoogd waarom de productie van [productienaam] ® volgens haar wel valt onder het verduurzamen van hout in de zin van de CAO Stichting Fonds. Hieruit volgt dat Stichting Fonds niet over één nacht ijs is gegaan voordat zij [gedaagde] heeft aangeschreven voor de verplichte premiebetalingen. Daarom kan Stichting Fonds niet worden tegengeworpen dat er geen zorgvuldig werkingssfeeronderzoek heeft plaatsgevonden.
Conclusie
3.15.
Het productieproces in de fabriek van [gedaagde] moet worden aangemerkt als het ‘verduurzamen van hout’ in de zin van de CAO Stichting Fonds. Dit betekent (reeds) dat [gedaagde] onder de werkingssfeer van die cao valt. Stichting Fonds heeft [gedaagde] dus op goede gronden onder de werkingssfeer van de CAO Stichting Fonds geschaard.
Dat [gedaagde] wellicht een vreemde eend is in de bijt maakt dat niet anders.
3.16.
De door Stichting Fonds gevraagde verklaring van recht dat [gedaagde] onder de werkingssfeer van de CAO Stichting Fonds valt en gehouden is vanaf in elk geval het jaar 2020 de premies te betalen en te blijven betalen wordt daarom toegewezen als onder de beslissing is vermeld.
De overige vorderingen
3.17.
Op 10 juli 2024 en 18 november 2024 heeft Stichting Fonds facturen voor de premie voor het jaar 2023 en 2024 toegestuurd die onbetaald zijn gebleven. De vorderingen tot betaling van de achterstallige premie volgend uit artikel 4 van Pro de CAO Stichting Fonds over het jaar 2023 en 2024 ten bedrage van € 40.709,24 respectievelijk € 29.683,82 worden toegewezen. De premie moet binnen veertien dagen na verzending van de premienota worden betaald. De rente wordt toegewezen als gevorderd.
3.18.
Ook moet [gedaagde] de loongegevens van de jaren 2020 en 2021 aanleveren zodat Stichting Fonds de verplichte premies op grond van de CAO Stichting Fonds alsnog bij [gedaagde] in rekening kan brengen. Dit onderdeel van de vordering (IV) wordt toegewezen. De gevraagde verklaring van recht voor het geval Stichting Fonds niet aan deze veroordeling voldoet (V) wordt afgewezen. Stichting Fonds heeft in de dagvaarding toegelicht dat de loonsom in dat geval wordt bepaald op 125% van het voorgaande jaar. Niet is echter gesteld of gebleken wat de loonsom van dat jaar (2019) is geweest. Toewijzing van dit onderdeel van de vordering zal daarom leiden tot executieproblemen.
3.19.
Stichting Fonds vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Stichting Fonds heeft haar vordering gebaseerd op het Incassoreglement dat deel uitmaakt van de CAO Fonds. De daarin opgenomen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wijkt af van de wettelijke regeling. Omdat [gedaagde] handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag in beginsel van de wettelijke regeling worden afgeweken. De door Stichting Fonds gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten komt op grond van het Incassoreglement in beginsel voor toewijzing in aanmerking. In dit geval ziet de kantonrechter echter aanleiding om deze vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 242 Rv Pro te matigen omdat de aard en de omvang van de gestelde buitengerechtelijke werkzaamheden de toewijzing van de gevorderde vergoeding niet kunnen rechtvaardigen.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal dan ook worden toegewezen tot het toepasselijke wettelijke tarief van € 1.478,93 - de vergoeding die Stichting Fonds subsidiair heeft gevorderd -, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht.
Proceskosten
3.20.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Fonds worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.630,00
(2 punten × € 815,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.370,47
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.21.
De kantonrechter verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen de beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] valt onder de werkingssfeer van de Collectieve Arbeidsovereenkomst inzake de Stichting Fonds voor Onderzoek, Opleiding en Arbeidsverhoudingen in de Houthandel en gehouden is vanaf in elk geval het jaar 2020 premies te betalen en te blijven betalen, zolang zij onder die werkingssfeer valt;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] te betalen de achterstallige premie volgend uit artikel 4 van Pro de Collectieve Arbeidsovereenkomst inzake de Stichting Fonds over het jaar 2023 ter hoogte van € 40.709,24, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 24 juli 2024 tot het moment der algehele voldoening;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] te betalen de achterstallige premie volgend uit artikel 4 van Pro de Collectieve Arbeidsovereenkomst inzake de Stichting Fonds over het jaar 2024 ter hoogte van € 29.683,82, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 2 december 2024 tot het moment der algehele voldoening;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis de loonsommen over de jaren 2020 en 2021 te verstrekken;
4.5.
veroordeelt [gedaagde] om aan Stichting Fonds te betalen een bedrag van € 1.478,93 aan buitengerechtelijke kosten;
4.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.370,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
1257

Voetnoten

1.Zie productie 5 van Stichting Fonds
2.Zie website [handelsnaam 1] , productie 6 van Stichting Fonds
3.Zie productie 4 van [gedaagde]
4.Zie de website van [handelsnaam 1] , productie 5 van Stichting Fonds
5.Zie informatie op de website van [handelsnaam 1] , productie 20 van Stichting Fonds
6.Zie productie 7 van Stichting Fonds
7.Zie productie 19 van Stichting Fonds