ECLI:NL:RBMNE:2026:4035

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/898
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 6:22 AwbArt. 3.2.1 Wlz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wlz-indicatie wegens ontbreken blijvende noodzaak 24-uurszorg ondanks schending hoorplicht

Eiser, met diabetes mellitus type 2 en cognitieve klachten, vroeg op 1 maart 2025 een indicatie aan op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag af omdat eiser geen blijvende noodzaak heeft voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid. De rechtbank bevestigt dit oordeel op basis van een medisch advies dat eiser in staat acht om op relevante momenten hulp in te roepen en zijn zorgbehoefte te overzien.

Eiser stelde dat het CIZ onvoldoende medisch onderzoek verrichtte en dat zijn cognitieve problemen een indicatie zijn voor permanente zorg. De rechtbank oordeelt dat het medisch advies zorgvuldig tot stand is gekomen en dat het CIZ niet verplicht was een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen. Ook is het CIZ niet tekortgeschoten in het verkrijgen van medische informatie, ondanks het niet terugsturen van een medische machtiging door eiser.

Wel is geoordeeld dat het CIZ de hoorplicht heeft geschonden door eiser niet te horen ondanks diens herhaalde verzoeken. Dit gebrek wordt echter gepasseerd omdat eiser alsnog mondeling zijn standpunten kon toelichten. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar het CIZ moet het griffierecht en proceskosten vergoeden vanwege deze procedurele tekortkoming.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Wlz-aanvraag wordt ongegrond verklaard, maar het CIZ wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten wegens schending van de hoorplicht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/898

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.P. van Stralen),
en

Centrum Indicatiestelling Zorg, het CIZ

(gemachtigde: mr. J.E. Koedood).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van het CIZ.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het CIZ heeft zich onder verwijzing naar het medisch advies op het standpunt mogen stellen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een indicatie op grond van de Wlz. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Wel heeft het CIZ eiser ten onrechte niet gehoord naar aanleiding van zijn bezwaren. Eiser krijgt daarom het griffierecht terug en het CIZ moet de proceskosten betalen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft diabetes mellitus (type 2), spier- en gewichtsklachten en prikkelbaar darmsyndroom. Ook ervaart hij cognitieve klachten. Eiser heeft op 1 maart 2025 een aanvraag ingediend voor een indicatie op grond van de Wlz. Het CIZ heeft deze aanvraag met het besluit van 1 mei 2025 afgewezen omdat eiser in staat is om regie te voeren en op relevante momenten hulp in te roepen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.1.
Op 10 december 2025 heeft de medisch adviseur van het CIZ advies uitgebracht.
2.2.
Met het bestreden besluit van 24 december 2025 op het bezwaar van eiser is het CIZ bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CIZ.

Het bestreden besluit

3. Het CIZ wijst de aanvraag af en vindt dat eiser geen recht heeft op een indicatie op grond van de Wlz. In de situatie van eiser is de grondslag somatiek vastgesteld vanwege diabetes mellitus. De beperkingen daardoor leiden niet tot een noodzaak van 24 uur per dag zorg in de nabijheid maar tot planbare zorg. De door eiser benoemde cognitieve klachten kunnen niet medisch geobjectiveerd worden waardoor er geen grondslag voor vastgesteld kan worden. Daardoor kan geen blijvende noodzaak voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid worden vastgesteld.

Basisvoorwaarden voor Wlz-zorg

4. Om in aanmerking te komen voor zorg op grond van de Wlz moet aan drie cumulatieve criteria worden voldaan [1] :
- er moet sprake zijn van een grondslag;
- vanwege deze grondslag moet er behoefte zijn aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstige nadeel te voorkomen;
- de zorgbehoefte moet blijvend zijn (van niet voorbijgaande aard).
4.1.
Met een zogeheten grondslag wordt bedoeld een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap. [2]
4.2.
De definitie van permanent toezicht in de Wlz is dat er een noodzaak is tot onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel. [3]
4.3.
Met een behoefte tot 24 uur per dag zorg in de nabijheid wordt bedoeld de situatie dat iemand zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel te voorkomen. [4] Het kan hierbij gaan om fysieke problemen waardoor iemand voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of om zware regieproblemen waardoor iemand voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.
4.4.
Van ernstig nadeel is sprake als iemand zich maatschappelijk te gronde richt of dreigt te richten, zichzelf in ernstige mate verwaarloost of dreigt te verwaarlozen, ernstig lichamelijk letsel oploopt of dreigt op te lopen dan wel zichzelf ernstig lichamelijk letsel toebrengt of dreigt toe te brengen, ernstig in zijn ontwikkeling wordt geschaad of dreigt te worden geschaad of dat zijn veiligheid ernstig wordt bedreigd, al dan niet doordat hij onder de invloed van een ander raakt. [5]

Beoordeling door de rechtbank

5. Niet in geschil is dat de grondslag somatiek aanwezig is.
6. Wel zijn partijen verdeeld over de vraag of er behoefte is aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen.
7. In bezwaar heeft de medisch adviseur op 10 december 2025 advies uitgebracht. Het CIZ heeft dit advies aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, als is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. [6]
8. De medisch adviseur concludeert in haar advies van 10 december 2025 – samengevat – dat eiser op basis van de grondslag somatiek niet aangewezen is op 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Eiser wordt in staat geacht om op relevante momenten hulp in te roepen en voldoende de zorgbehoefte te overzien en in te schatten. Er is sprake van zeer lichte fysieke problemen passend bij de somatische aandoeningen, deze geven echter geen beperkingen in de zelfredzaamheid. Ook zijn er geen regieproblemen voortkomende uit een Wlz-grondslag aan de orde waarbij voortdurende begeleiding of overname van taken nodig is.
De zorg is planbaar en oproepbaar en dient vooralsnog uit de overige domeinen geleverd te worden. Met betrekking tot het risico op vallen is 24 uurs zorg in de nabijheid niet passend. Een zorginstelling heeft immers niet de mogelijkheid om hiervoor continue toezicht te bieden. Eveneens wordt dit niet mogelijk geacht in de thuissituatie. Het instellen van passende persoonsalarmering, planbare zorg op meerdere momenten op de dag en het nemen van valpreventieve maatregelen is hierbij voorliggend.
Heeft het CIZ zorgvuldig onderzoek gedaan?
9. Eiser voert aan dat het CIZ heeft nagelaten om actief recente medische informatie bij de behandelend artsen op te vragen en zelf lichamelijk onderzoek te laten verrichten. Dat eiser de medische machtiging niet heeft teruggestuurd ontslaat het CIZ niet van de verplichting om een volledig en actueel medisch beeld te krijgen. Daarbij geldt dat bij Wlz-indicaties een onderzoeksplicht rust op het CIZ.
10. De rechtbank oordeelt dat het medisch advies waarop het CIZ de besluitvorming heeft gebaseerd op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en goed te volgen is. Hierbij is van belang dat de medisch adviseur dossieronderzoek heeft verricht en kennis heeft genomen van de voorhanden zijnde medische informatie, de bevindingen van het huisbezoek op 30 april 2025 en een telefoongesprek met eiser op 24 september 2025. Eisers stelling dat het advies niet zorgvuldig is omdat de medisch adviseur heeft nagelaten om recente medische informatie op te vragen volgt de rechtbank niet. Uit het dossier blijkt dat op 20 oktober 2025 een medische machtiging voor uitwisseling van medische informatie is opgevraagd. Op 30 oktober 2025 en op 7 november 2025 heeft de juridisch medewerker van het CIZ gerappelleerd. Hierop heeft de gemachtigde van eiser geantwoord dat wordt gewacht op het verslag van een consult op 28 oktober 2025 bij een arts in Duitsland. Op 13 november 2025 heeft de juridisch medewerker nogmaals gevraagd om de machtiging. Hierop heeft de gemachtigde alleen laten weten dat hij op de zaak terugkomt als eiser de informatie uit Duitsland heeft ontvangen. Op 3 december 2025 is nogmaals een termijn van een week gegeven voor het indienen van de medische informatie dan wel het overleggen van de machtiging. Hierop is geen reactie gekomen. Dat er in bezwaar geen nadere aanvullende vragen konden worden gesteld en geen nadere medische informatie kon worden opgevraagd, kan dus niet aan de medisch adviseur worden tegengeworpen. Het komt voor rekening en risico van eiser dat de medisch adviseur in bezwaar geen nadere medische informatie kon inwinnen. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de medisch adviseur ook zelf geen medisch onderzoek hoefde te verrichten. Zoals het CIZ heeft toegelicht, heeft het in de situatie dat er geen of onvoldoende medisch objectiveerbare informatie is, geen toegevoegde waarde als de medisch adviseur eiser op het spreekuur ziet omdat de medisch adviseur geen diagnose kan stellen.
Is het bestreden besluit voldoende gemotiveerd?
11. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Eiser stelt dat hij door de cognitieve problematiek niet in staat is om risico’s tijdig te herkennen of adequaat te handelen. Eiser vergeet zijn diabetes medicatie en laat het gas branden. Op de zitting heeft eiser nog verteld dat hij al een paar keer is gevallen en dat hij het strijkijzer in het stopcontact heeft laten zitten. Dit zijn volgens eiser indicaties voor de noodzaak van 24 uur per dag zorg in de nabijheid dan wel permanent toezicht.
12. De rechtbank oordeelt dat het CIZ zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de problemen die eiser ervaart, te ondervangen zijn met planbare zorg. Voor de medicatie kan een baxterrol worden gebruikt en ook kan op eisers telefoon een melding worden aangemaakt dat hij zijn medicatie dient in te nemen. Verder heeft het CIZ gewezen op de mogelijkheid dat een diabetesverpleegkundige wordt ingezet.
13. Het door eiser genoemde valgevaar is evenmin een omstandigheid voor het toekennen van zorg op grond van de Wlz. Het moet immers gaan om een reëel risico op ernstig nadeel, dat gebaseerd is op onderbouwde verwachtingen. De enkele mogelijkheid dat een bepaald gevaar bestaat is op zichzelf niet genoeg. [7] Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat sprake was van een dergelijk (reëel) risico op ernstig nadeel. Daarbij heeft het CIZ erop gewezen dat ter voorkoming van mogelijke valincidenten hulpmiddelen mogelijk zijn.
14. Voor wat betreft het gebruik van gas heeft het CIZ er op mogen wijzen dat dit kan worden voorkomen door geen gas meer te gebruiken of dit slechts te gebruiken als er iemand anders aanwezig is. Dit geldt evenzeer voor gebruik van elektrische apparatuur. Verder heeft het CIZ zich onder verwijzing naar het medisch advies op het standpunt mogen stellen dat eiser in staat wordt geacht om op relevante momenten hulp in te roepen en voldoende zijn zorgbehoefte te kunnen overzien en in te schatten. Eiser heeft in bezwaar noch in beroep (aanvullende) medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij – vanwege psychische dan wel cognitieve problemen – niet in staat is om regie te voeren.
Had er een onafhankelijk medisch deskundige benoemd moeten worden?
15. Eiser stelt dat er ten onrechte geen onafhankelijk medisch deskundige is benoemd en verzoekt de rechtbank dat alsnog te doen. De rechtbank overweegt dat het arrest Korošec [8] in deze situatie niet meebrengt dat het CIZ uit het oogpunt van equility of arms een medisch deskundige diende te benoemen. [9] Ook de rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. Daarbij is van belang dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zelf (medische) stukken over te leggen en dat hij met wat is aangevoerd onvoldoende twijfel heeft gezaaid over de zorgvuldigheid en juistheid van de beoordeling door (de medisch adviseur van) het CIZ.
Had het CIZ eiser moeten horen naar aanleiding van zijn bezwaren?
16. Eiser voert aan dat het CIZ ten onrechte heeft aangenomen dat hij afzag van een hoorzitting. Uit het dossier volgt slechts dat eiser niet heeft gereageerd op een verzoek, niet dat nadrukkelijk afstand is gedaan van het recht om te worden gehoord.
17. Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Van het horen kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb worden afgezien, indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.
18. De rechtbank oordeelt dat sprake is van schending van de hoorplicht. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift van 2 juni 2025 aangegeven dat hij verzoekt om in een hoorzitting de gronden waarop dit bezwaarschrift berust aan te vullen. Op het formulier hoorzitting van 7 juni 2025 heeft hij eveneens aangegeven dat hij wenst te worden gehoord. Eiser heeft op 25 augustus 2025 opnieuw op een formulier hoorzitting ingevuld dat hij wenst te worden gehoord. Volgens het CIZ heeft een juridisch medewerker van het CIZ op 11 december 2025 het medisch advies aan eisers gemachtigde gezonden met de vraag of een nadere hoorzitting nog gewenst is, maar die brief is niet aangetroffen in het dossier. Vervolgens heeft het CIZ op 18 december 2025 de conceptbeslissing op het bezwaarschrift toegezonden aan eiser. In de begeleidende brief bij deze beslissing staat niet dat alsnog een hoorzitting gepland kan worden. Wel staat in de conceptbeslissing (onder het kopje ‘Hoe is het CIZ tot deze beslissing gekomen?’) dat zolang er geen reactie is ontvangen van het Zorginstituut Nederland, waaraan advies werd gevraagd, een hoorzitting gepland kan worden.
19. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder deze omstandigheden niet gezegd worden dat eiser niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Hij heeft immers juist wel aangegeven gehoord te willen worden. Omdat eiser meermaals heeft aangegeven dat hij een hoorzitting wenst mocht het CIZ uit de omstandigheid dat eiser niet heeft gereageerd op de brief van 11 december 2025 (nog daargelaten dat deze brief niet bij de stukken zit) dan wel het conceptbesluit van 18 december 2025, niet zonder meer afleiden dat hij geen hoorzitting meer wenste. Het CIZ heeft daarom in dit geval niet op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb kunnen afzien van het horen.
20. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb genomen. Aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld. In beroep heeft hij alsnog de gelegenheid gehad om zijn standpunten mondeling toe te lichten, zodat het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb zal worden gepasseerd. Ook als dit gebrek zich niet had voorgedaan, zou een besluit met een gelijke uitkomst zijn genomen.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is ongegrond. Gelet op het geconstateerde gebrek moet het CIZ het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • draagt het CIZ op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt het CIZ in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868 ,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz.
2.Artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz.
3.Artikel 3.2.1, tweede lid, onder b, van de Wlz.
4.Artikel 3.2.1, eerste lid, onder b, van de Wlz.
5.Artikel 3.2.1, tweede lid, onder c, van de Wlz.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:319, r.o. 4.1.
7.Zie de uitspraak van de CRvB van 16 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1114.
8.EHRM 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:559 r.o. 4.4.