ECLI:NL:RBMNE:2026:404

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
11779785 \ UC EXPL 25-5672 VL/58599
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83 BWArt. 6:87 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtelijke uitspraak over herstelkosten badkamer en onverschuldigde betaling na gebrekkige renovatie

Eisers hebben gedaagden gedagvaard wegens gebrekkige renovatiewerkzaamheden aan hun badkamer, waarbij de afvoer niet correct was aangelegd en het toilet niet werd aangesloten zoals overeengekomen. Eisers vorderen vergoeding van herstelkosten en terugbetaling van een aanbetaling.

De kantonrechter oordeelt dat de afvoer inderdaad onjuist is aangelegd en dat gedaagden in verzuim zijn geraakt omdat zij niet het probleem met de afvoer hebben verholpen. De dagvaarding geldt als omzettingsverklaring, waardoor eisers recht hebben op vervangende schadevergoeding van €1.162,81.

Daarnaast is vastgesteld dat de overeenkomst voor het aansluiten van het toilet in onderling overleg is komen te vervallen, waardoor eisers recht hebben op terugbetaling van €1.530,00. Gedaagden mogen echter een bedrag van €945,00 verrekenen als restant van de aanneemsom. De totale betaling aan eisers bedraagt €1.747,81, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 juli 2025.

Verder worden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten aan eisers toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van €1.747,81 plus rente, incassokosten en proceskosten aan eisers.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11779785 \ UC EXPL 25-5672 VL/58599
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van

1.[eiseres sub 1] ,

wonend in [woonplaats] ,
2.
[eiser sub 2],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: de heer [gemachtigde] ,
tegen

1.DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA [gedaagde sub 1] ,

kantoorhoudend in [kantoorplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2] , beherend vennoot van sub 1,
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
3.
[gedaagde sub 3] , beherend vennoot van sub 1,
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. K. Nieboer, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp.

1.De procedure

1.1.
[eisers] hebben [gedaagden] op 1 juli 2025 gedagvaard voor de kantonrechter. [gedaagden] hebben op 19 augustus 2025 schriftelijk op de dagvaarding gereageerd en gelijktijdig een eis in reconventie ingesteld. De kantonrechter heeft vervolgens een mondelinge behandeling bepaald. Op verzoek van de kantonrechter hebben [gedaagden] op 8 december 2025 nog de door beide partijen ondertekende offerte toegestuurd.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 11 december 2025 plaatsgevonden. Mevrouw [eiseres sub 1] en de heer [eiser sub 2] waren aanwezig, bijgestaan door de heer [gemachtigde] . De heer [gedaagde sub 3] en mevrouw [gedaagde sub 2] waren aanwezig, bijgestaan door mr. Nieboer. Partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. [eisers] hebben hun eis gewijzigd en [gedaagden] hebben de vordering in reconventie ingetrokken. Tenslotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagden] hebben in juni 2024 de badkamer van [eisers] gerenoveerd. Na de werkzaamheden aan de badkamer liep het douchewater niet goed weg. [eisers] hebben daarom een derde herstelwerkzaamheden laten uitvoeren ten aanzien van de afvoer en willen dat [gedaagden] deze kosten van € 1.162,81 aan hen vergoeden. Daarnaast zouden [gedaagden] het toilet van [eisers] aansluiten op het riool voor een bedrag van € 1.700,00, waarvan [eisers] € 1.530,00 hebben aanbetaald. [eisers] willen dat [gedaagden] hun aanbetaling terugbetalen, omdat [gedaagden] de werkzaamheden met betrekking tot het toilet uiteindelijk in onderling overleg niet hebben uitgevoerd. [gedaagden] zijn het hier niet mee eens, omdat zij van mening zijn dat zij nog een bedrag kunnen verrekenen. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eisers] grotendeels toe.

3.De beoordeling

De eiswijziging van [eisers]
3.1.
Nadat [eisers] ter zitting hun eis hebben verminderd, vorderen zij in de hoofdsom € 2.692,81, bestaande uit € 1.162,81 aan vervangende schadevergoeding voor de herstelwerkzaamheden ten aanzien van de afvoer en € 1.530,00 uit onverschuldigde betaling.
[gedaagden] moeten de kosten van de herstelwerkzaamheden van € 1.162,81 vergoeden
3.2.
[eisers] vorderen € 1.162,81 aan vervangende schadevergoeding. Dit komt overeen met de kosten die zij gemaakt hebben om de afvoer alsnog op de juiste wijze te laten aanleggen door [bedrijf] . Zij onderbouwen dit met een betalingsbewijs van € 1.162,81. [1] [gedaagden] hebben de hoogte van de gestelde schade – het bedrag van € 1.162,81 – niet betwist, maar vinden dat zij geen schadevergoeding hoeven te betalen. De kantonrechter wijst het gevorderde bedrag toe. Dit wordt hieronder toegelicht.
Er was een gebrek dat [gedaagden] moesten herstellen
3.3.
[eisers] hebben uitgelegd dat zij bij gebruik van de douche twee problemen ervoeren. De vloertegels waren niet goed op afschot geplaatst, waardoor water naar het toilet liep in plaats van richting het doucheputje. Dit probleem ervaren zij nu nog, maar [eisers] hebben daar in deze procedure geen vordering aan verbonden. Daarnaast stellen zij dat de afvoer van de douche niet goed was aangelegd, waardoor het water niet goed werd afgevoerd. De afvoer zou omhoog hebben gelopen in plaats van naar beneden. [eisers] hebben deze stelling onderbouwd met foto’s. [gedaagden] ontkennen weliswaar dat de afvoer onjuist was aangelegd, maar onderbouwen dat niet. Door dat niet te doen, komt in rechte vast te staan, dat de afvoer niet juist is aangelegd.
3.4.
De kantonrechter begrijpt dat het op dit moment voor [gedaagden] niet meer goed mogelijk is hun betwisting nader te onderbouwen, maar dat komt voor hun risico. Zij waren daar namelijk wel toe in staat geweest als ze meer hadden vastgelegd van de wijze waarop zij de werkzaamheden hadden uitgevoerd of bereidheid hadden getoond te onderzoeken wat het probleem aan de afvoer was.
[gedaagden] waren in verzuim
3.5.
Om aanspraak te kunnen maken op vervangende schadevergoeding [2] moet de wederpartij, [gedaagden] , in verzuim zijn met de nakoming van hun verplichtingen uit de overeenkomst. [eisers] stellen dat [gedaagden] in verzuim waren, omdat zij uit de verklaringen van [gedaagde sub 3] mochten afleiden dat hij niet van plan was om nog na te komen. [gedaagden] zijn het hier niet mee eens; volgens hen heeft [gedaagde sub 3] meerdere keren aangeboden om de gebreken te herstellen en hebben [eisers] geen ingebrekestelling gestuurd.
3.6.
Artikel 6:83 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat verzuim intreedt zonder ingebrekestelling als de schuldeiser, in dit geval [eisers] , uit een mededeling van de schuldenaar, in dit geval [gedaagden] , moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten. Op 18 augustus 2024 schreef [gedaagde sub 3] aan [eisers] :
“[…] Douchewater wat onvoldoende wegloopt door de douchegoot komt, omdat er ergens in uw afvoerpijp een verstopping zit waardoor het water niet goed wegloopt. Mijn afvoerleiding is nieuw en loopt goed weg naar een laag punt naar beneden. Daarna loopt de afvoer naar beneden, aangesloten op uw bestaande afvoerpijp van beneden. Ook na een tijdje loopt het water compleet weg bij de douchegoot, waardoor u kan weten dat het gaat om een verstopping. […]” [3]
De kantonrechter is van oordeel dat [eisers] uit deze mededeling moesten afleiden dat [gedaagden] dit gebrek niet zouden gaan verhelpen. Weliswaar heeft [gedaagde sub 3] verschillende voorstellen gedaan tot herstel van gebreken, maar deze voorstellen zagen op het egaliseren van de vloer om het juiste afschot richting het doucheputje te realiseren en niet op het probleem met de afvoer. [gedaagden] zijn daarom ten aanzien van het probleem met de afvoer in verzuim komen te verkeren.
[eisers] hebben een omzettingsverklaring gestuurd
3.7.
Een tweede vereiste voor het recht op vervangende schadevergoeding is dat
[eisers] een omzettingsverklaring aan [gedaagden] hebben gestuurd. Door een omzettingsverklaring wordt de verplichting van [gedaagden] tot nakoming (herstel van het gebrek aan de afvoer) omgezet in een verplichting tot vervangende schadevergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat de dagvaarding van [eisers] kan worden gezien als omzettingsverklaring, omdat hierin duidelijk wordt dat [eisers] een bedrag van € 1.162,81 hebben betaald aan een derde voor het herstel van de afvoer en zij dit bedrag van
[gedaagden] vergoed willen krijgen.
3.8.
Het moment waarop de omzetting heeft plaatsgevonden is van belang om te bepalen vanaf welk moment rente verschuldigd is (zie hierna onder 3.16). [eisers] stellen dat het bericht van 18 augustus 2024 van [gedaagde sub 3] al kan worden gezien als omzettingsverklaring, omdat uit dit bericht blijkt dat [gedaagden] niet meer zouden nakomen. Maar, een bericht van [gedaagde sub 3] kan niet worden gezien als een omzettingsverklaring van [eisers] . Ook de brief van 26 november 2024 van
[eisers] kan niet worden gezien als omzettingsverklaring, omdat zij hierin een te hoog bedrag vorderen en zij ‘onverschuldigde betaling’ ten grondslag leggen aan hun gehele vordering.
[gedaagden] zijn € 1.530,00 aan [eisers] verschuldigd uit onverschuldigde betaling
3.9.
[eisers] vorderen terugbetaling van € 1.530,00. Zij voeren hiertoe aan dat zij met [gedaagden] waren overeengekomen dat [gedaagden] voor € 1.700,00 het toilet van
[eisers] op het riool zouden aansluiten. Van dit bedrag hadden [eisers] al € 1.530,00 aanbetaald. Partijen hebben echter gezamenlijk besloten dat [gedaagden] het toilet niet meer zouden aansluiten op het riool, waardoor [eisers] € 1.530,00 onverschuldigd hebben betaald.
3.10.
[gedaagden] hebben bevestigd dat partijen in gezamenlijk overleg hebben besloten dat zij het toilet van [eisers] niet meer zouden aansluiten op het riool. [gedaagden] hebben bij de mondelinge behandeling laten weten dat zij daar nu niet meer achter staan, omdat partijen nog steeds niet tot een finale oplossing zijn gekomen. Maar, dat doet aan de gemaakte afspraak niet af. [gedaagden] hebben niet betwist dat [eisers] € 1.530,00 hebben aanbetaald. Omdat de overeenkomst in onderling overleg is komen te vervallen, hebben [eisers] € 1.530,00 onverschuldigd aan [gedaagden] betaald. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [gedaagden] dit bedrag in beginsel aan [eisers] moeten terugbetalen.
[gedaagden] kunnen € 945,00 verrekenen
3.11.
[gedaagden] stellen dat [eisers] nog een bedrag van € 1.115,00 aan hen moeten betalen als restant van de aanneemsom. Zij voeren hiertoe aan dat [eisers] 90% van de aanneemsom hebben aanbetaald en de laatste 10% nog moeten betalen. [eisers] hebben dit erkend, maar betwisten dat de aanneemsom € 11.150,00 zou zijn. Ter zitting bleek dat in dit bedrag van € 1.115,00 ook nog 10% voor de kosten voor het aansluiten van het toilet op het riool waren begrepen. Die kosten kunnen [gedaagden] niet meer vorderen, omdat die overeenkomst is vervallen (zie onder 3.10 van dit vonnis). Dit betekent dat [eisers] nog 10% van de overeengekomen aanneemsom van € 9.450,00 (€ 8.700 + € 750,00) = € 945,00 moeten betalen aan [gedaagden]
3.12.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] dit bedrag kunnen verrekenen met het bedrag dat zij [eisers] moeten terugbetalen uit onverschuldigde betaling. [gedaagden] hebben gemotiveerd gesteld dat partijen dit met elkaar hebben afgesproken. [gedaagden] onderbouwen hun stelling met de e-mail van 28 november 2024 van [gedaagde sub 3] aan [eisers] , waarin hij schrijft:
“Ten aanzien van de riolering ben ik akkoord. Dat wij het werk niet meer uitvoeren. Het betaalde bedrag wordt verrekend met het nog openstaande factuurbedrag.”
[eisers] hebben hier op dat moment geen bezwaar tegen gemaakt en hebben ook nadien niet betwist dat deze afspraak zou zijn gemaakt. Dat de afspraak om te verrekenen is gemaakt, komt daarom vast te staan.
3.13.
[eisers] stellen echter dat [gedaagden] dit openstaande bedrag toch niet kunnen verrekenen, omdat [eisers] betaling van dit bedrag opschorten vanwege het gebrek aan de badkamervloer waardoor het water niet richting het doucheputje maar richting het toilet stroomt. Tijdens de zitting hebben [eisers] echter aangegeven dat zij niet meer willen dat [gedaagden] de badkamervloer egaliseren, vanwege het risico op beschadiging van de wandtegels. Dit betekent dat [eisers] geen beroep op opschorting toekomt; opschorting is namelijk een middel om de wederpartij te bewegen tot nakoming. Als nakoming niet meer gewenst is, dan is opschorting niet mogelijk. Dit betekent dat [gedaagden] het openstaande bedrag van € 945,00 kunnen verrekenen en dus nog € 585,00 (€ 1.530 - € 945,00) aan
[eisers] moeten terugbetalen van het bedrag dat [eisers] onverschuldigd hadden betaald.
3.14.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagden] aan [eisers] moeten betalen € 1.162,81 + € 1.530,00 - € 945,00 = € 1.747,81.
[gedaagden] moeten wettelijke rente betalen
3.15.
[eisers] vorderen een bedrag van € 108,33 aan ontstane wettelijke rente tot 5 mei 2025 en de wettelijke rente vanaf 5 mei 2025 over zowel het bedrag van € 1.162,81 aan vervangende schadevergoeding als over het bedrag van € 1.530,00 uit onverschuldigde betaling. De kantonrechter zal wel wettelijke rente toewijzen, maar niet zoals gevorderd.
3.16.
Wettelijke rente over de vervangende schadevergoeding is pas verschuldigd vanaf het moment dat [gedaagden] in verzuim zijn met betaling van de vervangende schadevergoeding. Daarvan kan geen sprake zijn vóór het uitbrengen van de omzettingsverklaring. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval het verzuim is ingetreden, omdat [gedaagden] niet binnen een redelijke termijn van 14 dagen na het uitbrengen van de dagvaarding – en daarmee de omzettingsverklaring – tot betaling van de vervangende schadevergoeding zijn overgegaan. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen vanaf 14 dagen na de omzettingsverklaring (de dagvaarding): vanaf 15 juli 2025.
3.17.
Ten aanzien van de onverschuldigde betaling overweegt de kantonrechter als volgt. Zoals onder 3.9 t/m 3.13 is overwogen, moeten [gedaagden] nog € 585,00 aan [eisers] terugbetalen. [eisers] stellen dat [gedaagden] in verzuim zijn met betaling, omdat
[eisers] op 13 oktober 2024 een ingebrekestelling hebben gestuurd, maar op dat moment hadden [gedaagden] er nog niet mee ingestemd om de overeenkomst ten aanzien van het aansluiten van het toilet op het riool te laten vervallen. [gedaagden] hoefden er op dat moment dus geen rekening mee te houden dat dit bedrag terug betaald zou moeten worden en kunnen daarom ook nog niet in verzuim zijn geweest met terugbetaling van dit bedrag. De kantonrechter zal de wettelijke rente daarom toewijzen vanaf 14 dagen na de dagvaarding: 15 juli 2025.
[gedaagden] moeten buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.18.
[eisers] vorderen € 578,62 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat
[eisers] voldoende hebben gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag toewijzen tot het wettelijke tarief: € 317,23.
[gedaagden] moeten de proceskosten betalen
3.19.
[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,38
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.085,38
3.20.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.21.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
[gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] worden hoofdelijk veroordeeld
3.22.
De veroordelingen worden, zoals is gevorderd, hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 1.747,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 15 juli 2025 tot het moment dat het volledige bedrag is betaald,
4.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 317,23 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.085,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.

Voetnoten

1.Productie 11 bij dagvaarding.
2.Artikel 6:87 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
3.Productie 7 bij dagvaarding.