ECLI:NL:RBMNE:2026:4057

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/2674
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang na besluit aanvullende compensatie

Eiseres heeft op 8 april 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade. Verweerder stelde dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat op 4 augustus 2025 al een besluit was genomen over de aanvraag.

De rechtbank overweegt dat procesbelang vereist is om ontvankelijk te zijn in een bestuursrechtelijke procedure. Procesbelang betekent dat de eiseres een actueel en reëel belang moet hebben bij het verkrijgen van het gevorderde. Omdat verweerder al een besluit heeft genomen vóór het indienen van het beroep, heeft eiseres geen belang meer bij het beroep.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door rechter I. Helmich op 2 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang omdat reeds een besluit is genomen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2674

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld op 8 april 2026, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade.
Op 21 april 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Hierin geeft verweerder aan dat eiseres geen procesbelang heeft, omdat verweerder op 4 augustus 2025 een besluit heeft genomen over de aanvraag van eiseres om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade. Het beroep niet tijdig beslissen moet volgens verweerder dan ook niet-ontvankelijk verklaard worden.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [2] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [3]
3. Procesbelang is het belang dat bestaat bij de uitkomst van de procedure, dus wat de rechtzoekende concreet met het beroep wil of kan bereiken. Dit gaat niet om de vraag of de rechtzoekende gelijk heeft. Het gaat erom dat de rechtzoekende een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als zij dat in de beroepsprocedure zou krijgen. De vraag of er procesbelang is, wordt daarom beantwoord naar de stand van zaken op het moment van het beoordelen van het beroep. De bestuursrechter doet geen uitspraken uitsluitend vanwege de principiële betekenis ervan. [4]
4. Verweerder heeft bij beschikking van 4 augustus 2025 beslist op de aanvraag van eiseres om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade. Dit was dus nog voordat eiseres het beroep niet tijdig beslissen indiende bij de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat dit betekent dat eiseres al had bereikt wat zij met het beroep beoogt, namelijk dat verweerder een besluit neemt op haar aanvraag. Dat betekent dat eiseres met het beroep niet meer kan bereiken dat verweerder alsnog besluit, want dat heeft verweerder al gedaan. Dit leidt ertoe dat eiseres geen procesbelang heeft bij het beroep.
5. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Eiseres krijgt ook het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
3.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1396.