ECLI:NL:RBMNE:2026:4058

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/5403
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van prematuur beroep tegen niet tijdig beslissen bezwaar kinderopvangtoeslag

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Het bezwaarschrift werd op 27 november 2025 ontvangen. Verweerder stelde eiseres bij brief van 30 april 2026 in gebreke, welke brief op 6 mei 2026 werd ontvangen.

Eiseres diende vervolgens op 18 mei 2026 beroep in, binnen twee weken na de ingebrekestelling. Volgens artikel 6:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een beroep tegen het niet tijdig beslissen pas worden ingesteld nadat twee weken zijn verstreken na ontvangst van de ingebrekestelling.

De rechtbank oordeelt dat het beroep te vroeg is ingediend en daarom kennelijk niet-ontvankelijk is. Hierdoor kan de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordelen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter G. Schnitzler op 17 juni 2026 te Utrecht.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuriteit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5403

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Het bezwaarschrift is ontvangen op 27 november 2025.
Op 3 juni 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [1] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [2]
2. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Bij brief van 30 april 2026, ontvangen door verweerder op 6 mei 2026, is verweerder in gebreke gesteld. Eiseres heeft binnen twee weken daarna, te weten bij brief van 18 mei 2026, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.
3. Dit betekent dat eiseres niet de op grond van artikel 6:12 van Pro de Awb vereiste twee weken na het indienen van de ingebrekestelling heeft afgewacht. Het beroep is te vroeg ingediend en is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet kan beoordelen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
2.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.