ECLI:NL:RBMNE:2026:406

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
16.201643.25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 5 WVWArt. 49 lid 2 RVVArt. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bestuurder voor aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag met dodelijk verkeersongeval

Op 11 februari 2025 veroorzaakte de verdachte een verkeersongeval in Rhenen waarbij een voetganger op een oversteekplaats werd aangereden en later overleed. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend had gedragen door onvoldoende snelheid aan te passen aan de slechte weersomstandigheden en het niet verlenen van voorrang.

De rechtbank baseerde haar oordeel op camerabeelden, verklaringen en forensisch onderzoek. De verdediging voerde aan dat sprake was van een momentane onoplettendheid en dat de snelheid niet was overschreden, maar dit werd verworpen omdat het slachtoffer meerdere seconden zichtbaar was en de verdachte onvoldoende oog had gehad voor het verkeer.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een taakstraf van 180 uur, een voorwaardelijke rijontzegging van één jaar met een proeftijd van twee jaar, waarbij rekening werd gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de ernst van het ongeval. De rest van de tenlastelegging werd niet bewezen verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 uur taakstraf en voorwaardelijke rijontzegging van 1 jaar wegens aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag met dodelijk verkeersongeval.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.201643.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 12 februari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1973 in [geboorteplaats 1] ,
verblijvende op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 29 januari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. L.A. Lepoutre;
  • de advocaat van de verdachte: mr. J.J. van 't Hoff (hierna: de advocaat)
  • [nabestaande] , nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer] ;
  • [A] , casemanager bij Slachtofferhulp Nederland.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
primair
op 11 februari 2025 in Rhenen als bestuurder van een motorrijtuig een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, door zich zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend te gedragen door (met een niet functionerende snelheidsmeter) ter hoogte van de voetgangsoversteekplaats met een hogere snelheid dan verantwoord was te rijden en geen voorrang te verlenen aan een overstekende voetganger, waardoor hij tegen deze overstekende voetganger, [slachtoffer] , is gebotst en als gevolg waarvan [slachtoffer] op [overlijdensdatum] 2025 is overleden;
subsidiair:op 11 februari 2025 in Rhenenals bestuurder van een motorrijtuig zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt en het verkeer werd gehinderd;
meer subsidiair
op 11 februari 2025 in Rhenen als bestuurder van een motorrijtuig een voetganger die op een voetgangersoversteekplaats overstak, geen voorrang heeft verleend waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het overtreden van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) en de schuldgradatie daarbij is dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid.
3.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primaire en subsidiaire feit. De advocaat stelt zich op het standpunt dat verdachte de ter plaatse geldende snelheid niet heeft overtreden, althans dat dat niet vastgesteld kan worden, en dat de niet functionerende snelheidsmeter geen bijdrage heeft gehad aan het ongeval.
Ook het ‘niet, althans niet tijdig en/of in voldoende mate vergewissen dat een voetganger overstak’ is geen bijzonderheid die een veroordeling voor artikel 6 WVW Pro rechtvaardigt.
De advocaat meent dat in de tenlastelegging het “iets meer” ontbreekt om de sprong van een kale Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV)-overtreding naar artikel 6 WVW Pro te maken.
De advocaat stelt dat er sprake is geweest van een momentane onoplettendheid; er was ‘enkel’ sprake van een kort moment waarop verdachte niet naar het juiste punt heeft gekeken, hetgeen ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad niet kan leiden tot overtreding van artikel 6 WVW Pro.
De advocaat bepleit ook dat er onvoldoende bewijs is voor artikel 5 WVW Pro en verzoekt te volstaan met een veroordeling voor het meer subsidiaire feit (overtreding van artikel 49 lid 2 RVV Pro).
In dit verband verzoekt de advocaat om de uitspraak van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 31 januari 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:1222) te volgen, daar de tenlastelegging wat betreft de feiten overeenkomt met onderhavig dossier.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.2.
De verdachte stelt zich op het standpunt dat hij alles goed gedaan heeft; hij heeft vaart geminderd en goed naar links en naar rechts gekeken.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijsmiddelen primaire feit
De rechtbank oordeelt dat het primaire feit (het overtreden van artikel 6 WVW Pro) is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
3.3.2
Bewijsoverwegingen
Juridisch kader
De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden, is of de verdachte schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro heeft gehad aan het ongeval. Voor een bewezenverklaring is vereist dat vast komt te staan dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden.
Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De Hoge Raad heeft daarbij opgemerkt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld. Van schuld in de zin van dit wetsartikel is pas sprake in geval van (ten minste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Hiervan is sprake, wanneer de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht.
Beoordeling
Met inachtneming van het hiervoor omschreven juridisch kader, overweegt de rechtbank ten aanzien van de schuld van verdachte als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte geen voorrang heeft verleend aan een voetganger die overstak op een voetgangersoversteekplaats. Juist bij voetgangersoversteekplaatsen geldt dat verkeersdeelnemers extra oplettend moeten zijn voor overstekende voetgangers. De verdachte was bovendien goed bekend met de verkeerssituatie ter plaatse. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat daar veel zebrapaden zijn, dat er veel dode hoeken zijn, en dat je daar dus goed moet opletten. Ook heeft hij verklaard dat het donker en nat was en dat het zicht slecht was, slechter dan normaal. Het regende harder dan normaal. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij zijn ruitenwisser op de hardste stand had staan.
De rechtbank is van oordeel dat hij in de gegeven omstandigheden – het was donker en regenachtig, het wegdek was nat, en er was sprake van een onoverzichtelijke verkeerssituatie- extra oplettend had moeten zijn voor een overstekende voetganger en dat hij zijn rijgedrag aan de omstandigheden had moeten aanpassen. Van een voorzichtige verkeersdeelnemer die ter plaatse bekend is en wiens zicht beperkt kan worden door de harde regen, mag worden verwacht dat hij tijdig zijn snelheid aanpast aan de gegeven situatie, de voetgangersoversteekplaats behoedzaam nadert, en continu kijkt of er mogelijk voetgangers op of nabij de voetgangersoversteekplaats zijn
Verdachte verklaart dat hij bij het naderen van de voetgangersoversteekplaats niet heeft geremd met het rempedaal, maar wel vaart heeft geminderd door gas los te laten en goed links en rechts heeft gekeken. Hij heeft het slachtoffer op dat moment niet gezien. De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer voor hem wel zichtbaar moet zijn geweest gelet op de (ook ter zitting bekeken) camerabeelden waarop onder andere te zien is dat het slachtoffer om 19:42:35 uur de voetgangersoversteekplaats naderde, dat om 19:42:38 uur het licht van de koplampen van de auto van verdachte op het slachtoffer scheen, en het slachtoffer (die gezien verdachtes rijrichting van rechts naar links overstak) recht voor de auto van verdachte overstak, waarna verdachte met de linkerzijde van zijn personenauto het slachtoffer heeft geraakt.
Hieruit volgt dat verdachte gedurende enkele seconden het slachtoffer heeft kunnen zien en ook had moeten zien. Het is dan ook onbegrijpelijk dat de verdachte het slachtoffer niet heeft gezien voorafgaand aan de aanrijding. De verdachte heeft daar zelf ook geen aannemelijke verklaring voor. Er is geen andere conclusie mogelijk dan dat verdachte het slachtoffer niet heeft gezien doordat hij bij het naderen van de voetgangersoversteekplaats zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast aan de weersomstandigheden en het daardoor verminderde zicht. Als verdachte voldoende zijn snelheid had aangepast, had hij - net als de getuige die achter hem reed - de voetganger mogelijk wel gezien en de aanrijding kunnen voorkomen.
Verweer verdediging
De verdediging heeft verzocht om in deze zaak de uitspraak van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 31 januari 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:1222) te volgen en verdachte vrij te spreken van het primaire (artikel 6 WVW Pro) en het subsidiaire feit (artikel 5 WVW Pro) omdat in die zaak sprake zou zijn van dezelfde omstandigheden. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ‘enkel’ sprake was van een kort moment waarop verdachte niet naar het juiste punt heeft gekeken, hetgeen ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad niet kan leiden tot overtreding van artikel 6 WVW Pro.
In voornoemde zaak van de rechtbank Arnhem naderde verdachte de oversteekplaats vanaf de rotonde waarbij hij naar rechts stuurde om de rotonde te verlaten waarbij de verlichting van zijn auto in mindere mate de rechts van de rijbaan gelegen delen kon verlichten. Verdachte heeft in die zaak ook ter zitting verklaard dat hij het slachtoffer pas zag toen zijn koplampen haar beschenen nadat hij een klap hoorde.
De rechtbank overweegt dat, anders dan in de zaak van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, het slachtoffer in deze zaak niet buiten het gezichtsveld van de verdachte is geweest; uit de beelden blijkt dat hij meerdere seconden in het gezichtsveld van de verdachte is geweest, voordat hij het slachtoffer aanreed.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat – anders dan door de verdediging is bepleit- sprake is van één geheel van gedragingen van verdachte en geen op zichzelf staande ‘momentane onoplettendheid’. Verdachte moet het slachtoffer gedurende enkele seconden gezien kunnen hebben. Aangezien verdachte het slachtoffer niet heeft gezien, kan het niet anders dan dat verdachte gedurende enige tijd onvoldoende oog heeft gehad en gehouden voor het verkeer en de verkeerssituatie. Er is dus geen sprake geweest van een momentane onoplettendheid.
Conclusie
De rechtbank concludeert dat het verkeersgedrag van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend kan worden beschouwd en dat daardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan het slachtoffer, [slachtoffer] , is komen te overlijden. Het primair ten laste gelegde kan dus wettig en overtuigend bewezen worden.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 11 februari 2025, te Rhenen , als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de weg, de [straat 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend,
- terwijl het regende en het wegdek nat was en
- terwijl het donker was en
- terwijl voornoemde voetgangersoversteekplaats met strepen op de weg en een bord conform model L2 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was aangeduid en
- (gekomen ter hoogte van voornoemde voetgangersoversteekplaats) met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was te rijden en
- zich er daarbij in onvoldoende mate van te vergewissen dat een
voetganger, te weten [slachtoffer] doende was voornoemde voetgangersoversteekplaats – gezien verdachtes (rij)richting van rechts naar links – over te steken, en
- daarbij geen voorrang te verlenen aan die [slachtoffer] , en
- (vervolgens) niet voldoende af te remmen en niet uit te wijken voor voornoemde [slachtoffer] en
- (vervolgens) in botsing en/of aanrijding te komen met die [slachtoffer] ,
waardoor die [slachtoffer] op [overlijdensdatum] 2025 is overleden.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
4.2
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;
- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van één jaar.
5.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen strafmaatverweer gevoerd voor overtreding van artikel 6 WVW Pro.
5.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op.
Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
Op 11 februari 2025 heeft de verdachte een tragisch verkeersongeval veroorzaakt door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Hij heeft op de [straat 1] in Rhenen in een verkeerssituatie die om extra oplettendheid vroeg, niet voldoende afgeremd toen hij een voetgangersoversteekplaats naderde. Het was donker, het regende hard en hierdoor was het zicht slecht. Verdachte heeft door zijn rijgedrag niet op tijd kunnen anticiperen op de verkeerssituatie en heeft [slachtoffer] op de voetgangersoversteekplaats aangereden. Het slachtoffer [slachtoffer] is drie dagen later aan de gevolgen van het ongeval op 70-jarige leeftijd overleden. De familie van het slachtoffer is hierdoor veel leed en verdriet aangedaan. Dat dit ongeval en de daaropvolgende dood van het slachtoffer voor veel leed en verdriet hebben gezorgd bij de nabestaanden, is gebleken uit de door de partner van slachtoffer [slachtoffer] voorgelezen slachtofferverklaring tijdens de zitting. Zij heeft op de zitting op indrukwekkende wijze verwoord wat het verlies van haar overleden partner voor haar en de familie betekent; hun leven is door het verlies onomkeerbaar veranderd.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 december 2025 waaruit volgt dat verdachte een blanco strafblad heeft. Ook na dit verkeersongeval is de verdachte niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. De rechtbank weegt het strafblad daarom niet in strafverzwarende zin mee.
Ter terechtzitting heeft verdachte ten aanzien van zijn persoonlijke omstandigheden onder meer verklaard dat hij in 1990 een ongeluk heeft gehad en dat hij voor 100% is afgekeurd. Omdat hij niet alle dagen thuis wil zitten, werkt hij desondanks halve dagen. Verdachte heeft voor dit werk zijn rijbewijs nodig.
Strafkader
De rechtbank stelt voorop dat geen straf bestaat die de vreselijke gevolgen van dit verkeersongeval ongedaan kan maken en die in verhouding kan staan tot het verlies van de nabestaanden.
Bij het bepalen van de soort straf en de hoogte daarvan moet de rechtbank de bewezenverklaring als uitgangspunt nemen. Er wordt bij de strafoplegging gekeken naar de (in dit geval grote) gevolgen van de gemaakte verkeersfout, maar de straf moet ook en vooral in verhouding blijven met de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte. In dit geval is aanmerkelijke schuld bewezenverklaard.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de (hoogte van de) straf gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken eerder zijn opgelegd en heeft verder gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting, zoals geformuleerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten zijn opgesteld om te bevorderen dat voor dezelfde feiten door rechtbanken en gerechtshoven ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd. Het oriëntatiepunt voor overtreding van artikel 6 WVW Pro, waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en het slachtoffer is overleden, is een taakstraf van 240 uur en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.
De rechtbank neemt het oriëntatiepunt als uitgangspunt. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om in het voordeel van de verdachte af te wijken van het oriëntatiepunt.
De rechtbank vindt het allereerst van belang dat het ongeval ook impact op de verdachte heeft gehad. Op de zitting heeft de verdachte zich berouwvol getoond en heeft hij spijt betuigd, wat op de rechtbank oprecht is overgekomen. Hij zal moeten leven met de gedachte dat door zijn onvoorzichtigheid en onoplettendheid het slachtoffer is komen te overlijden.
De rechtbank acht een taakstraf van 180 uur passend.
De rechtbank is van oordeel dat een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen hier ook op zijn plaats is. De verdachte heeft het rijbewijs echter nodig voor zijn werk als logistiek medewerker (waarbij hij ook materialen, gereedschap en pakketjes bezorgt op bouwplaatsen door het hele land) en een onvoorwaardelijke ontzegging zou tot gevolg hebben dat hij zijn werk zal kwijtraken. Door zijn fysieke beperkingen en de daarmee samenhangende volledige afkeuring is het ook moeilijk om ander passend werk te vinden waarvoor geen rijbewijs nodig is. De ontzegging zal daarom voorwaardelijk zijn. Deze voorwaardelijke straf strekt er mede toe de verdachte ervan te doordringen in de toekomst de grootst mogelijke voorzichtigheid in het verkeer te betrachten.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte op een taakstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaar.

6.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • Artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
  • Artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

7.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 90 dagen hechtenis;
- ontzegt verdachte ter zake van het onder primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar;
- bepaalt dat de ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. Michon, voorzitter, mr. S.E. van den Brink en mr. F.F. Geerdink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Soeteman als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
Mr. F.F. Geerdink en mr. V. Soeteman zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 11 februari 2025, te Rhenen , althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [straat 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- terwijl het regende en/of het wegdek nat was en/of
- terwijl het donker was en/of
- terwijl de snelheidsmeter van het motorrijtuig niet functioneerde en/of
- terwijl voornoemde voetgangersoversteekplaats met strepen op de weg en/of een bord conform model L2 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was aangeduid
en/of
- ( gekomen ter hoogte van voornoemde voetgangersoversteekplaats) met onverminderde
snelheid, althans met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was te rijden en/of
- zich er (daarbij) niet, althans niet tijdig en/of in onvoldoende mate van te vergewissen dat een voetganger, te weten [slachtoffer] doende was voornoemde voetgangersoversteekplaats –gezien verdachtes (rij)richting van rechts naar links – over te steken, althans die zich (daartoe) op die voetgangersoversteekplaats bevond en/of
- ( daarbij) geen voorrang te verlenen aan die [slachtoffer] , althans die [slachtoffer] niet voor te laten gaan en/of
- ( vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende af te remmen en/of niet, althans niet tijdig en/of voldoende uit te wijken voor voornoemde [slachtoffer] en/of
- ( vervolgens) in botsing en/of aanrijding te komen met die [slachtoffer] ,
waardoor die [slachtoffer] op [overlijdensdatum] 2025 is overleden;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 11 februari 2025, te Rhenen , althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [straat 1] ,
- terwijl het regende en/of het wegdek nat was en/of
- terwijl het donker was en/of
- terwijl de snelheidsmeter van het motorrijtuig niet functioneerde en/of
- terwijl voornoemde voetgangersoversteekplaats met strepen op de weg en/of een bord conform model L2 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was aangeduid en/of
- ( gekomen ter hoogte van voornoemde voetgangersoversteekplaats) met onverminderde
snelheid, althans met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was heeft gereden en/of
- zich er (daarbij) niet, althans niet tijdig en/of in onvoldoende mate van heeft vergewist dat een voetganger, te weten [slachtoffer] doende was voornoemde voetgangersoversteekplaats – gezien verdachtes (rij)richting van rechts naar links – over te steken, althans die zich (daartoe) op die voetgangersoversteekplaats bevond en/of
- ( daarbij) geen voorrang heeft verleend aan die [slachtoffer] , althans die [slachtoffer] niet voor heeft laten gaan en/of
- ( vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende heeft afgeremd en/of niet, althans niet tijdig en/of voldoende is uitgeweken voor voornoemde [slachtoffer] en/of
- ( vervolgens) in botsing en/of aanrijding is gekomen met die [slachtoffer] ,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 11 februari 2025, te Rhenen , althans in Nederland, als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat 1] , een voetganger, die op een voetgangersoversteekplaats overstak of die kennelijk op het punt stond over te steken, niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;
Bijlage II: Bewijsmiddelen [1]
-
Een proces-verbaal aanrijding misdrijf, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Locatie ongeval:
Datum: 11 februari 2025
Omstreeks: 19:58 uur
Adres: [straat 1] , Rhenen
Betrokken 1 (voertuig)
Voertuig: Personenauto [kenteken] Ford Mondeo
Bestuurder [verdachte]
Betrokken 2 (persoon)
Voetganger: [slachtoffer] : [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1954
. [2]
-
Een proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse van 23 juni 2025, opgemaakt door [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , werkzaam bij de Dienst Regionale Recherche, team Forensische Opsporing van de eenheid Midden-Nederland, p. 10, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op basis van het onderzoek op de plaats van het verkeersongeval, het voertuigonderzoek en het onderzoek naar de camerabeelden kon door ons het volgende gerelateerd worden.
Op 11 februari 2025 omstreeks 19:45 uur heeft er een verkeersongeval plaatsgevonden op de [straat 1] te Rhenen , waarbij een personenauto en een voetganger betrokken waren. De bestuurder van de personenauto reed over de [straat 1] in de richting van [straat 2] . De voetganger, hierna te noemen het slachtoffer, liep over een voetgangersoversteekplaats over de rijbaan van de [straat 1] in de richting van het [straat 3] .
De bestuurder van de personenauto reed met een indicatieve gemiddelde snelheid van 32,4 kilometer per uur richting de voetgangersoversteekplaats.
De bestuurder van de personenauto heeft de voetganger, die op een voetgangersoversteekplaats overstak, niet voor laten gaan waardoor de linker voorzijde van de personenauto tegen de voetganger aanreed. De bestuurder van de personenauto heeft voorafgaand aan het verkeersongeval zeer waarschijnlijk niet zijn rempedaal bediend. Als gevolg hiervan kwam het slachtoffer op de motorkap
en de voorruit van de personenauto terecht. Nadat het slachtoffer omhoog geworpen was heeft het slachtoffer de linkerzijde van de personenauto geraakt. Vervolgens is het slachtoffer links van de personenauto op het
wegdek terecht gekomen. [3]
Wij zagen dat:
de [straat 1] voor het openbaar verkeer was opengesteld;
Ter plaatse waren de volgende verkeerstekens van toepassing:o de maximumsnelheid bedroeg ter plaatse 30 kilometer per uur als gevolg van artikel 62 jo Pro. verkeersbord Al van bijlage 1 van het RVV 1990, waarboven het woord “Zone” was aangebracht;
o de voetgangersoversteekplaats was middels borden conform model L2 van bijlage 1 van het RVV 1990 aangeduid.. [4] Wij zagen bij ons komst ter plaatse dat:
de duisternis ingetreden was;
de aanwezige lichtmasten licht uitstraalden.
Tijdens ons onderzoek op de plaats van het verkeersongeval was het wegdek nat, danwel vochtig.
Op later verkregen camerabeelden zagen wij dat ten tijde van het verkeersongeval het regende. [5]
-
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
Ik bekeek de beelden welke beschikbaar waren gesteld door de eigenaar van de winkel gelegen aan de [adres 2] te [plaats] .Op deze beelden zag ik het volgende:
Foto 1: dit betreft een overzichtsfoto van het camerabeeld. Te zien is dat de camera
gericht is op de [straat 1] te Rhenen , kijkende in de richting van Elst. De
voetgangersoversteekplaats valt grotendeels weg achter de zonnewering. Te zien is dat er een persoon loopt in de richting van de voetgangersoversteekplaats.
Ten tijde van de opname is het donker en brandt de openbare verlichting.
Tevens is er een lichtbundel te zien van de auto's welke over de [straat 1] rijden
komende uit de richting van Elst.
Foto 2: Op 2 seconden van de opnamen is te zien dat de voetganger de
voetgangersoversteekplaats op loopt. De lichtbundels van de auto's verplaatsen zich
in de richting van de voetgangersoversteekplaats.
Foto 3: Op 3 seconden van de opname is te zien dat de voetganger op de
voetgangersoversteekplaats loopt en dat deze voor een auto langs loopt welke komt
aangereden uit de richting van Elst.
Foto 4: Op 4 seconden van de opname is te zien dat de voetganger wordt aangereden
door een auto, tevens is te zien dat de voetganger de lucht in wordt geworpen.
Foto 5: Op 5 seconden van de opname is het geluid van piepende banden te horen, dit geluid is mij bekend als het hard remmen van een voertuig waardoor de banden slippen op het wegdek. Het voertuig komt tot stilstand en de voetganger valt op het wegdek. [6]
-
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
Ik bekeek de beelden welke ter beschikking waren
gesteld door [horeca gelegenheid] te Rhenen .
Op de beelden zag ik het volgende:
Foto 1: De camera heeft zicht op de [straat 1] te Rhenen in de
richting van Wageningen.
Foto 2: Te zien is dat er om 19:42:33 uur een voertuig aan komt rijden uit de
richting van Elst, dit voertuig betreft een Ford Mondeo.
Foto 3: Op de bewegende beelden is om 19:42:35 uur is te zien dat er een voetganger
in de richting van de voetgangersoversteekplaats loopt.
Bij de Ford Mondeo is geen snelheidsverandering te zien.
Foto 4: Om 19:42:38 uur is te zien dat de voetganger in de koplampen van de Ford
Mondeo verschijnt. Bij de Ford Mondeo is geen snelheidsverandering waarneembaar.
Foto 5: Om 19:42:38 uur is te zien dat de Ford Mondeo remt en tegelijkertijd vliegt
de voetganger door de lucht.
Foto 6: Om 19:42:42 uur is te zien dat de Ford Mondeo en een achteropkomend voertuig tot stilstand komen. [7]
-
Een proces-verbaal van verhoor van verdachte voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
O: Wij willen de dag van de aanrijding met u door nemen (
de rechtbank begrijpt: 11 februari 2025).
Het was slecht weer regenachtig en donker.
V: Hoe was het zicht?
A: Het was slecht, het regende harder dan normaal. Ik had mijn ruitenwisser op de
hardste stand staan.
V: Was het wegdek droog, vochtig of nat?
A: Het was nat, het regende.
V: Het ongeval is op een zebrapad gebeurd?
A: Het zicht was minder dan normaal, ik weet dat daar een zebrapad ligt. [8]
-
Een geschrift, te weten een schouwverslag van P. Steens, Forensisch arts GGD Gelderland-Zuid van 14 februari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Schouwverslag
Client: [slachtoffer]
Geboren op: [geboortedatum 2] 1954 te [geboorteplaats 2]
Overlijdensdatum: [overlijdensdatum] 2025
Evaluatie
Mobiel medisch team heeft hem vervoerd naar
het Radboud UMC, waar hij is opgenomen op de Intensive care met ernstig
schedelhersentrauma en ernstig borstkastrauma. Omdat de prognose slecht
was is na multidisciplinair overleg en overleg met familie de behandeling
gestopt en is hij overleden. De bevindingen bij lijkschouw passen bij de
gemelde toedracht. [9]
Conclusie
Niet natuurlijk overlijden. Verkeersongeval: voetganger aangereden door
auto. Multitrauma. Doodsoorzaak: ernstig schedelhersentrauma.

Voetnoten

2.Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 5.
3.Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 12.
4.Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 20.
5.Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 21.
6.Proces-verbaal van bevindingen, pagina 59, met fotobladen pagina 69 tot en met 73.
7.Proces-verbaal van bevindingen, pagina 68, met fotobladen pagina 60 tot en met 64.
8.Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 98.
9.Een geschrift, te weten een schouwverslag van P. Steens, Forensisch arts GGD Gelderland-Zuid van 14 februari 2025, pagina 51.