ECLI:NL:RBMNE:2026:4071

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/16/606503 / FL RK 26-172
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 1 lid 1 sub b Brussel II-terArtikel 1 lid 2 sub a Brussel II-terArtikel 1 lid 2 sub b Brussel II-terArtikel 7 lid 1 Brussel II-terArtikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tijdelijke voogdij vader bij onbekende verblijfplaats moeder en aanhouding gezagsverzoek

De zaak betreft een minderjarige zonder nationaliteit die feitelijk in Nederland woont bij haar oma. De moeder, die het ouderlijk gezag heeft, is onvindbaar, waardoor haar gezag van rechtswege is geschorst. De vader is de biologische vader maar heeft de minderjarige nog niet erkend en is daarom juridisch niet ouder.

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de vader te belasten met het ouderlijk gezag zodra hij juridisch ouder is, en subsidiair met de tijdelijke voogdij. De kinderrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is omdat het centrum van het leven van de minderjarige in Nederland is.

Gezien het gezagsvacuüm en het belang van de minderjarige wordt de vader tijdelijk belast met de voogdij. De beslissing over het ouderlijk gezag wordt aangehouden voor drie maanden in afwachting van erkenning. De vader wordt verantwoordelijk gesteld voor het starten van de erkenningsprocedure en het verkrijgen van een nationaliteit voor de minderjarige.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard voor de voogdij, en de schorsing van het gezag van de moeder vindt van rechtswege plaats. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De vader wordt tijdelijk belast met de voogdij en het gezagsverzoek wordt aangehouden in afwachting van erkenning.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almere
Zaaknummer: C/16/606503 / FL RK 26-172
Datum uitspraak: 12 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over gezag
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
locatie Utrecht,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] (Spanje),
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder,
zonder vaste woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
[vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
[oma],
hierna te noemen: de oma van vaderszijde (de oma),
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de Raad met bijlagen, ontvangen op 4 februari 2026;
  • het bericht met bijlagen van de Raad, ontvangen op 13 maart 2026;
  • het bericht met bijlage van de Raad, ontvangen op 13 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader;
  • de oma;
  • [A] namens de Raad;
  • A.M. van den Berg-Barrio, tolk Spaanse taal.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist is opgeroepen, namelijk via de Staatscourant van 20 maart 2026, nr. 11273.
1.3.
Daarna heeft de kinderrechter de volgende stukken ontvangen:
  • het bericht met bijlage van de Raad, ontvangen op 12 mei 2026;
  • de schriftelijke bevestiging van het op zitting gewijzigd verzoek van de Raad, ontvangen op 27 mei 2026.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. Zij heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader hebben de Colombiaanse nationaliteit.
2.2.
[minderjarige] heeft geen nationaliteit.
2.3.
De vader is de biologische vader van [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] in het verleden niet kunnen erkennen in Spanje. Hij is dus niet de juridische vader van [minderjarige] .
2.4.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.5.
[minderjarige] woont bij haar oma.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt – na wijziging van het verzoek op zitting – primair om de vader te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] zodra hij juridisch ouder is en subsidiair om de vader te belasten met de (tijdelijke) voogdij over [minderjarige] . De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

De beslissing
4.1.
De kinderrechter houdt het verzoek ten aanzien van het ouderlijk gezag aan voor de duur van drie maanden in afwachting van de erkenning van [minderjarige] door de vader. De kinderrechter belast de vader met de (tijdelijke) voogdij over [minderjarige] . Hieronder wordt uitgelegd waarom hij dat doet.
Bevoegdheid van de Nederlandse kinderrechter en het toepasselijke recht
4.2.
Omdat de moeder de Colombiaanse nationaliteit bezit en [minderjarige] geen nationaliteit bezit, moet de kinderrechter eerst beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen over de verzoeken betreffende het gezag over [minderjarige] . De kinderrechter is van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is en legt hierna uit waarom dat zo is.
4.3.
De bevoegdheid moet worden beoordeeld aan de hand van de Verordening Brussel II-ter (hierna: Brussel II-ter). Deze verordening is onder meer van toepassing op zaken die gaan over toekenning, uitoefening, overdracht, beperken of beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid. [1] Gezag en voogdij maken hier onderdeel van uit. [2]
4.4.
In zaken die gaan over de ouderlijke verantwoordelijkheid is de rechtbank bevoegd van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment dat het verzoek bij de rechtbank wordt ingediend. [3] De kinderrechter moet dus toetsen of [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
4.5.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de gewone verblijfplaats van een kind worden bepaald op basis van een geheel aan feiten en omstandigheden die eigen zijn aan een zaak. [4] Hierbij moet niet alleen de fysieke aanwezigheid van het kind op het grondgebied worden betrokken. Ook andere factoren moeten in deze beoordeling betrokken worden, waaronder de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het kind naar school gaat en de familiale en sociale banden die het kind in de lidstaten heeft. [5] De gewone verblijfplaats van een kind in de zin van Brussel II-ter is de plaats waar zich in feite het centrum van zijn leven bevindt.
4.6.
[minderjarige] is samen met haar vader naar Nederland gekomen. Zij woont feitelijk sinds 2018 bij haar oma in [woonplaats] , die ook voor haar zorgt. Zij gaat ook in [woonplaats] naar school, heeft vriendinnen in [woonplaats] en heeft dagelijks contact met haar vader. De kinderrechter concludeert op basis hiervan dat al sinds 2018 het centrum van het leven – en daarmee de gewone verblijfplaats – van [minderjarige] zich in Nederland bevindt en hij daarom bevoegd is over het verzoek te oordelen.
4.7.
De Nederlandse rechter past het interne recht toe. [6] Dat betekent dat het Nederlands recht van toepassing is.
Het gezag
De wet
4.8.
Minderjarigen staan onder gezag. Hieronder valt zowel het ouderlijk gezag als de voogdij. Het ouderlijk gezag wordt door de (juridisch) ouders samen of door één van hen uitgeoefend. Wanneer het gezag wordt uitgeoefend door iemand die niet de juridisch ouder van een kind is, heet dat voogdij. [7]
4.9.
Wanneer een ouder die alleen het gezag heeft over een kind onbevoegd is tot het gezag, dan belast de rechtbank de andere ouder met het gezag, tenzij het belang van het kind zich hiertegen verzet. Wanneer dat niet kan of niet in het belang van het kind is, wordt een voogd benoemd. [8] Dit is ook mogelijk wanneer het bestaan of de verblijfplaats van de ouder met gezag onbekend is. [9] Als van dit laatste sprake is, dan is het gezag van die ouder van rechtswege – dat wil zeggen: automatisch – geschorst. [10]
De beoordeling
4.10.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat de verblijfplaats van de moeder onbekend is en daardoor het gezag van de moeder geschorst is. Volgens de vader verblijft de moeder wisselend in Spanje en in Colombia, al is het onbekend waar zij daadwerkelijk verblijft. Ook de inzet van de politie heeft niet geholpen om haar te lokaliseren. Omdat de moeder alleen het gezag over [minderjarige] heeft en dit geschorst is, is er sprake van een gezagsvacuüm. Er is dus niemand die de belangrijke beslissingen over [minderjarige] kan en mag nemen.
4.11.
De kinderrechter overweegt dat dit voor ieder kind een onwenselijke situatie is. Voor [minderjarige] geldt dit des te meer, omdat zij geen nationaliteit heeft en daarmee stateloos is. Ook verblijft zij in Nederland zonder verblijfsvergunning, omdat de aanvraag van een dergelijke vergunning moet worden gedaan door iemand die het gezag uitoefent. Dit alles heeft onder meer tot gevolg dat er voor haar geen paspoort kan worden aangevraagd, zij geen ziektekostenverzekering heeft en zij niet officieel op een school kan worden ingeschreven. De kinderrechter zal dus moeten voorzien in het gezag over [minderjarige] .
4.12.
De Raad heeft primair verzocht de vader te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Hoewel de vader haar biologische vader is, heeft hij haar (nog) niet erkend. Dat betekent dat hij op dit moment niet de juridisch ouder van [minderjarige] is. Hierdoor is de kinderrechter niet in staat om de vader met het ouderlijk gezag te belasten. Gezien het feit dat de vader wel de intentie heeft om de procedure te starten voor het erkennen van [minderjarige] , houdt de kinderrechter de beslissing over het ouderlijk gezag in afwachting hiervan aan voor de duur van drie maanden.
4.13.
In de tussenliggende periode is het belangrijk dat er wel wordt voorzien in het gezag over [minderjarige] . Volgens de Raad heeft [minderjarige] een goede band met haar vader, hebben zij dagelijks telefonisch en wekelijks fysiek contact met elkaar en is de vader betrokken geweest bij belangrijke beslissingen voor zijn dochter. De kinderrechter is van oordeel dat het belang van [minderjarige] zich niet tegen de benoeming van haar vader als voogd verzet en zal daarom de vader belasten met de (tijdelijke) voogdij over [minderjarige] .
Ten overvloede
4.14.
De kinderrechter ziet dat er bij [minderjarige] juridisch gezien sprake is van een zeer ingewikkelde en onwenselijke situatie. Zoals is overwogen onder 4.11. heeft [minderjarige] geen nationaliteit en is zij dus staatloos – met alle gevolgen van dien. De kinderrechter is dan ook van mening dat er zo snel mogelijk moet worden gewerkt aan het verkrijgen van een nationaliteit voor [minderjarige] , zodat zij ook juridisch bestaansrecht krijgt. Alleen wanneer dat gebeurd is, kan [minderjarige] officieel worden ingeschreven op school, een ziektekostenverzekering krijgen en een verblijfsstatus krijgen in Nederland.
4.15.
Nu de vader belast wordt met de (tijdelijke) voogdij, is het de verantwoordelijkheid van de vader om een advocaat in te schakelen voor het starten van een procedure om ervoor te zorgen dat de vader ook de juridische vader van [minderjarige] wordt en zij een nationaliteit kan verkrijgen. Gezien de zorgen die hiervoor zijn weergegeven is het in het belang van [minderjarige] om deze stappen zo snel mogelijk te zetten. De kinderrechter houdt daarom de beslissing over het ouderlijk gezag aan voor een korte termijn, namelijk voor de duur van drie maanden.
Gezagsregister
4.16.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [11]
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.17.
De kinderrechter verklaart de beslissing tot het belasten van de vader met de voogdij over [minderjarige] uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De vaststelling dat het gezag van de moeder is geschorst, wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat kan namelijk niet omdat de schorsing van rechtswege plaatsvindt en daarom geen beslissing van de kinderrechter is.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt vast dat de moeder van rechtswege is geschorst in het gezag over
[minderjarige]geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] (Spanje);
5.2.
belast de vader met de voogdij over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] (Spanje);
5.3.
verklaart de beslissingen onder punt 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt de beslissing over het ouderlijk gezag aan voor de duur van drie maanden.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.G. van de Streek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Mather als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1 lid 1 sub b Brussel Pro II-ter.
2.Artikel 1 lid 2 sub a en Pro b Brussel II-ter.
3.Artikel 7 lid 1 Brussel Pro II-ter.
4.HvJ EU 28 juni 2018, zaak C-512/17, ECLI:EU:C:2018:513, onder punt 41-43.
5.HvJ EU 2 april 2009, zaak C-523/07, ECLI:EU:C:2009:225, onder punt 39.
6.Artikel 15 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996.
7.Artikel 1:245 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
8.Artikel 1:253q lid 3 (BW).
9.Artikel 1:253r lid 1 sub b BW.
10.Artikel 1:253r lid 2 BW.
11.Artikel 2 sub a Besluit Pro gezagsregisters.