ECLI:NL:RBMNE:2026:4077

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/16/611331 / FO RK 26-640
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a RvArt. 1:251a lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning eenhoofdig gezag aan moeder wegens onvermogen tot gezamenlijk gezag

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 10 juni 2026 het verzoek van de moeder om het gezag over haar twee minderjarige kinderen eenhoofdig aan haar toe te kennen. De vader verzette zich tegen dit verzoek. De zitting vond plaats met gesloten deuren en de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden Nederland was aanwezig, terwijl de Raad voor de Kinderbescherming niet vertegenwoordigd was.

De rechtbank oordeelde dat het uitgangspunt van gezamenlijk gezag alleen kan worden doorbroken als het kind klem en verloren dreigt te raken. In deze zaak was sprake van een ernstige communicatie- en samenwerkingsproblematiek tussen de ouders, waarbij de vader geen toestemming gaf voor belangrijke gezagsbeslissingen en de identiteitsbewijzen van de kinderen in zijn bezit hield, terwijl de kinderen bij de moeder wonen.

Daarnaast was er al ruim elf maanden geen omgang geweest tussen vader en kinderen, en vertoonde de vader bedreigend gedrag richting de moeder en de omgangsbegeleider. De vader had een psychiatrische aandoening en toonde onvoldoende betrokkenheid bij de kinderen. De rechtbank vond dat het belang van de kinderen beter gediend is met eenhoofdig gezag voor de moeder en verklaarde de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beslissing kan hoger beroep worden ingesteld.

Uitkomst: Het gezag over de minderjarige kinderen wordt eenhoofdig aan de moeder toegekend vanwege het onvermogen van de ouders om gezamenlijk beslissingen te nemen en het niet in het belang van de kinderen handelen door de vader.

Uitspraak

CHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/611331 / FO RK 26-640
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdens de zitting van 10 juni 2026
in de zaak van:
[moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M.M. Hoogerdijk,
tegen
[vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. R.A. Remport Urban.

1.De procedure

1.1
De verzoeken gaan over de minderjarige kinderen van partijen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] .
1.2
De moeder verzoekt:
  • Primair:te bepalen dat het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortaan alleen toekomst aan de moeder;
  • Subsidiair: indien het verzoek tot eenhoofdig gezag wordt afgewezen, vervangende toestemming te verlenen voor:
o het aanvragen van identiteitsbewijzen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
o de logopediebehandeling van [minderjarige 1] .
1.3
De vader vindt dat de verzoeken van de moeder moeten worden afgewezen.
1.4
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- [A] en [B] als vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden Nederland (hierna: de GI)
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) is niet verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad aan de rechtbank laten weten dat er geen zittingsvertegenwoordiger beschikbaar is.
1.5
De verzoeken zijn tegelijk behandeld met de verzoeken van de GI over de verlenging van de ondertoezichtstelling en vervangende toestemming medische behandeling (zaaknummers: C/16/611293 / JE RK 26-668 en C/16/611630 / JE RK 26/722) en het verzoek van de vader in het kader van geschillenregeling (zaaknummer C/16/613499 / JE RK 26-929). De rechtbank heeft op de verzoeken van de GI en de vader in twee aparte beschikkingen beslist.
1.6
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechter mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden waarop deze is gebaseerd zijn hieronder weergegeven.

2.De beslissing

De rechtbank:
2.1
bepaalt dat het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanaf nu alleen toekomt aan de moeder;
2.2
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
2.3
wijst het meer of anders verzochte af.

3.De gronden van de beslissing

3.1
Het uitgangspunt van de wet is dat ouders samen beslissingen moeten nemen over hun kinderen, ook als zij uit elkaar zijn. [1] Dit is alleen anders als het kind klem en verloren dreigt te raken bij de uitoefening van gezamenlijk gezag of in het geval gezamenlijk gezag om een andere reden niet in het belang van het kind is.
3.2
De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van het dreigend klem en verloren raken van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De ouders zijn niet in staat om samen gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te nemen. Zij hebben nauwelijks contact met elkaar en als er contact is dan verloopt dat niet goed. De moeder neemt alleen contact op met de vader als zij toestemming nodig heeft voor gezagsbeslissingen, zoals het aanvragen van identiteitsbewijzen en het aanmelden voor speltherapie en logopedie voor (een van) de kinderen. De vader heeft hiervoor zijn toestemming niet gegeven. Tegelijk met dit verzoek is ook het verzoek van de GI behandeld tot vervangende toestemming medische behandeling. Daarnaast is op de zitting gebleken dat de vader de identiteitsbewijzen van de kinderen in zijn bezit heeft, terwijl de kinderen bij de moeder wonen en evenmin toestemming geeft om nieuwe identiteitsbewijzen aan te vragen. Hiermee handelt de vader niet in het belang van de kinderen en lopen gezagsbeslissingen onnodig vertraging op. Bovendien is er al ruim elf maanden geen omgangsmoment geweest tussen de vader en de kinderen. De vader heeft de begeleider van de omgang in aanwezigheid van [minderjarige 1] uitgescholden, geschreeuwd en een dreigende toon gebruikt. De vader weigert mee te werken aan een herstelgesprek en aan de overige voorwaarden voor het opstarten van de omgang die de GI heeft opgesteld. De rechtbank is van oordeel dat de vader onvoldoende blijk geeft dat hij in staat is om beslissingen te nemen die in het belang van de kinderen zijn.
3.3
Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat bij de vader waandenken is vastgesteld, hetgeen hij niet bij de kinderen kan weghouden. De moeder geeft daarbij aan dat de vader haar meermaals heeft bedreigd. Zij is nog steeds bang voor de vader en ervaart ook zijn huidige gedrag bedreigend, waarbij hij onaangekondigd opduikt bij (school)activiteiten van de kinderen en bij de woning van de moeder. Gezien de leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten er nog veel gezagsbeslissingen genomen gaan worden. De rechtbank vindt dat dit overleg vanwege de geschiedenis tussen partijen, het feit dat de vader inhoudelijk beperkt betrokken is bij de kinderen en herhaaldelijk niet in hun belang handelt, niet langer van de moeder gevraagd kan worden. Daarnaast heeft de rechtbank niet de verwachting dat de situatie (op korte termijn) gaat veranderen.
3.4
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. I.J.R. Stoffels, griffier, waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt. Dit proces-verbaal is verzonden op 3 juli 2026
Tegen deze beslissing kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep
worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.

Voetnoten

1.Artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).