ECLI:NL:RBMNE:2026:4080

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/16/610090 / JE RK 26-549
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen te verlengen tot 26 mei 2027. De minderjarigen verblijven in een perspectief biedend gezinshuis en zijn sinds 2020 onder toezicht gesteld, met een machtiging tot uithuisplaatsing die sinds 2022 geldt.

Tijdens de zitting op 10 juni 2026 waren de ouders met hun advocaten en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig. De kinderrechter heeft met de oudste minderjarige gesproken en de wensen van de ouders zijn besproken, waarbij de moeder en vader meer contact en begeleiding wensen bij het vormgeven van ouderschap op afstand.

De kinderrechter oordeelt dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn behaald en dat er onvoldoende zicht is op een overdracht naar vrijwillige plaatsing of gezagsbeëindiging. Daarom wordt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor een jaar. Nieuwe doelen zijn geformuleerd, waaronder het verbeteren van de omgang, het begeleiden van ouderschap op afstand en het onderzoeken van een passende contactregeling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/610090 / JE RK 26-549
Datum uitspraak: 10 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J. Brouwer,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. W.P.A. Vos.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1
Voor het verloop van de procedure tot 13 mei 2026 verwijst de kinderrechter naar de beschikking van die datum. Bij die beschikking zijn ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 24 juni 2026 verlengd en de beslissing op de verzoeken voor het overige aangehouden tot de verzoeken inhoudelijk zijn behandeld op een zitting.
1.2
Op 10 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
- [A] als vertegenwoordiger van de GI.
De gezinshuisouders waren niet aanwezig. Zij waren wel op correcte wijze opgeroepen.
1.3
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover op 11 mei 2026 al een gesprek gevoerd met de kinderrechter, omdat de zitting eerder op 13 mei 2026 stond gepland. [minderjarige 1] heeft aangegeven dat het hem niet veel uitmaakt hoe hij de beslissing hoort. De kinderrechter heeft voorgesteld dat hij via de gezinshuisouders de beslissing hoort als ze op zitting zijn geweest en anders via de jeugdzorgwerker. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader heeft de kinderen op 19 januari 2023 erkend. Hij staat sindsdien in familierechtelijke betrekkingen tot hen en heeft ook het gezag.
2.2
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een perspectief biedend gezinshuis.
2.3
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 mei 2020 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 24 juni 2026.
2.4
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 juni 2022 een spoedmachtiging verleend [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 24 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1
De kinderrechter moet nog een beslissing nemen op het aangehouden deel van het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte accommodatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar, dus tot 26 mei 2027. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2
Tijdens de zitting heeft de GI aanvullend naar voren gebracht dat zij het komende jaar wil onderzoeken of het in het belang van de kinderen is of er om een gezagsbeëindigende maatregel moet worden verzocht. Ten aanzien van de omgang heeft de GI verteld dat deze qua vorm en frequentie passend is bij de behoefte van de kinderen. Zij vindt een uitbreiding nu niet in het belang van (een van) de kinderen. De wensen van de kinderen ten aanzien van het contact zijn ook belangrijk.

4.De standpunten

4.1
De moeder refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter over de verzoeken van de GI. Hoewel de moeder het liefst zou willen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar zullen opgroeien, zit zij tegelijkertijd in het proces om zich neer te leggen bij de situatie zoals die is. Ten aanzien van de omgang heeft de moeder de uitdrukkelijke wens uitgesproken op meer contactmomenten met de kinderen. Ook zou zij graag een keer onbegeleid met de kinderen een middaguitje willen ondernemen, zoals bijvoorbeeld naar een indoorspeelpark, zwemmen of een pretpark. De advocaat heeft namens de moeder benadrukt dat het niet goed is als bij het vormgeven van de omgang uitsluitend de wens van de kinderen leidend is. De GI legt nu te veel verantwoordelijkheid bij [minderjarige 1] ten aanzien van de omgang. Verder heeft zij verzocht om als concreet doel van de ondertoezichtstelling op te nemen: het onderzoeken naar het vormgeven van ouderschap op afstand.
4.2
De vader verzoekt om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor een halfjaar uit te spreken en de beslissing voor het overige aan te houden. De reden hiervan is dat de vader wil dat er een toetsmoment komt ten aanzien van de contactmomenten tussen de ouders en de kinderen. Daarnaast verzoekt de vader om concreet in de beschikking op te nemen dat er een opbouw moet zijn in het contact tussen de ouders en de kinderen. Hij hoopt namelijk – net als de moeder – op vaker en langere contactmomenten met de kinderen. Ook hij zou de kinderen graag onbegeleid zien. De advocaat heeft namens de vader naar voren gebracht dat een andere vorm en frequentie van omgang de kinderen nooit is aangeboden. De kinderen kunnen daarom ook niet beoordelen hoe een andere vorm zou zijn. Bovendien krijgen de ouders andere signalen van [minderjarige 1] dan de GI, namelijk dat [minderjarige 1] de omgangstijd te kort vindt en dat er te weinig tijd is om iets leuks met de ouders te doen. De vader hoopt dat de GI gaat onderzoeken wat er kan qua uitbreiding van de omgang en onbegeleide contactmomenten. Ook zou de vader graag aanwezig zijn bij voetbalwedstrijden en trainingen van de kinderen.

5.De beoordeling

De beslissing
5.1
De kinderrechter zal de verzoeken van de GI toewijzen. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal worden verlengd voor de duur van een jaar, dus tot 27 mei 2026. Ook zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Hierna zal de kinderrechter deze beslissing uitleggen.
De toelichting
5.2
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald en er is op dit moment onvoldoende zicht op de mogelijkheden van een overdracht naar het vrijwillig kader of dat een onderzoek naar gezagsbeëindiging voor de hand ligt. Daarom is een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig.
5.3
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] Bij beschikking van 17 oktober 2023 heeft de rechtbank het besluit van de GI getoetst dat het perspectief van de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bij één van de ouders maar in het gezinshuis ligt, in verband met een beslissing over het verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing. De rechtbank heeft beslist dat de GI geen hulp meer hoeft in te zetten dat is gericht op de thuisplaatsing van de kinderen. De GI heeft nog geen onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van een vrijwillige plaatsing. Daarom is een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing ook nog nodig.
5.4
Tijdens de zitting is gesproken over de omgang, begeleiding van de ouders bij het vormgeven van ouderschap op afstand en over de mogelijkheden van een vrijwillige plaatsing. De kinderrechter vindt het van belang dat de GI de komende periode met deze onderwerpen aan de slag gaat. Het is voor de ouders belangrijk dat zij begeleiding krijgen bij hun rol als ouders op afstand. Ook is het belangrijk dat de GI onderzoekt wat voor de kinderen een goede contactregeling is en daarover een goed onderbouwde beslissing neemt, bijvoorbeeld aan de hand van de proces- en gesprekstool Samen Groeien in Contact. De kinderrechter heeft daarom de volgende, nieuwe doelen geformuleerd waar tijdens de komende periode van de ondertoezichtstelling aan gewerkt moet worden:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een fijne omgang met ouders;
  • er komt een goed onderbouwde beslissing over een passende contactregeling tussen de ouders en de kinderen;
  • [minderjarige 2] leert om met zijn emoties om te gaan;
  • [minderjarige 1] leert om met zijn trauma’s om te gaan;
  • de ouders krijgen begeleiding bij het vormgeven van hun ouderschap op afstand;
  • er komt duidelijkheid over de (on)mogelijkheden van een vrijwillige plaatsing van de kinderen.
5.5
De kinderrechter zal de maatregelen verlengen voor de duur van een jaar, omdat deze duur nodig zal zijn voor het behalen van de doelen. De kinderrechter heeft nieuwe doelen geformuleerd en ziet daarom – anders dan de vader – geen reden om de maatregelen voor een kortere duur te verlengen. Het komende jaar zal de GI samen met de ouders aan de slag moeten gaan om de doelen te behalen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 26 mei 2027;
6.2
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening tot 26 mei 2027;
6.3
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.J.R. Stoffels als griffier, en op schrift gesteld op 1 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.