ECLI:NL:RBMNE:2026:4081

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/16/613499 / JE RK 26-929
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:262b BWArt. 807 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over begeleide omgang en contactherstel tussen vader en minderjarige kinderen

De vader verzoekt de kinderrechter om een beslissing over de omgang met zijn minderjarige kinderen in het kader van een ondertoezichtstelling. De omgang was begeleid door Konfia, maar deze begeleiding is stopgezet en de vader heeft de kinderen bijna elf maanden niet gezien. Hij wil de omgang zo snel mogelijk hervatten, bij voorkeur zonder begeleiding of met een andere begeleider dan Konfia.

De gecertificeerde instelling (GI) en de moeder vinden begeleide omgang noodzakelijk om de veiligheid van de kinderen te waarborgen en om zicht te krijgen op de interactie tussen vader en kinderen. De GI wil ook hulpverlening bij de vader thuis inzetten en stelt dat de vader zich aan veiligheidsafspraken moet houden.

De kinderrechter oordeelt dat het in het belang van de kinderen is dat het contact met de vader wordt hersteld, maar dat de GI de regie moet hebben over de omgang. De GI bepaalt welke veiligheidsvoorwaarden gelden, door welke organisatie de omgang wordt begeleid en hoe de omgang wordt opgebouwd. Pas als aan de voorwaarden is voldaan en de omgang goed verloopt, kan worden toegewerkt naar een ruimere omgangsregeling.

De vader wordt erop gewezen dat hij keuzes moet maken die het belang van de kinderen dienen, zoals het vermijden van onaangekondigde bezoeken aan school of huis. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en er is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De kinderrechter bepaalt dat de gecertificeerde instelling de regie krijgt over het veilig herstarten van de omgang tussen vader en kinderen met begeleide omgang en veiligheidsvoorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/16/613499 / JE RK 26-929
Datum uitspraak: 10 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter op basis van de geschillenregeling
in de zaak van
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. R.A. Rempot,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.M. Hoogerdijk,
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden Nederland, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 juni 2026;
  • het bericht van de vader van 5 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- [A] en [B] als vertegenwoordigers van de GI.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) is niet verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad aan de rechtbank laten weten dat er geen zittingsvertegenwoordiger beschikbaar is.
1.3.
Het verzoek is tegelijk behandeld met de verzoeken van de GI over de verlenging van de ondertoezichtstelling en vervangende toestemming medische behandeling (zaaknummers: C/16/611293 / JE RK 26-668 en C/16/611630 / JE RK 26/722) en het verzoek van de moeder over het gezag (zaaknummer C/16/611331 / FO RK 26/640). De rechtbank heeft op de verzoeken van de GI in een aparte beschikking beslist en op het verzoek van de moeder in een proces-verbaal mondelinge uitspraak beslist.

2.De feiten

2.1.
Bij mondelinge uitspraak van 10 juni 2026 (vastgelegd in een proces-verbaal mondelinge uitspraak) heeft de rechtbank beslist dat de moeder voortaan alleen met het ouderlijk gezag is belast over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 juni 2024 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 21 juni 2027.
2.4.
Bij beschikking van 19 februari 2025 heeft de kinderrechter de verdeling van de zorg- en opvoedtaken gewijzigd en deze als volgt bepaald:
- [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben minimaal twee keer per week een half uur begeleide omgang met de vader, onder begeleiding van Konfia of een soortgelijke instantie. De GI krijgt de regie om de omgang samen met de ouders stapsgewijs op te bouwen als het goed (blijft) gaan.

3.Het verzoek

3.1.
De vader heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter heeft het verzoek na toelichting van de advocaat aangemerkt als een geschil op grond van artikel 1:262b BW waarbij de vader vraagt om te beslissen over de wijze van het herstarten van de omgang tussen de vader en de kinderen, door welke hulpaanbieder de omgang moet worden begeleid en naar welke frequentie van omgang moet worden toegewerkt.
3.2.
De vader heeft het verzoek als volgt onderbouwd. De begeleide omgang door Konfia is stopgezet en de vader heeft de kinderen inmiddels al bijna elf maanden niet gezien. Hij wil dat de omgang zo snel mogelijk weer wordt opgestart. Hij vindt niet dat de omgang begeleid hoeft plaats te vinden. Als de omgang toch begeleid moet plaatsvinden dan vindt de vader dat het niet door Konfia, maar door een andere aanbieder moet worden begeleid. De vader heeft namelijk geen vertrouwen meer in Konfia. Hij wil dat er uiteindelijk wordt toegewerkt naar de oorspronkelijke omgangsregeling – zoals was vastgelegd in de beschikking van 10 juli 2023 – waarbij de kinderen de helft van de tijd bij hem zijn.

4.De standpunten

4.1.
De GI vindt begeleide omgang nodig om zicht te krijgen op de interactie tussen de vader en de kinderen en vast te stellen wat qua contact haalbaar en passend is voor de kinderen. Om voldoende zicht te krijgen op de mogelijkheden van de vader, vindt de GI het ook nodig om hulpverlening bij de vader thuis in te zetten. Verder is voor het opstarten en eventueel uitbreiden van de omgang noodzakelijk dat de vader zich aan de veiligheidsafspraken houdt.
4.2.
De moeder vindt begeleide omgang noodzakelijk om de veiligheid van de kinderen te waarborgen. Zonder begeleide omgang houdt de vader zich niet aan de veiligheidsafspraken en blijft hij zijn waanbeelden met de kinderen delen. De kinderen hebben daar last van.

5.De beoordeling

De beslissing
5.1.
De kinderrechter zal bepalen dat de GI zich moet inspannen om op een voor de kinderen veilig contactherstel tussen de vader en de kinderen mogelijk te maken waarbij de GI bepaalt welke veiligheidsvoorwaarden gelden en door welke organisatie de omgang zal worden begeleid.
Geen overeenstemming
5.2.
Het verzoek van de vader is een geschil over de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Dit geschil kan op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de kinderrechter worden voorgelegd.
5.3.
Het is niet gelukt om tot een vergelijk te komen. De vader en de GI zijn het erover eens dat contactherstel belangrijk is, maar niet op welke wijze en onder welke voorwaarden dit tot stand moet komen.
De GI gaat over de wijze van contactherstel
5.4.
Alle betrokkenen zijn het erover eens dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat het contact met hun vader wordt hersteld. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de GI de regie heeft over de omgang. Voorkomen moet worden dat er opnieuw een incident voordoet in het bijzijn van (een van) de kinderen. Ook moet er eerst meer zicht komen op het contact tussen de vader en de kinderen en hoe dit verloopt. Dit betekent dat de GI bepaalt door welke organisatie de omgang zal worden begeleid, welke veiligheidsvoorwaarden gelden en op welke wijze de omgang zal worden opgebouwd. Als de veiligheidsvoorwaarden zijn opgesteld, de vader zich daar aan houdt en de omgang goed verloopt dan kan er mogelijk worden toegewerkt naar de omgangsregeling overeenkomstig de beschikking van 19 februari 2025. Het is aan de GI om te bepalen of en wanneer de omgang onbegeleid kan plaatsvinden en welke frequentie deze heeft.
5.5.
De kinderrechter benadrukt dat het de taak van een ouder, dus ook van de vader, is om keuzes te maken die in het belang zijn van een kind. Tijdens de zitting is besproken dat het voor de kinderen verwarrend is als de vader onaangekondigd opduikt bij of in de buurt van school en rondom hun huis. De kinderrechter verwacht dat de vader daar voortaan rekening mee zal houden, bijvoorbeeld door een andere route te lopen, ook al is dat niet de snelste route en moet hij dus moeite daarvoor doen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bepaalt dat de GI zich moet inspannen om veilig contactherstel tussen de vader en de kinderen mogelijk te maken waarbij de GI bepaalt welke veiligheidsvoorwaarden gelden en door welke organisatie de omgang zal worden begeleid;
6.2.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.J.R. Stoffels als griffier, en op schrift gesteld op 1 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).