ECLI:NL:RBMNE:2026:4082

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/16/611293 / JE RK 26-668
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en afwijzing vervangende toestemming medische behandeling minderjarigen

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 10 juni 2026 uitspraak gedaan over de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen en het verzoek om vervangende toestemming voor medische behandeling. De minderjarigen wonen bij hun moeder, die sinds kort het eenhoofdig gezag heeft. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en om vervangende toestemming voor speltherapie.

De moeder stemde in met de verzoeken, terwijl de vader bezwaar maakte tegen de verlenging en het gebrek aan onderzoek naar zijn thuissituatie. De rechtbank oordeelde dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn bereikt, mede door het niet meewerken van de vader aan hulpverlening en het stopzetten van omgang. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd tot 21 juni 2027.

Het verzoek om vervangende toestemming voor medische behandeling werd afgewezen omdat de moeder het eenhoofdig gezag heeft en toestemming geeft voor de behandelingen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken door kinderrechter E.A.A. van Kalveen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd tot 21 juni 2027 en het verzoek om vervangende toestemming voor medische behandeling wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummers:
  • C/16/611293 / JE RK 26-668 (verlenging ondertoezichtstelling)
  • C/16/611630 / JE RK 26/722 (vervangende toestemming)
Datum uitspraak: 10 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en vervangende toestemming
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden Nederland, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.M. Hoogerdijk,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. R.A. Rempot.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De verzoeken zijn tegelijk behandeld met het verzoek van de moeder over het gezag (zaaknummer C/16/611331 / FO RK 26/640) en het verzoek van de vader (zaaknummer C/16/613499 JE RK 26/929
)in het kader van de geschillenregeling.
1.2.
Ter zitting hebben partijen ingestemd met de vraag van de kinderrechter of zij instemmen dat de stukken van alle zaken over en weer in de dossiers worden gevoegd De kinderrechter neemt dus de volgende stukken mee in de beoordeling:
Oorspronkelijk in de procedure met zaaknummer C/16/611293 / JE RK 26-668
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 mei 2026;
  • de evaluatie- en vervolgplan met bijlagen van 24 april 2026.
Oorspronkelijk n de procedure met zaaknummer C/16/611630 / JE RK 26/722
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 mei 2026;
  • het bericht van de vader van 5 juni 2026.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- [A] en [B] als vertegenwoordigers van de GI.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) is niet verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad aan de rechtbank laten weten dat er geen zittingsvertegenwoordiger beschikbaar is.
1.4.
De rechtbank heeft op het verzoek van de moeder in een proces-verbaal mondelinge uitspraak beslist en op het verzoek van de vader in een aparte beschikking beslist.

2.De feiten

2.1.
Bij mondelinge uitspraak van 10 juni 2026 (vastgelegd in een proces-verbaal mondelinge uitspraak) heeft de rechtbank beslist dat de moeder voortaan alleen met het ouderlijk gezag is belast over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 juni 2024 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 21 juni 2026.

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarnaast verzoekt de GI om vervangende toestemming te verlenen (in plaats van de toestemming van de vader) om speltherapie in te zetten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

4.De standpunten

4.1.
De moeder is het eens met de verzoeken van de GI. Zij ervaart de betrokkenheid van de GI helpend en vindt de inzet van speltherapie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk.
4.2.
De vader is het niet eens met de verzoeken van de GI. De vader stelt primair dat de ondertoezichtstelling niet moet worden verlengd, omdat deze niet helpt. De GI zegt dat ze geen zicht heeft op de moeder, terwijl zij diverse middelen heeft om informatie in te winnen en ook ondanks het kennelijk frequentere contact dat zij heeft met de moeder (dan met de vader). Subsidiair, in het geval de ondertoezichtstelling wordt verlengd, verzoekt de vader dat er evengoed onderzoek moet worden gedaan naar de situatie bij de moeder als bij de vader.

5.De beoordeling

De beslissing
5.1.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van een jaar, dus tot 21 juni 2027. De kinderrechter zal het verzoek van de GI om vervangende toestemming te verlenen, afwijzen. Hierna zal de kinderrechter deze beslissingen uitleggen.
De ondertoezichtstelling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald en de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd.
5.3.
Het doel van de ondertoezichtstelling dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] duidelijkheid en voorspelbaarheid ervaren in het contact met de vader is niet behaald. Nadat er in juli 2025 tijdens een aantal begeleide omgangsmomenten incidenten hebben plaatsgevonden, is de omgang tussen de vader en de kinderen door de GI stopgezet. Tijdens deze omgangsmomenten heeft de vader, geschreeuwd, gedreigd en de omgangbegeleidster uitgescholden. De GI heeft gepoogd om de omgang daarna weer te hervatten en alternatieve hulpverlening op te starten. Aan de vader heeft de GI uitgelegd dat er twee mogelijkheden zijn om de omgang te hervatten. De eerste mogelijkheid is dat Konfia na een herstelgesprek met de vader weer de omgang gaat begeleiden. De tweede mogelijkheid is dat MetMaya de omgang gaat begeleiden met als voorwaarde dat de vader eigen hulpverlening accepteert, zodat toekomstige escalaties tijdens de omgang worden voorkomen. De omgang is niet hervat, omdat de vader aan geen van beide mogelijkheden wilde meewerken. Ten aanzien van het stopzetten van de omgang benadrukt de kinderrechter dat het op de weg van de GI had gelegen om hiervoor een verzoek wijziging van de zorg- en opvoedtaken in te dienen.
5.4.
Door het niet meewerken van de vader aan hulpverlening en het stopzetten van de omgang, is ook een aantal van de overige doelen van de ondertoezichtstelling nog niet behaald. Zo heeft de vader geen toestemming gegeven voor de hulpverlening voor de kinderen terwijl het belangrijk is dat zij begeleiding krijgen om de nare ervaringen in hun leven en de spanningen die er soms nog zijn te kunnen verwerken. Inmiddels is de moeder belast met het eenhoofdig gezag en kan deze hulpverlening worden opgestart. Daarnaast zal er de komende tijd meer zicht moeten komen op de thuissituatie bij de moeder en of de inzet van hulpverlening nodig is.
5.5.
De moeder is niet in staat om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen in het vrijwillig kader weg te nemen. Aan de volgende doelen zal daarom gewerkt moeten worden.
- [minderjarige 2] en [minderjarige 1] groeien op in een veilige en stabiele opvoedomgeving;
- [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ontwikkelen zich naar gelang hun mogelijkheden;
- [minderjarige 2] en [minderjarige 1] worden niet belast met volwassenenproblematiek zoals de wanen van de vader;
- [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ervaren duidelijkheid en voorspelbaarheid over en in het contact met de vader.
5.6.
De regie en begeleiding van de GI is noodzakelijk om de benodigde hulpverlening voor de kinderen op gang te brengen, zicht te krijgen op de opvoedsituatie van de moeder en te onderzoeken of een veilig en stabiel contactherstel tussen de kinderen en de vader mogelijk is.
5.7.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
De vervangende toestemming
5.8.
De kinderrechter zal het verzoek om vervangende toestemming te verlenen voor de noodzakelijke medische behandeling voor de kinderen afwijzen. De moeder is belast met het eenhoofdig gezag en geeft toestemming voor de medische behandelingen. Dit betekent dat de GI geen belang meer heeft bij dit verzoek.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 21 juni 2027;
6.2.
wijst het verzoek om vervangende toestemming te verlenen af;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.J.R. Stoffels als griffier, en op schrift gesteld op 1 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.