ECLI:NL:RBMNE:2026:4086

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/5472
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbWet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep WOZ-besluit

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van de heffingsambtenaar inzake de Wet WOZ. Verweerder is daarop teruggekomen en heeft volledig aan verzoeker tegemoetgekomen, waarna verzoeker het beroep heeft ingetrokken.

Verzoeker heeft vervolgens een vergoeding van proceskosten gevraagd. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld hierop te reageren, maar verweerder heeft niet gereageerd.

Verzoeker heeft bij het verzoekformulier aangegeven geen kosten te hebben gemaakt. De rechtbank heeft ook geen bewijs gevonden dat er kosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Daarom is het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk ongegrond afgewezen. Wel volgt uit de wet dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht moet vergoeden, maar hiervoor hoeft geen rechterlijke veroordeling te worden uitgesproken.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van geclaimde of aannemelijk gemaakte kosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5472

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats] , verzoeker,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Verweerder heeft op 10 september 2025 een beslissing op bezwaar genomen in het kader van de Wet Waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan. Op 20 april 2026 heeft verweerder medegedeeld dat hij terugkomt op de beslissing op bezwaar van 10 september 2025 en dat volledig aan verzoeker tegemoet is gekomen. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde. Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoeker.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Verzoeker heeft bij zijn intrekking wel het bijgevoegde formulier ‘opgave proceskosten’ ingevuld, maar alle opties zijn met “nee” beantwoord. Er zijn dus geen gemaakte kosten geclaimd. Overigens is ook niet gebleken dat verzoeker kosten heeft gemaakt die volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
6. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af.
7. Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden. Omdat dit rechtstreeks uit de wet volgt, hoeft verweerder hier niet toe veroordeeld te worden. Verzoeker kan zich hiervoor rechtstreeks tot verweerder wenden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.