ECLI:NL:RBMNE:2026:4092

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/6374
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens tegemoetkoming UWV

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV waarin een WIA-uitkering was toegekend aan een (ex-)werknemer. Na bezwaar en een gewijzigde beslissing op bezwaar waarin het UWV alsnog toekende wat verzoekster wilde, heeft verzoekster het beroep ingetrokken en proceskostenvergoeding gevraagd.

De rechtbank beoordeelt het verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand en deskundigenrapportages in bezwaar en beroep. Het UWV erkent een fout in de eerdere vergoeding en betwist dat een factuur was overlegd voor de medisch adviseur.

De rechtbank stelt de vergoeding van de deskundige vast op basis van het tarief uit het Besluit tarieven in strafzaken, corrigeert het bedrag en kent vergoeding toe voor zowel bezwaar- als beroepsfase. Ook wordt het griffierecht aan verzoekster toegekend.

De totale proceskostenvergoeding die het UWV moet betalen bedraagt € 2.163,89. De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen op 15 juli 2026.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 2.163,89 aan proceskosten en het griffierecht van € 385,- aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6374

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. C.J.M. de Wit),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het UWV), verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Het UWV heeft op 22 april 2026 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Het UWV heeft op 23 december 2024 een besluit genomen in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het UWV heeft in dit besluit een WIA-uitkering (WGA) toegekend aan de (ex-)werknemer van verzoekster. Verzoekster is hiertegen in bezwaar gegaan. Het UWV heeft op 24 september 2025 een beslissing op bezwaar genomen. In de beslissing op bezwaar heeft het UWV het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Op 26 maart 2026 heeft het UWV de beslissing op bezwaar van 24 september 2025 vervangen door een gewijzigde beslissing op bezwaar. Het UWV heeft in de gewijzigde beslissing op bezwaar het bezwaar alsnog gegrond verklaard en geoordeeld dat (ex-)werknemer per 14 mei 2024 recht heeft op een IVA-uitkering, omdat (ex-)werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Het UWV heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4. Verzoekster heeft bij haar intrekking verzocht om een vergoeding van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep. Verzoekster heeft daarnaast verzocht om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de in haar opdracht uitgebrachte en overlegde deskundigenrapportages in bezwaar en beroep. [1] Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het UWV weliswaar een vergoeding van € 666,- heeft toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift, maar ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de in bezwaar gemaakte kosten voor de inschakeling van een medisch adviseur. De deskundige heeft op 24 maart 2025 een rapportage opgesteld voor de bezwaarprocedure en op 8 december 2025 voor de beroepsprocedure. Verzoekster heeft een factuur overgelegd ter hoogte van € 1.040,60 (inclusief btw) voor de rapportage van de bezwaarprocedure, met daarop vermeld dat er 4 uur is besteed aan de rapportage. Voor de rapportage in bezwaar verzoekt verzoekster een vergoeding van € 650,52. Voor de rapportage in beroep verzoekt verzoekster een vergoeding van € 659,45, conform de factuur van de deskundige.
5. Het UWV heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft geen bezwaar tegen een vergoeding van de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor het verzoek van verzoekster van de proceskosten in bezwaar stelt het UWV dat zij per abuis geen rekening hebben gehouden met de vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van de medisch adviseur. Het UWV stelt dat er door verzoekster geen factuur was overlegd en dat is volgens het UWV nodig om een vergoeding toe te kennen.
6. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb wordt de vergoeding van kosten van een deskundige vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken (Wts) en het daarop gebaseerde Besluit tarieven in strafzaken (Bts). De deskundige heeft in 2025 gerapporteerd. Dit betekent dat een tarief van ten hoogste € 162,63 per uur voor vergoeding in aanmerking komt. [2] Dit bedrag wordt verhoogd met de omzetbelasting (btw) die daarover verschuldigd is. [3]
7. Met betrekking tot het verzoek van verzoekster om vergoeding van de door haar gemaakte kosten voor de inschakeling van de deskundige in bezwaar overweegt de rechtbank als volgt. In de factuur zijn 4 uren verantwoord, met een uurtarief van € 215,- (exclusief btw). De rechtbank stelt de vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten vast op 4 uur x € 162,63 = € 650,52. Inclusief 21% btw is dit € 787,13. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het UWV in het besluit van 26 maart 2026 al een vergoeding heeft toegekend voor de overige in bezwaar gemaakte kosten. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster in bezwaar die het UWV moet betalen vast op € 787,13.
8. Met betrekking tot het verzoek van verzoekster om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten in beroep overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank ziet aanleiding om het UWV te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De gemaakte kosten voor de werkzaamheden van de deskundige voor de rapportage van 8 december 2025 komen op grond van de bovengenoemde bepalingen ook voor vergoeding in aanmerking. Uit de rapportage van 8 december 2025 blijkt dat de deskundige 2,25 uur aan dit rapport heeft besteed. De rechtbank stelt daarom de vergoeding voor de in beroep gemaakte rapportage vast op € 365,92 (2,25 uur x € 162,63 = 365,92). Inclusief 21% btw is dit € 442,76. De rechtbank stelt de proceskosten in beroep die het UWV moet betalen vast op € 1.376,76 (€ 934,- + € 442,76).
9. De rechtbank stelt de totale proceskosten van verzoekster die het UWV moet betalen vast op € 2.163,89 (€ 787,13 + € 1.376,76).
10. Het UWV moet ook het griffierecht van € 385,- aan verzoekster betalen (artikel 8:41 Awb Pro).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.163,89 aan proceskosten. Het UWV moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Op grond van Artikel 1, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
2.Op grond van artikel 6 van Pro het Bts (2025).
3.Op grond van artikel 15 van Pro het Bts.