ECLI:NL:RBMNE:2026:4096

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/5448
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens onduidelijkheid verweerder en besluit

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft op 16 juni 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening ingediend op 19 mei 2026. Verzoeker heeft nagelaten een afschrift van het besluit en het bezwaar- of beroepschrift te overleggen, zoals vereist op grond van artikel 8:81, vierde lid, in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De griffier heeft verzoeker hierop bij brief van 20 mei 2026 gewezen en verzocht dit binnen een week te herstellen, met de waarschuwing dat het verzoek anders niet in behandeling kan worden genomen. Verzoeker heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Hierdoor is het voor de rechtbank onduidelijk wie de verweerder is en om welk besluit het gaat, waardoor het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. De voorzieningenrechter heeft het verzoek daarom afgewezen zonder inhoudelijke beoordeling en zonder toekenning van proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid vanwege het ontbreken van het besluit en bezwaar- of beroepschrift.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5448

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

Onbekende verweerder.

Procesverloop

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker die hij op 19 mei 2026 heeft ingediend bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift en een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft (het besluit) overleggen. Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
2. Bij het verzoekschrift van 19 mei 2026 heeft verzoeker het bezwaar- of beroepschrift en het besluit niet overgelegd. De griffier heeft verzoeker bij brief van 20 mei 2026 verzocht om binnen een week dit verzuim te herstellen. Verzoeker is erop gewezen dat het verzoek anders niet in behandeling kan worden genomen. Voor de rechtbank is het immers onbekend om welk besluit en om welke verweerder het hier zou gaan.
3. Verzoeker heeft hierop niet gereageerd.
4. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.