ECLI:NL:RBMNE:2026:410

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
C/16/599125 / HL RK 25-42
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:174 BWArt. 3:185 BWArt. 282 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot machtiging verkoop gemeenschappelijke woning niet-ontvankelijk verklaard

Partijen zijn in 2002 gescheiden en hebben in 2007 gezamenlijk een woning gekocht. Verzoeker is in 2017 naar Marokko vertrokken en verzoekt de rechtbank om hem te machtigen de woning te verkopen via een makelaar, met medewerking van verweerder en veroordeling van verweerder in de kosten.

Verzoeker baseert zijn verzoek op artikel 3:174 BW Pro, stellende dat hij wil worden ontslagen uit mede-eigendom en hypotheekschuld. Verweerder verzet zich en verzoekt om toewijzing van het aandeel van verzoeker aan haar, met ontslag van verzoeker uit hypotheekverplichtingen.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek niet ontvankelijk is omdat het ontbreken van een gewichtige reden in de zin van artikel 3:174 BW Pro. De noodzaak tot verdeling is geen gewichtige reden. Verzoeker moet een dagvaardingsprocedure starten op grond van artikel 3:185 BW Pro. Ook de zelfstandige tegenverzoeken van verweerder zijn niet ontvankelijk wegens procedurele regels.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is uitgesproken op 28 januari 2026 door mr. R.M. Berendsen.

Uitkomst: Verzoek tot machtiging verkoop woning en zelfstandige tegenverzoeken worden niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/599125 / HL RK 25-42
Beschikking van 28 januari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te Marokko,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. J.G. Galama,
tegen
[verweerder],
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat: mr. A.C.M. Montessori.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift, met een tegenverzoek
- de mondelinge behandeling van 14 januari 2026, waar zijn verschenen:
- [verzoeker] , via Teams aanwezig, bijgestaan door mr. Galama;
- [verweerder] , bijgestaan door mr. Montessori.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn in 2002 gescheiden.
2.2.
Partijen hebben in 2007 gezamenlijk een woning gekocht, gelegen aan het [adres] in [plaats] .
2.3.
[verzoeker] is begin 2017 vertrokken naar Marokko.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt om, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, hem te machtigen tot het te gelde maken van de gemeenschappelijke woning van partijen, middels een door hem in te schakelen makelaar, waarbij bepaald wordt dat:
- [verzoeker] de bevoegdheid heeft om met hem de door hem ingeschakelde makelaar c.q. een medewerker van diens kantoor de woning te betreden voor bezichtiging en potentiële kopers rond te leiden;
- [verweerder] te gelasten haar volledige medewerking aan deze bezichtigingen en verkoop, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of voor iedere handeling dat [verweerder] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
- te bepalen dat de kosten van de makelaar voor verkoop van de woning wordt gedragen door [verweerder] ,
met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] wil ontslagen worden uit de mede-eigendom en hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheekschuld. [verzoeker] heeft de afgelopen jaren meerdere keren geprobeerd om
[verweerder] mee te laten werken aan overname of verkoop van de woning. Na zijn brief van 20 maart 2025 ontving [verzoeker] bericht van de advocaat van [verweerder] waarin zij betwistte dat [verzoeker] recht heeft op de overwaarde van de woning en dat er verrekening moet plaatsvinden.
3.3.
[verweerder] verzoekt de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen en heeft als zelfstandig tegenverzoek (kort samengevat) verzocht om het aandeel in de woning van [verzoeker] aan haar toe te delen onder de verplichting dat [verzoeker] wordt ontslagen uit zijn verplichtingen uit hoofde van de hypotheekschuld. De subsidiaire en voorwaardelijke vorderingen zien op de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke woning.
3.4.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de belang, nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[verzoeker] heeft zijn verzoek gebaseerd op artikel 3:174 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW). Uit het bepaalde in 3:174 BW volgt dat een machtiging om een gemeenschappelijk goed, in dit geval de woning, te gelde te maken aan een deelgenoot kan worden verleend ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen.
[verzoeker] wenst tot een behoorlijke verdeling te geraken. De noodzaak om tot een behoorlijke verdeling te geraken, hoe begrijpelijk die noodzaak op zichzelf ook is, is volgens de wetgever uitdrukkelijk niet als een gewichtige reden in de zin van artikel 3:174 BW Pro te beschouwen. Om tot verdeling van de gemeenschappelijke woning te komen, moet [verzoeker] bij dagvaarding een vordering tot verdeling instellen op grond van artikel 3:185 BW Pro. Dit betekent dat [verzoeker] niet ontvankelijk zal worden verklaard.
4.2.
[verweerder] heeft in haar verweerschrift zelfstandige verzoeken ingediend. In artikel 282 Burgerlijk Pro Wetboek van Rechtsvordering is bepaald dat het niet mogelijk is om bij wege van een verzoek in reconventie aan de rechter een geschil voor te leggen dat normaliter aan deze bij dagvaarding moet worden voorgelegd. Een geschil waarop de verzoekschriftprocedure van toepassing is, kan niet worden gecombineerd met een geschil waarvoor de dagvaardingsprocedure geldt. Dit betekent dat ook [verweerder] niet ontvankelijk zal worden verklaard.
4.3.
Aangezien beide partijen in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn verzoek;
5.2.
verklaart [verweerder] niet ontvankelijk in haar zelfstandige verzoeken;
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
1524