ECLI:NL:RBMNE:2026:4159

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/6649
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht

Eisers ontvingen sinds 2016 een bijstandsuitkering. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht besloot de uitkering per 16 januari 2025 in te trekken en de bijstand over de periode van 1 december 2022 tot en met 30 april 2024 te herzien en terug te vorderen wegens het niet melden van werkzaamheden.

Het college baseerde dit op een melding van de gemeente Alphen aan den Rijn en een onderzoek in samenwerking met de Arbeidsinspectie, waaruit bleek dat eiser op de loonlijst stond van een transportbedrijf. Het college ontving rittenregistraties en een akkoordverklaring van eiser, waaruit bleek dat hij werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden.

Eisers betwistten de schending van de inlichtingenplicht en voerden aan dat de bewijslast niet was geleverd. De rechtbank oordeelde dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat eiser zijn plicht had geschonden, mede door het ontbreken van een verklaring van eiser en zijn niet verschijnen bij gesprekken.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen geen gelijk en ook geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6649

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), gezamenlijk: eisers

(gemachtigde: mr. J.C.M. van Oort),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college

(gemachtigde: E. Kuipers).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering van eisers op grond van de Participatiewet (Pw). Eisers zijn het niet eens met dit besluit van het college en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het (primaire) besluit van 5 februari 2025 heeft het college de bijstandsuitkering van eisers ingetrokken met ingang van 16 januari 2025. Daarnaast wordt de bijstandsuitkering over de periode van 1 december 2022 tot en met 30 april 2024 herzien. Er wordt een bedrag aan ten onrechte verleende bijstand teruggevorderd van € 32.051,13. Met het besluit van 26 november 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eisers is het college bij dit besluit gebleven. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van eisers. De gemachtigde van verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eisers ontvangen sinds 9 december 2016 een bijstandsuitkering naar de norm van gehuwden.
Het college heeft op 6 april 2023 een melding ontvangen van de gemeente Alphen aan den Rijn. Deze melding hield in dat uit een onderzoek in samenwerking met de Arbeidsinspectie een lijst naar voren is gekomen van personen die een uitkering ontvangen
envoorkomen op de loonlijst bij een transportbedrijf. Eiser staat op deze lijst. Naar aanleiding van deze melding heeft het college onderzoek verricht naar het recht van eisers op bijstand. Daartoe heeft het college informatie gevorderd bij [bedrijf 1]
.[bedrijf 1] heeft aangegeven dat eiser bij hen bekend is en ook daadwerkelijk tot 12 april 2024 ritten voor hen heeft gereden. [bedrijf 1] heeft in dat kader een overzicht overgelegd van alle geregistreerde ritten die op naam van eiser in de periode van 4 januari 2022 tot en met 12 april 2024 zijn gereden
.Ook is een door eiser ondertekende akkoordverklaring van controle van gegevens in het Norm Overtreding Register (NOR) overgelegd
.Eisers zijn op 16 januari 2025 en op 21 januari 2025 uitgenodigd voor een gesprek hierover maar zijn zonder bericht van verhindering niet verschenen. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in de Rapportage Bijzonder Onderzoek van 30 januari 2025.
4. Het college heeft zich op grond van dit onderzoek in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit de ontvangen overzichten van [bedrijf 1] en de door eiser ondertekende akkoordverklaring volgt dat eiser in de periode van 1 december 2022 tot en met 12 april 2024 heeft gewerkt als [functie] zonder hiervan melding te hebben gedaan bij het college. Daarmee heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand in die betreffende periode niet kan worden vastgesteld. Hierom is de aan eisers verleende bijstand over de periode van 1 december 2022 tot en met 30 april 2024 herzien en teruggevorderd.
5. Eisers hebben in de bezwaarfase een nieuwe aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend. Bij besluit van 8 april 2025 heeft het college besloten tot toekenning van het recht op bijstand per 16 januari 2025. Dat betekent dat het recht op bijstand in principe is gecontinueerd. In het bestreden besluit was daarom de intrekking van de uitkering per 16 januari 2025 niet langer punt van geschil. Ook het beroep ziet hier niet op. Het geschil betreft dan ook de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering over de periode van 1 december 2022 tot en met 30 april 2024.
Wat vinden eisers?
6. Eisers hebben aangevoerd dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden terwijl de bewijslast in deze wel bij hen ligt. De rittenoverzichten en de NOR-verklaring zijn hiervoor onvoldoende. Eisers hebben er in dit verband op gewezen dat uit deze stukken niet duidelijk wordt voor wie eiser zou hebben gewerkt en dat er verder geen ondersteunende bewijzen zijn.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Toetsingskader
7. Het geschil tussen partijen is beperkt tot de vraag of het college met de aanwezige rittenregistratie en de NOR-verklaring aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Hierbij is van belang dat het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering een voor de betrokkene belastend besluit is en daarom de bewijslast dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie ligt. In dit geval betekent dit dat het college aannemelijk moet maken dat eisers in de te beoordelen periode hebben verzuimd om (volledige) informatie te verstrekken over (de omvang van) de werkzaamheden van eiser.
Schending inlichtingenverplichting
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college kunnen concluderen dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Het college mocht naar aanleiding van de melding van de gemeente Alphen aan den Rijn, waaruit bleek dat uit een onderzoek in samenwerking met de Arbeidsinspectie volgde dat eiser op een lijst stond met personen die een uitkering ontvangen en voorkomen op de loonlijst bij een transportbedrijf, nader onderzoek doen. Vervolgens kon het college op basis van de rittenregistratie van [bedrijf 1] en de NOR-verklaring concluderen dat eiser voor verschillende vervoersbedrijven die klussen aannemen van [bedrijf 1] (subcontractors) werkzaamheden heeft verricht als pakketbezorger en dat niet aan het college heeft doorgegeven. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
9. Uit de rittenregistratie van [bedrijf 1] volgt dat op naam van eiser in de betreffende periode vanuit verschillende locaties [1] voor verschillende subcontractors van [bedrijf 1] [2] ritten geregistreerd staan. De stelling van eiser dat uit deze registratie niet duidelijk wordt voor wie hij heeft gewerkt, wordt niet gevolgd. Er staat immers in deze rittenregistratie vermeld op welke dag, vanuit welke locatie en voor welk bedrijf eiser een rit voor [bedrijf 1] heeft verzorgd. Dat daarbij geen KvK nummer van het betreffende bedrijf of overige informatie wordt genoemd, maakt dit niet anders. Ook heeft eiser getekend voor registratie in het Norm OvertredingsRegister (NOR) van [bedrijf 1] . In dit zogenaamde NOR-formulier is ook aangegeven dat het gaat om subcontractor [bedrijf 2] vanuit locatie [locatie] . Dit is een in het rittenformulier veelgenoemde subcontractor en locatie. Ook betreft dit de subcontractor en locatie voor wie eiser volgens de rittenregistratie in 2022 met zijn werkzaamheden voor [bedrijf 1] is begonnen, zodat het de rechtbank niet onlogisch voorkomt dat eiser hiermee in het NOR [3] is opgenomen. Middels deze door [bedrijf 1] verstrekte documenten is dan ook voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser in de betreffende periode werkzaamheden heeft verricht als werknemer van opdrachtnemers van [bedrijf 1] . De rechtbank stelt verder vast dat eiser geen enkele verklaring heeft gegeven voor het veelvuldig voorkomen in de rittenregistratie van [bedrijf 1] en voor registratie in het NOR. Eiser is ook zonder bericht van verhindering niet verschenen op de gesprekken waarvoor hij was uitgenodigd. Eiser heeft gedurende de procedure volstaan met de enkele ontkenning te hebben gewerkt. Eerst ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij zijn rijbewijs en verblijfsdocument verschillende keren is kwijtgeraakt en dat dit misschien een verklaring kan zijn voor het gebruik van zijn personalia in de administratie van [bedrijf 1] . Nu deze stelling echter op geen enkele wijze is onderbouwd, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
11. Gelet op het voorgaande heeft het college, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser in de periode van 1 december 2022 en 12 april 2024 heeft verzuimd om informatie te verstrekken over zijn werkzaamheden voor subcontractors van [bedrijf 1] . Het college heeft dan ook op grond hiervan de uitkering van eisers voor de betreffende periode mogen herzien en terugvorderen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgen geen gelijk en krijgen daarom ook het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke-van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met name vanuit Utrecht, maar ook Nieuwegein en Den Bosch.
2.[bedrijf 2] B.V, S.A.R. Transport B.V., SubSupport BV, Oke Logistics B.V., Combi-Transport
3.Het NOR is een informatiesysteem dat bij [bedrijf 1] in gebruik is voor eigen [bedrijf 1] -medewerkers, uitzendkrachten, gedetacheerde medewerkers en werknemers van opdrachtnemers die werkzaam zijn bij of ten behoeve van [bedrijf 1] . Bij ontslag of heenzending wegens ongewenst verdrag wordt via dit systeem voorkomen dat iemand terugkeert binnen de organisatie.