ECLI:NL:RBMNE:2026:4172

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
612767 HA RK 26-106
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 513 lid 1 SvArt. 515 lid 4 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens gebrek aan partijdigheid rechter en misbruik van recht

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter in een strafzaak, stellende dat de rechter partijdig zou zijn en onbevoegde personen het woord lieten voeren. Tevens werd geklaagd over het niet toestaan van een geluidsfragment, een incompleet strafdossier en vermeende valse stukken.

De wrakingskamer onderzocht de feiten en oordeelde dat geen sprake was van partijdigheid. De rechter ging er terecht vanuit dat bepaalde personen namens benadeelden mochten spreken en nam procesbeslissingen die niet als vooringenomenheid konden worden aangemerkt. Ook was er geen bewijs van valsheid in documenten.

Daarnaast bracht verzoeker een nieuwe wrakingsgrond te laat naar voren, waardoor deze niet werd meegenomen. Vanwege eerdere afgewezen wrakingsverzoeken en een wraking van een lid van de wrakingskamer, stelde de kamer een wrakingsverbod in om verdere vertraging te voorkomen.

De wrakingskamer wees het verzoek af, beval voortzetting van de hoofdzaak en bepaalde dat nieuwe wrakingsverzoeken niet in behandeling worden genomen. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen en een wrakingsverbod is opgelegd wegens misbruik van recht.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Lelystad
Zaaknummer: 612767 HA RK 26-106
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van9 juli 2026
op het verzoek in de zin van artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats]
hierna: verzoeker.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 8 juni 2026 mr. S. Ourahma gewraakt. Mr. Ourahma (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het parketnummer 16.259792.25 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
Hierna heeft de wrakingskamer ontvangen:
  • de e-mails van verzoeker van 9 juni 2026, waaronder uitstelverzoeken en de wrakingsgronden (met bijlagen);
  • de e-mails van verzoeker van 10 juni 2026;
  • de e-mails van verzoeker van 15 juni 2026;
  • de reactie (met bijlage) van de rechter op het wrakingsverzoek gedateerd 15 juni 2026 en binnengekomen op 17 juni 2026;
  • de e-mail van verzoeker van 19 juni 2026.
1.3.
Verzoeker heeft op 24 juni 2026 een wrakingsverzoek ingediend tegen
mr. D. van Bloemendaal, als lid van de meervoudige wrakingskamer. Dit verzoek is buiten behandeling gesteld wegens evident misbruik van recht.
1.4.
Het wrakingsverzoek is op 25 juni 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Bij de zitting waren aanwezig:
  • verzoeker,
  • [A] (zwager van verzoeker).
1.5.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen. De rechter is volgens hem partijdig en doet niet aan waarheidsvinding. Tijdens zowel de zitting van 8 juni 2026 als tijdens de zitting van 2 maart 2026 waren er onbevoegde personen namens de heer [B] en de NVWA aanwezig. De rechter heeft niet gevraagd om machtigingsformulieren te tonen en/of verstrekken. Dit toont aan dat de rechter er niet om geeft dat iets wel of niet rechtsgeldig is en/of dat er onbevoegde mensen in de rechtszaal aanwezig zijn. Verder kreeg verzoeker geen toestemming van de rechter om een geluidsfragment af te spelen en wilde de rechter de zaak inhoudelijk behandelen op basis van een incompleet strafdossier en valse aangifte en tenlastelegging. Daarnaast heeft de rechter voorwaarden gesteld aan de door verzoeker verzochte schorsing en is het horen van een getuige door hem afgewezen. Ter zitting heeft verzoeker zijn wrakingsverzoeken nader toegelicht en een nieuw feit naar voren gebracht waaruit in zijn beleving blijkt dat de rechter partijdig is. Tijdens de schorsing van de strafzitting (waarop verzoeker en zijn zwager de zaal verlieten) bleven de onbevoegde procesdeelnemers en de medewerkers van het openbaar ministerie (hierna: OM) in de zaal. Een journaliste ging de zaal binnen en vervolgens werd de zwager van verzoeker de toegang geweigerd. Verzoeker weet niet of deze personen tijdens de schorsing met de rechter hebben gesproken.
2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. De rechter heeft verzoeker naar eer en geweten de ruimte gegeven om naar voren te brengen wat hij over de inhoud van de zaak te zeggen had en daarbij heeft hij op geen enkele manier blijk gegeven van vooringenomenheid of partijdigheid.

3.De beoordeling

Het toetsingskader
3.1.
In artikel 512 Sv Pro staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het OM kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.3.
De wrakingskamer wijst het wrakingsverzoek af. Hierna zal worden uitgelegd waarom.
3.4.
De wrakingskamer is van oordeel dat niet is gebleken dat de rechter partijdig is. De rechter heeft de heer [C] namens de NVWA en de heer [D] namens de heer [B] het woord laten voeren. De rechter is er vanuit gegaan – en daarover is bij hem kennelijk geen twijfel geweest – dat deze personen het woord mochten voeren namens de benadeelde partijen. Dit hoeft hij dan ook niet te controleren. Een rechter hoeft daarvan overigens ook geen bewijs te tonen aan verzoeker. Dat is geen teken van vooringenomenheid.
3.5.
De wrakingskamer ziet geen aanknopingspunten waaruit blijkt dat de rechter niet aan waarheidsvinding doet. De beslissing van de rechter om het verzoek van verzoeker om een getuige te horen en een geluidsfragment te mogen afspelen niet te honoreren, is een procesbeslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een dergelijke rechterlijke beslissing als zodanig nooit grond kan vormen voor wraking, zelfs als de motivering ervan onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier is of als de motivering ontbreekt. Wraking is namelijk geen verkapt rechtsmiddel. Dit kan alleen anders zijn als de motivering van de beslissing, in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen) niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven. [1] Van dit laatste is geen sprake.
3.6.
Verder stelt verzoeker dat er sprake is van een incompleet strafdossier, omdat de ontbiedingen van de politie en de drie aangetekende (schriftelijke) reacties van verzoeker niet in het dossier zijn opgenomen. Daarover heeft de officier van justitie, volgens het proces-verbaal van 8 juni 2026, tijdens de zitting gezegd dat de door de politie opgestelde stukken aan alle partijen zijn verstrekt en dat het op de weg van verzoeker ligt om stukken aan te leveren die hij van belang vindt. In de omstandigheid dat de rechter daarna heeft willen overgaan tot de inhoudelijke behandeling van de zaak, ziet de wrakingskamer geen aanleiding voor het oordeel dat de rechter vooringenomen is.
3.7.
De wrakingskamer ziet daarnaast ook geen aanleiding om aan te nemen dat, zoals verzoeker stelt, er sprake is van valselijk opgemaakte stukken in het kader van de strafzaak, zoals een valse aangifte, tenlastelegging en/of proces-verbaal. De wrakingskamer stelt voorop dat een proces-verbaal een zakelijke weergave is van hetgeen tijdens een mondelinge behandeling over en weer wordt gezegd. Het kan voorkomen dat er sprake is van een niet letterlijke formulering van hetgeen is gezegd, maar dat betekent niet dat er sprake is van een valselijk opgemaakt proces-verbaal. Dat verzoeker het niet eens is met de inhoud ervan maakt niet dat er sprake is van (een schijn van) vooringenomenheid van de rechter die het proces-verbaal heeft ondertekend. Ten aanzien van de twee documenten die verzoeker tijdens de wrakingszitting heeft getoond en de stelling dat deze afwijken van elkaar, overweegt de wrakingskamer als volgt. Verzoeker stelt dat het formulier ‘verzoek tot schadevergoeding’, afkomstig van het OM, beschikt over één pagina meer dan het gelijkluidende formulier dat hij van de wrakingskamer heeft ontvangen. Op het van het OM ontvangen formulier ontbreken bovendien de handtekeningen van de gemachtigden. De wrakingskamer concludeert, na de stukken met elkaar vergeleken te hebben, dat er geen sprake is van een vals document. Het document wat de rechter bij zijn reactie als bijlage had gevoegd (en wat de wrakingskamer aan verzoeker heeft doorgestuurd) bevat een dubbele eerste pagina met op de eerste pagina een stempel en de datum van de vorige politierechterzitting (2 maart 2026) waar deze op de andere pagina ontbreken. Bovendien zijn de formulieren qua inhoud niet verschillend, afgezien van de geplaatste handtekening. Niet valt in te zien dat hier sprake zou zijn van een vals formulier.
3.8.
Voorts kan de opmerking van de rechter voorafgaand aan de door verzoeker gewenste schorsing: “als u terugkomt, wil ik antwoord hebben op de beschuldigingen” naar het oordeel van de wrakingskamer niet worden geïnterpreteerd als het onder druk zetten van verzoeker. De rechter stelde verzoeker slechts in het vooruitzicht wat er na de schorsing zou gebeuren en waar verzoeker naar bevraagd zou worden.
3.9.
Tot slot heeft verzoeker tijdens de zitting zijn nieuwe (wrakings)grond over het aanwezig zijn van mensen van het OM en een journaliste tijdens de schorsing en het niet binnenlaten van zijn zwager naar voren gebracht. Verzoeker had hierover in het kader van schriftelijke vragen aan de wrakingskamer in zijn e-mail van 10 juni 2026 weliswaar al een opmerking gemaakt, maar heeft dit pas op de zitting als wrakingsgrond naar voren gebracht. Op grond van artikel 513 lid 1 Sv Pro wordt het wrakingsverzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Nu verzoeker hiermee tijdens de zitting van 9 juni 2026 al bekend was, is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker deze grond te laat naar voren heeft gebracht. Deze grond wordt daarom niet in de beoordeling betrokken.
Wrakingsverbod
3.10.
De wrakingskamer legt een wrakingsverbod op aan verzoeker op grond van artikel 515, vierde lid, Sv. Dit betekent dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de procedure met parketnummer 16.259792.25 niet in behandeling wordt genomen. De reden hiervoor is dat moet worden voorkomen dat verzoeker de behandeling van de hoofdzaak (verder) vertraagt door opnieuw een wrakingsverzoek in te dienen. Hij heeft in de hoofdzaak al één keer eerder een wrakingsverzoek ingediend, dat is afgewezen. Daarnaast heeft hij ook een lid van de wrakingskamer gewraakt. Dit verzoek heeft de wrakingskamer al wegens evident misbruik van recht buiten behandeling gesteld. Al deze verzoeken hebben geleid tot onredelijke vertraging van de behandeling van de hoofdzaak. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker het wrakingsmiddel hiermee misbruikt.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met parketnummer 16.259792.25 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;
4.4.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de zaak met het parketnummer 16.259792.25 niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is genomen door mr. R.C. Stijnen, voorzitter, mr. M.S.T. Belt en
mr. D. van Bloemendaal als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. J.J. Terpstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
de griffier is buiten staat de beslissing te ondertekenen de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.