ECLI:NL:RBMNE:2026:4173

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/486
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering overname zakelijke schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen

Eiser verzocht Sociale Banken Nederland (SNB) om drie schulden over te nemen, waarvan twee zakelijke schulden bij een persoon en een bedrijf. SNB weigerde deze overname omdat de schulden niet voldeden aan de voorwaarden van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

De rechtbank behandelde het beroep van eiser tegen het bestreden besluit waarbij het bezwaar ongegrond werd verklaard. De rechtbank oordeelde dat de schulden zakelijke schulden zijn die niet voor vergoeding in aanmerking komen. De schuld van €160.000,- bij een persoon betrof een lening aan een besloten vennootschap en was niet opeisbaar vóór 1 juni 2021, zoals vereist.

Ook de schuld van €616.000,- bij een bedrijf betrof een samengestelde vordering met meerdere leningen aan vennootschappen, waarbij eiser zich slechts borg had gesteld en niet zelf schuldenaar was. De rechtbank vond dat het kwijtschelden van een schuld niet gelijkstaat aan het overnemen ervan.

De rechtbank liet nieuwe stukken die te laat waren ingediend buiten beschouwing en oordeelde dat de beslissing voldoende was gemotiveerd en niet in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de weigering tot overname van de schulden in stand bleef.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering tot overname van zakelijke schulden wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/486
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

De Minister van Financiën, T.a.v. de Programmadirecteur Schulden, verweerder

(gemachtigde: H. Polat).

Inleiding

1. Op 20 februari 2025 heeft eiser aan Sociale Banken Nederland (SNB) verzocht om drie schulden van hem over te nemen.
2. Met het besluit van 11 juli 2025 (het primaire besluit) heeft SBN namens de Belastingdienst/Toeslagen dit verzoek geweigerd. SBN neemt de schulden van
€ 160.000,- bij [persoon1] en van € 6.213,38 bij [bedrijf 1] B.V. niet over omdat deze volgens de SNB geen schuld zijn (code 18). SNB neemt de schuld van € 616.000,- bij [bedrijf 2] BV niet over omdat deze schuld is ontstaan voor 1 januari 2006 of na 31 mei 2021 (code 16).
3. Met het besluit van 8 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft op 2 juli 2026 een e-mailbericht met een bijlage van eiser ontvangen.
5. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
6. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.

Overwegingen

7. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Ingediende stukken
8. Eiser heeft op 2 juli 2026 een e-mailbericht met in de bijlage een e-mailbericht van
1 juli 2026 van [persoon2] ingebracht.
9. Omdat de stukken niet binnen de termijn van tien dagen voor de zitting zijn ontvangen, is de vraag aan de orde of het toelaten van deze stukken in strijd is met de goede procesorde. Verweerder heeft de stukken niet ontvangen en heeft dus niet kunnen reageren op de inhoud hiervan. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat er geen nieuwe punten in de stukken worden aangedragen. Gelet op het voorgaande, laat de rechtbank de stukken, gelet op de goede procesorde, buiten de beoordeling van deze zaak.
Het geschil
10. De beroepsgronden zijn gericht op de schuld van € 160.000,- bij [persoon1] en de schuld van € 616.000,- bij [bedrijf 2] BV. Het beroep is niet gericht tegen de schuld van eiser bij [bedrijf 1] B.V. De rechtbank beoordeelt daarom in deze zaak of verweerder terecht de genoemde schulden bij [persoon1] en [bedrijf 2] BV niet van eiser heeft overgenomen. Dit doet de rechtbank aan de handen van de beroepsgronden van eiser
Schuld bij [persoon1] van € 160.000,-
11. De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat deze lening een zakelijke schuld is die op grond van hoofdstuk 4 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) niet in aanmerking komt voor vergoeding. Uit de hypotheekakte van 8 juni 2009 blijkt dat [persoon1] een bedrag van totaal € 160.000,- (een hoofdsom van € 100.000,- en
€ 60.000,- aan bijkomende kosten) heeft geleend aan [bedrijf 3] BV. Het gaat dus om een zakelijk schuld aan een besloten vennootschap.
12. Eiser stelt dat hij de schuld van [bedrijf 3] B.V. heeft overgenomen en verwijst daarvoor naar een brief van 30 september 2014. In deze brief staat echter dat wordt afgezien van opeising van de vordering op [bedrijf 3] B.V. en dat [persoon1] deze vordering op [bedrijf 3] B.V. heeft kwijtgescholden. Het afzien van opeising van een vordering of kwijtschelding hiervan, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gelijk worden gesteld aan het overnemen van een schuld.
13. Indien zou worden aangenomen dat sprake is van een informele schuld, kan deze schuld ook niet voor overname in overname in aanmerking komen. Eiser heeft namelijk niet aangetoond dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar was [1] . In artikel 4 van Pro de hypotheekakte van 8 juni 2009 staat dat de hoofdsom, behoudens de in artikel 5 genoemde Pro gevallen van directe opeisbaarheid, niet opeisbaar was vóór 1 juni 2011. Artikel 5 noemt Pro de gevallen waarin de hoofdsom direct opeisbaar werd, zoals
niet-nakoming na ingebrekestelling, beslag op een goed van de schuldenaar, faillissement of surséance van betaling, een aanvraag daartoe, of andere gevallen waarin de schuldenaar het vrije beheer over zijn vermogen verliest. Uit de stukken blijkt niet dat eiser of [bedrijf 3] B.V. vóór 1 juni 2021 in gebreke is gesteld wegens
niet-nakoming van de geldlening, dat sprake was van beslag, faillissement, surséance van betaling of een vergelijkbare situatie als bedoeld in de akte.
14. De eerste concrete opeising die uit het dossier blijkt, is de verkoop van de woning aan de [adres] in [plaats] op 14 maart 2025 voor een bedrag van € 630.000,- (tweede hypotheek in de hypotheekakte van 8 juni 2009). Uit deze opbrengst is de hypotheek van € 160.000,- voldaan. Deze datum ligt na 1 juni 2021. Daarmee wordt dus niet voldaan aan het vereiste van opeisbaarheid van de schulden vóór 1 juni 2021.
15. De beroepsgrond slaagt niet.
Schuld bij [bedrijf 2] B.V. van € 616.000,-
16. De rechtbank is uit de stukken niet gebleken dat de door eiser opgegeven schuld aan [bedrijf 2] B.V. van € 616.000,- één afzonderlijke geldlening van [bedrijf 2] B.V. aan eiser betreft. Het gaat blijkens de sommatiebrief van 19 december 2024 om een samengestelde vordering die verband houdt met meerdere geldleningen van verschillende oorspronkelijke schuldeisers.
17. Onderdeel van deze schuld is de hiervoor besproken schuld van € 160.000 bij [persoon1] , ten aanzien waarvan hiervoor is geconcludeerd dat deze terecht niet is overgenomen door de minister.
18. In deze sommatiebrief worden als enige schulden van [bedrijf 2] B.V. aan eiser genoemd: een lening van € 50.000, verstrekt op 15 juni 2010, en een lening van
€ 50.000 die is verstrekt op 14 april 2011. Volgens eiser is [bedrijf 3] B.V. de schuldenaar. Eiser is deze leningen dus niet zelf privé aangegaan.
19. Eiser stelt dat de schuld niettemin een privé schuld is omdat hij zich in een brief van
13 april 2011 borg heeft gesteld voor de twee leningen van elk € 50.000,-. Dit is onjuist. Een borgstelling houdt in dat eiser persoonlijk garant is komen te staan voor de betalingsverplichting van een ander. Dit maakt echter niet dat eiser als de schuldenaar van de lening moet worden aangemerkt.
20. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat uit een brief van
30 september 2014 volgt dat eiser de schuld heeft overgenomen. In die brief wordt door de schuldeiser de schuld kwijt gescholden. Het kwijtschelden van een schuld staat niet gelijk aan het overnemen van een schuld door eiser.
21. Onderdeel van de € 616.000,- is verder ook nog een lening van [persoon1] aan [bedrijf 3] B.V. van € 200.000,-. Hiervan zijn geen stukken overgelegd. Op de zitting heeft eiser verklaard dat ook dit een lening is aan de vennootschap, waarvoor hij zich persoonlijk borg heeft gesteld. De rechtbank stelt vast dat daarmee geen sprake is van een schuld van eiser.
22. Dat de schuld zou zijn gecedeerd, maakt ook niet dat sprake is van een privé schuld. De akte van cessie van 20 februari 2025 ziet namelijk niet op eiser, maar op de rechtsverhoudingen tussen [persoon1] , [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 4] B.V.
23. Indien zou worden aangenomen dat sprake is van een informele schuld, geldt ook voor deze schuld dat deze niet voor overname in aanmerking kan komen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat deze schulden vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren. De eerste concrete opeisingshandeling die uit het dossier blijkt ten aanzien van de hier besproken samengestelde vordering, is de sommatiebrief van 19 december 2024 is. Deze eerste aanwijsbare grond voor opeisbaarheid dateert van na 1 juni 2021. Daarmee wordt niet voldaan aan het vereiste van opeisbaarheid van de schulden vóór 1 juni 2021.
24. Verder voldoet de schuld niet aan het vereiste dat deze in een notariële akte is vastgelegd, die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. De schulden zijn ook niet gebleken uit een rechterlijke uitspraak terwijl de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt. [2]
25. De beroepsgrond slaagt niet.
Zorgvuldigheids-, motiverings- en evenredigheidsbeginsel
26. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de aangemelde schulden. Bij de besluitvorming heeft verweerder de door eiser aangeleverde stukken beoordeeld, waaronder de hypotheekakte, de sommatiebrief, de akte van cessie, de saldo-opgave, de notariële afrekening en de civiele stukken. Op basis daarvan is beoordeeld of sprake is van private schulden van eiser en of aan de voorwaarden van de Wht is voldaan.
27. Verder vindt de rechtbank dat de beslissing op bezwaar voldoende is gemotiveerd. In de beslissing op bezwaar is per aangemelde schuld toegelicht waarom deze niet voor overname in aanmerking komt. In het verweerschrift wordt dit nader toegelicht. Daarmee is voldoende inzichtelijk op welke feiten en wettelijke criteria de afwijzing berust.
28. Ook van strijd met het evenredigheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het doel van de Wht is gericht op het bieden van een nieuwe start aan gedupeerde ouders door hen in bepaalde gevallen te vrijwaren van incassomaatregelen. Het doel van de Wht is niet het overnemen van schulden van een vennootschap. Er is geen sprake van strijd met het doel en de strekking van de Wht.

Conclusie en gevolgen

29. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering van SBN om beide schulden van eiser over te nemen in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Er is ook geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.
30. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026 door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Ingevolge artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht.
2.Art. 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.