ECLI:NL:RBMNE:2026:4177
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Uitspraak inzake meerdere inzageverzoeken op grond van AVG, Wpg en Wjsg tegen het Openbaar Ministerie
Deze uitspraak betreft vier beroepen van eiser tegen het college van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie over inzageverzoeken op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg).
In zaak UTR 23/2987 werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het inzageverzoek van 13 april 2023 niet als nieuw verzoek werd gezien en het college van PG reeds inzage had verleend. In zaak UTR 23/3791 werd het beroep gegrond verklaard en werd het college veroordeeld tot betaling van een aanvullende dwangsom van €585,- bovenop reeds toegekende bedragen.
Zaak UTR 23/4015 werd ongegrond verklaard omdat het verstrekte overzicht voldoende was en geen sprake was van verwerking van persoonsgegevens onder de Wpg of AVG. In zaak UTR 24/4617 werd het beroep ongegrond verklaard omdat de ingebrekestelling niet voldeed aan de vereisten.
De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar en kent eiser een immateriële schadevergoeding van €500,- toe, te betalen door de Staat. De uitspraak is gedaan door rechter J.J. Catsburg op 1 juli 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart één beroep gegrond, twee beroepen ongegrond en één niet-ontvankelijk, veroordeelt het college van PG tot betaling van een dwangsom en kent een immateriële schadevergoeding toe wegens termijnoverschrijding.