ECLI:NL:RBMNE:2026:4177

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
UTR 23/3791, 23/3791, 23/4015, 24/4617
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 39i WjsgStaatscourant 2014, 20210
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitspraak inzake meerdere inzageverzoeken op grond van AVG, Wpg en Wjsg tegen het Openbaar Ministerie

Deze uitspraak betreft vier beroepen van eiser tegen het college van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie over inzageverzoeken op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg).

In zaak UTR 23/2987 werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het inzageverzoek van 13 april 2023 niet als nieuw verzoek werd gezien en het college van PG reeds inzage had verleend. In zaak UTR 23/3791 werd het beroep gegrond verklaard en werd het college veroordeeld tot betaling van een aanvullende dwangsom van €585,- bovenop reeds toegekende bedragen.

Zaak UTR 23/4015 werd ongegrond verklaard omdat het verstrekte overzicht voldoende was en geen sprake was van verwerking van persoonsgegevens onder de Wpg of AVG. In zaak UTR 24/4617 werd het beroep ongegrond verklaard omdat de ingebrekestelling niet voldeed aan de vereisten.

De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar en kent eiser een immateriële schadevergoeding van €500,- toe, te betalen door de Staat. De uitspraak is gedaan door rechter J.J. Catsburg op 1 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart één beroep gegrond, twee beroepen ongegrond en één niet-ontvankelijk, veroordeelt het college van PG tot betaling van een dwangsom en kent een immateriële schadevergoeding toe wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 23/2987, 23/3791, 23/4015 en 24/4617

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het college van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie,het college van PG
(gemachtigde: mr. M.P. Ketting).
Verder heeft als partij aan de zaak deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid). [1]

Inleiding

Deze uitspraak gaat over meerdere inzageverzoeken van eiser op grond van de AVG, Wet politiegegevens (Wpg) en/of de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) over verschillende parketnummers bij verschillende organisaties die allen vallen onder het Openbaar Ministerie.
Eiser heeft vier beroepen ingesteld en het college van PG heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
De rechtbank heeft het beroep met zaaknummer UTR 23/3791 eerder op een zitting behandeld, namelijk op 15 maart 2024. Deze zaak is daarna heropend en op 19 maart 2026 is voorgenoemde zaak, samen met UTR 23/2987, 23/4015 en 24/4617 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door [A] en de gemachtigde van het college van PG en mr S.C. van Hensbeek.

Beoordeling door de rechtbank

UTR 23/2987 (Midden-Nederland)
1.1
Eiser doet inzageverzoeken op 7 en 21 maart 2022 op grond van de AVG, Wpg en Wsjg over parketnummers 16/144727-20 en 16/144743-20. Het college van PG verlengt de beslistermijn met de brief van 8 april 2022. Het college van PG beslist op 17 mei 2022 met afzonderlijke besluiten op het verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens (kenmerk: AP/8) en op het verzoek om inzage in zijn strafvorderlijke gegevens (kenmerk: 3230-2373). Het college van PG geeft eiser in deze twee besluiten inzage in zijn persoonsgegevens, die staan in de besluiten.
1.2
Eiser doet op 13 april 2023 een nieuw inzageverzoek. Op 11 mei 2023 stuurt eiser een ingebrekestelling. Vervolgens stelt eiser op 26 juni 2023 beroep in omdat hij nog steeds geen inzage heeft gehad in zijn strafvorderlijke gegevens. Op 25 juli 2023 (kenmerk: 3230-2373) reageert het college van PG op het verzoek van 13 april 2023. Door het college van PG wordt verwezen naar het eerdere inzageverzoek van eiser en wordt gevraagd naar de dagen waarop eiser beschikbaar is voor de inzage. Eiser reageert met een brief van 31 juli 2023 dat het college van PG niet heeft gereageerd op zijn verzoek om hem een dwangsom toe te kennen. Ook stuurt eiser op 23 augustus 2023 een brief omdat het controleren van de juistheid van zijn gegevens onmogelijk is met een overzicht wat algemeen bekend is.
1.2
Omdat het college heeft beslist met de besluiten van 17 mei 2022 op de inzageverzoeken van 7 en 21 maart 2022 heeft de rechtbank aan eiser een toelichting gevraagd wat zijn procesbelang (nog) is.
1.3
Gelet op de toelichting van eiser en hetgeen op de zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat in deze zaak tussen partijen (nog) in geschil is of eisers nieuwe inzageverzoek van 13 april 2023 inderdaad als een nieuw inzageverzoek moet worden gezien, waar het college van PG vervolgens geen besluit op heeft genomen. De vraag is dan ook of eiser terecht een beroep niet tijdig beslissen heeft ingesteld.
1.4
De rechtbank is van oordeel dat eisers inzageverzoek van 13 april 2023 geen nieuw inzageverzoek is waar het college van PG op had moeten beslissen. De tekst van dit verzoek is niet eenduidig en de het college heeft het mogen opvatten als een verzoek om een afspraak te maken voor de feitelijke inzage. Uit de besluiten van 17 mei 2022 blijkt verder dat inzage aan eiser is verleend. Eiser mag dus daadwerkelijk zijn gegevens komen inzien op locatie. Eiser heeft echter nog niet van dit inzagerecht gebruik gemaakt. Dat kan hij nog steeds doen door een afspraak te maken. Dit volgt ook uit de brief van 27 juli 2023 waarin eiser wordt gevraagd naar zijn beschikbaarheid om zijn gegevens te komen inzien. Op de zitting is ook nog besproken dat eiser nog steeds welkom is om zijn gegevens te komen inzien. Dat eiser het op dit moment al niet eens is met gegevens die volgens hem bij het college van PG aanwezig zijn, en dat hij pas gebruik wil maken van zijn inzagerecht nadat deze zijn gecorrigeerd, is niet de juiste gang van zaken. Eiser dient eerst gebruik te maken van zijn inzagerecht en kan niet steeds weer nieuwe inzageverzoeken doen totdat hij gegevens krijgt die volgens hem wel juist zijn.
1.5
Omdat er geen sprake is van een nieuw inzageverzoek, was het college van PG ook niet gehouden om een besluit te nemen en kan zij dan ook niet in gebreke zijn om tijdig te beslissen. Er kan dan ook geen sprake zijn van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen. Dit betekent dat eisers beroep wegens het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is.
UTR 23/3791 (Den Haag)
2.1
Eiser heeft op 7 en 21 maart 2022 op grond van de AVG, Wpg en Wsjg ook over parketnummer 09/088233-18 een inzageverzoek gedaan. Dit inzageverzoek heeft eiser gericht aan het openbaar ministerie Midden-Nederland. Het arrondissementsparket Midden-Nederland heeft op 17 mei 2022 aan eiser laten weten dat zijn verzoek over 09/088233-18 is doorgestuurd naar het arrondissementsparket Den Haag. Eiser stuurt ingebrekestellingen en dient vervolgens op 26 juni 2023 een beroep niet tijdig beslissen in. Op 27 juli 2023 wordt eisers verzoek toegewezen. Op 7 augustus 2023 maakt eiser bezwaar omdat volgens eiser het overzicht niet juist is en de maximale dwangsom is verschuldigd. Met het besluit van 19 oktober 2023 verklaart het college van PG het bezwaar van eiser ongegrond voor zover het dit is gericht tegen het niet opnemen van de afmelding van een zaaknummer op de inventarislijst omdat er geen sprake is van een persoonsgegeven. Verder komt het college van PG volledig toe aan het bezwaar over de dwangsom en kent eiser € 857,- toe.
2.2
Eiser dient vervolgens op 25 oktober 2023 zijn beroepsgronden in die – naar wat de rechtbank begrijpt – erop neer komen dat de dwangsom hoger dient te zijn, namelijk € 1.037,-. Op verzoek van de rechtbank heeft het college PG gereageerd op dit standpunt van eiser. Het college van PG is het met eiser eens dat hij recht heeft op de maximale dwangsom van € 1.442,-
2.3
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college van PG aan eiser de maximale dwangsom van € 1.442,- is verschuldigd. Gelet op de toelichting van het college van PG betekent dit dat zij het resterende bedrag van € 585,- nog aan eiser zal moeten betalen. De rechtbank zal het college veroordelen om dat bedrag aan eiser te betalen. Mocht het college van PG dit bedrag al hebben betaald op het moment dat deze uitspraak wordt gedaan, dan hoeft het college van PG eiser niet nogmaals te betalen. Voorgaande betekent dan ook dat dit beroep van eiser gegrond is. Eiser heeft geen griffierecht betaald en ook geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
23/4015 (Arnhem-Leeuwarden)
3.1
Eiser heeft op 19 augustus 2022 en 9 september 2022 over parketnummer 21/00112-21 inzageverzoeken gedaan op grond van de AVG, Wpg en Wsjg. Op 3 augustus 2023 wijst het college van PG, na de bezwaarfase, het inzageverzoek op grond van de Wsjg toe. In de bijlage van dat besluit staan de verwerkte persoonsgegevens. Het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden verwerkt geen persoonsgegevens van eiser waarop de Wpg dan wel de AVG van toepassing is, zodat dat deel van eisers verzoek wordt afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens en stelt beroep in.
3.2
Omdat de kern van eisers betoog lijkt te zijn dat er sprake is van een onjuiste verwerking van zijn persoonsgegevens, stuurt de rechtbank een brief naar eiser. In deze brief stelt de rechtbank vast dat inzage is verleend doordat de verwerkte persoonsgegevens van eiser in de bijlage van het besluit zijn opgenomen. Verder stelt de rechtbank vast dat de vraag of sprake is van onjuiste verwerking niet in deze zaak speelt omdat het besluit daar niet over gaat. De rechtbank heeft dan ook eiser verzocht om een toelichting te geven wat zijn procesbelang bij deze zaak (nog) is omdat in het besluit van 3 augustus 2023 al inzage is gegeven in de persoonsgegevens.
3.3
Uit de reactie van eiser van 30 september 2025 maakt de rechtbank op dat eiser vindt dat hij met het verstrekte overzicht zijn persoonsgegevens niet kan controleren zoals bedoeld in artikel 15 van Pro de AVG. De enkele pagina geeft volgens eiser geen daadwerkelijk inzicht in de verwerking van zijn gegevens en daardoor is het onmogelijk om de juistheid, volledigheid en rechtmatigheid van de verwerking te controleren. In zijn reactie van 6 maart 2026 benadrukt eiser dat zijn beroep niet uitsluitend ziet op het verzoek om inzage, maar op aantoonbaar onjuiste en schadelijke verwerking van zijn persoonsgegevens binnen de systemen van het Openbaar Ministerie, het CJIB, de reclassering en andere ketenpartners.
3.4
Op grond van artikel 39i van de Wsjg heeft iemand het recht uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende strafvorderlijke gegevens en, wanneer dat het geval is, om die strafvorderlijke gegevens in te zien.
3.5
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college van PG kunnen volstaan met het verstrekte overzicht bij het besluit van 3 augustus 2023. Dit bevat overzicht bevat namelijk de verwerkte strafvorderlijke gegevens en daarbij staat onder meer vermeld aan wie de gegevens zijn verstrekt en het doel daarvan, namelijk de strafrechtelijke procedure. Verder is het niet gebleken dat het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden persoonsgegevens van eiser verwerkt waarop de Wpg dan wel de AVG van toepassing is. Gelet op het voorgaande, is dit beroep van eiser ongegrond.
UTR 24/4617
4.1
Op 25 juni 2024 dient eiser een beroep niet tijdig beslissen in. Als bijlage stuurt eiser de brief van 24 januari 2024 van het college van PG mee. Deze brief betreft een reactie op de brieven die eiser heeft gestuurd aan het openbaar ministerie Den Haag, openbaar ministerie Midden-Nederland en Ressortsparket Arnhem op 13 december 2023. Daartegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft het college van PG op 8 augustus 2024 op eisers bezwaar beslist. Daarin staat – voor zover van belang voor deze procedure – dat eisers brief van 6 juni 2023 niet voldoet aan de criteria voor een rechtsgeldige ingebrekestelling.
4.2
Uit het dossier maakt de rechtbank op dat eiser met brieven van 13 december 2023 heeft beoogd dwangsommen te krijgen omdat het college van PG te laat zou beslissen. In de brief gericht aan het openbaar ministerie Midden-Nederland en het Parket Generaal Den Haag verwijst eiser naar een ingebrekestelling van 11 mei 2023 en naar een ingebrekestelling van 6 juni 2023. Ook wordt zaaknummer UTR 23/2987 genoemd.
4.3
Omdat deze procedure is gestart met een beroep niet tijdig beslissen en het college van PG alsnog een beslissing heeft genomen, heeft de rechtbank aan eiser gevraagd of hij het eens is met dat besluit en zo niet, om toe te lichten waarom hij het er niet mee eens is. De rechtbank ontvangt van op 17 september 2024 de gronden van eiser maar zij kan hier geen concrete beroepsgronden uit formuleren. Op de zitting komt naar voren dat eiser vindt dat zijn brief van 6 juni 2023 gezien moet worden als ingebrekestelling.
4.4
Om als ingebrekestelling aangemerkt te kunnen worden is vereist dat het geschrift voldoende duidelijk maakt dat (i) op welke aanvraag het betrekking heeft, (ii) dat de belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist, en (iii) dat de belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen. [2]
4.5
Het blijft de rechtbank de onduidelijk waar eisers brief van 6 juni 2023 op ziet. Eiser wil in ieder geval een dwangsom maar het is niet duidelijk geworden waar eiser dan een dwangsom voor zou moeten krijgen. Wanneer dit zou gaan om procedure UTR 23/2987 is in deze uitspraak vastgesteld dat er is beslist op 17 mei 2022 en dat er geen sprake is van een nieuw inzageverzoek. Verder is de brief van 6 juni 2023 gericht aan vier verschillende onderdelen van het openbaar ministerie wat ook voor onduidelijkheid zorgt. Ook staat zaaknummer UTR 23/1673 vermeld maar dit betreft geen zaak van eiser en ziet ook niet op een soortgelijke kwestie. De inhoud van de brief geeft ook geen aanknopingspunten dat dit moet worden gezien als een ingebrekestelling die ziet op een specifieke aanvraag. Daarom kan deze brief niet aangemerkt worden als ingebrekestelling.
4.6
Het voorgaande betekent dat eisers beroep ongegrond is.
Termijnoverschrijding behandeling beroepen en schadevergoeding
5.1
Eiser heeft in zijn brief 10 november 2025 over de zaak UTR 23/2987 gewezen op het lange tijdsverloop en heeft gesteld dat hij mede daardoor immateriële schade heeft geleden. De rechtbank is het met eiser eens dat de vier procedures waar deze uitspraak over gaat te lang hebben geduurd.
5.2
De vraag of de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de zaak en het daardoor getroffen belang van betrokkene.
5.3
In de zaken UTR 23/2987, 23/3791 en 24/4617 gaat het om beroepen tegen het gestelde uitblijven van een beslissing van het college PG op een verzoek om inzage. In de zaak UTR 23/4015 gaat het om een beroep tegen een toegewezen verzoek om kennisname van strafvorderlijke gegevens. Deze zaken zijn voortgevloeid uit verschillende informatieverzoeken aan en ingebrekestellingen van het college PG om tijdig te beslissen.
5.4
De zaken hangen met elkaar samen en daarom zal de rechtbank de termijnoverschrijding als één termijnoverschrijding behandelen.
5.5
Als het gaat om een beroep tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag of een beslissing op bezwaar, is de wettelijke termijn voor de rechtbank om te beslissen 8 weken en als er een zitting is gepland 13 weken. Dat wil nog niet zeggen dat als de rechtbank deze termijnen niet haalt er zonder meer sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt met inachtneming van de elementen die in de vorige alinea zijn genoemd vast dat in dit concrete geval de rechtbank een jaar na indiening van het eerste beroep op dat beroep had moeten beslissen. Het eerste beroep is op 26 juni 2023 ingediend. Dat betekent dat de rechtbank uiterlijk op 26 juni 2024 op dat beroep had moeten beslissen. De termijnoverschrijding door de rechtbank vanaf die dag tot de dag van deze is uitspraak is twee jaar en een week.
5.6
De rechtbank stelt vast dat het college PG in de zaken UTR 23/3791 en 24/4617 kort na het indienen van de beroepen alsnog heeft beslist op eisers bezwaar en dat eisers verzoeken zijn toegewezen. Daarom kan de spanning en frustratie die bij een overschrijding van de redelijke termijn wordt verondersteld, in eisers situatie niet zonder meer als hoog worden aangemerkt. De rechtbank hanteert daarom een forfaitair tarief van € 100,- per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Dat leidt in dit geval tot een aanspraak op schadevergoeding van € 500,-, te betalen door de Staat, omdat de overschrijding van de redelijke termijn te wijten is aan de rechtbank.

Beslissing

UTR 23/2987
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
UTR 23/3791
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt het college van PG tot betaling van € 585,- aan eiser.
UTR 23/4015
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
UTR 24/4617
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
UTR 23/2987, 23/3791, 23/4015, en 24/4617
De rechtbank veroordeelt de Staat tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.E. Pruntel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Staatscourant 2014, 20210.
2.Zie de uitspraak van de Hoge Raad 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1124.