ECLI:NL:RBMNE:2026:419

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
11648791 \ LC EXPL 25-854
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:231 BWArt. 6:233 BWArt. 7:408 BWArt. 7:411 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging oneerlijk annuleringsbeding in onderwijsovereenkomst en afwijzing vordering lesgeld

De zaak betreft een geschil tussen een onderwijsinstelling en ouders over de betaling van lesgeld nadat de leerling gedurende het schooljaar de school heeft verlaten. De onderwijsinstelling vordert betaling van het volledige lesgeld op grond van een annuleringsbeding in de overeenkomst.

De kantonrechter oordeelt dat artikel 5.4 van de overeenkomst, dat betaling van het volledige lesgeld voorschrijft bij tussentijdse opzegging, een oneerlijk en onredelijk bezwarend beding is. Dit omdat het geen reële mogelijkheid tot tussentijdse opzegging biedt en het volledige financiële risico op de consument afwentelt, zonder voldoende onderbouwing van de kostenstructuur.

De onderwijsinstelling heeft onvoldoende concreet gemaakt dat alle kosten bij aanvang van het schooljaar zijn gemaakt en dat het volledige lesgeld daarom redelijk is. De kantonrechter vernietigt het beding en wijst de vordering tot betaling van het lesgeld, inclusief rente en incassokosten, af. Ook de kosten van het conservatoire beslag worden afgewezen omdat het beslag onrechtmatig was.

De onderwijsinstelling wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.492,50 en tot betaling van wettelijke rente over deze kosten bij niet-tijdige betaling. Het vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en op 28 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het oneerlijke annuleringsbeding wordt vernietigd en de vordering tot betaling van het volledige lesgeld wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11648791 \ LC EXPL 25-854
Vonnis van 28 januari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarders mr. Th. van Wijngaarden en H. Makkinga,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
gemachtigde: Legal Advice Wanted,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 november 2025;
- de akte van [gedaagde sub 1] c.s.;
- de akte van [eiseres] .
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
De zoon van [gedaagde sub 1] c.s. heeft op de school van [eiseres] gezeten. In de loop van het schooljaar heeft de zoon de school verlaten. [gedaagde sub 1] c.s. heeft een deel van het lesgeld van het betreffende schooljaar betaald. [eiseres] wil dat hij ook de rest betaalt. [gedaagde sub 1] c.s. is het daar niet mee eens.
2.2.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen voornemens te zijn een oneerlijk beding uit de overeenkomst tussen partijen te vernietigen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Die reactie heeft de kantonrechter niet op andere gedachten gebracht. De kantonrechter zal het oneerlijke beding daarom vernietigen en de vorderingen van [eiseres] afwijzen.

3.De verdere beoordeling

Het tussenvonnis
3.1.
[eiseres] baseert haar vordering tot betaling van het lesgeld op artikel 5.4 van de overeenkomst. Daaruit volgt dat als de ouders ervoor kiezen de leerling gedurende het schooljaar van school te halen en daarmee de overeenkomst opzeggen, zij in alle gevallen en omstandigheden het lesgeld voor het volledige schooljaar verschuldigd zijn.
3.2.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter het voorlopige oordeel uitgesproken dat er door artikel 5.4 geen reële mogelijkheid bestaat tot tussentijdse opzegging van de overeenkomst, en dat het beding daarmee in strijd is met (de geest van) artikel 7:408 lid 1 BW Pro en artikel 7:411 BW Pro. In artikel 7:408 lid 1 BW Pro staat dat de opdrachtgever de overeenkomst te allen tijde kan opzeggen, en in artikel 7:411 BW Pro zijn de gevolgen voor de verschuldigdheid van loon geregeld in het geval de overeenkomst vroegtijdig wordt beëindigd. Beide artikelen zijn dwingendrechtelijk in het geval van een consument-opdrachtgever.
3.3.
Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het voorlopige oordeel uitgesproken dat artikel 5.4 oneerlijk is en daarmee onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 aanhef Pro en onder a BW, en overwogen voornemens te zijn het artikel te vernietigen.
De reactie van partijen
3.4.
[gedaagde sub 1] c.s. is het eens met het voorlopige oordeel van de kantonrechter en het voornemen tot vernietiging van artikel 5.4.
3.5.
[eiseres] is het om meerdere redenen niet eens met het voorlopige oordeel en maakt bezwaar tegen de voorgenomen vernietiging. De bezwaren van [gedaagde sub 1] c.s. worden hierna achtereenvolgens besproken.
Er is sprake van een algemene voorwaarde
3.6.
[eiseres] voert ten eerste aan dat artikel 5.4 niet als algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 aanhef Pro en onder a BW moet worden aangemerkt. Partijen zouden volgens [eiseres] wel over artikel 5.4 hebben onderhandeld. Uit artikel 17 van Pro de overeenkomst volgt namelijk dat [gedaagde sub 1] c.s. door de ondertekening van overeenkomst verklaart kennis te hebben genomen van de inhoud van overeenkomst en zich daarin te hebben verdiept. Bovendien, zo stelt [eiseres] , heeft [gedaagde sub 1] c.s. de overeenkomst op meerdere plaatsen voorzien van (persoons)gegevens en ondertekeningen.
3.7.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat aangenomen moet worden dat artikel 5.4 een beding is dat is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Dat [gedaagde sub 1] c.s. de inhoud van de overeenkomst heeft gelezen en op verschillende plaatsen de (persoons)gegevens van de zoon heeft ingevuld en de overeenkomst heeft ondertekend, betekent nog niet dat artikel 5.4 niet is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en dat daarover daadwerkelijk afzonderlijk is onderhandeld. Daarover heeft [eiseres] niets gesteld en daarvan is ook niets gebleken. Vast staat daarom dat sprake is van een algemene voorwaarde, waarvan de kantonrechter ambtshalve moet toetsen of deze naar Europees recht oneerlijk en naar Nederlands recht onredelijk bezwarend is.
Artikel 5.4 is onredelijk bezwarend
3.8.
[eiseres] stelt ten tweede dat er geen sprake is van een oneerlijk beding. De kosten voor het gehele onderwijsprogramma en het verblijf van de leerling zouden bij aanvang van het schooljaar al zijn gemaakt, en in ieder geval ten tijde van de opzegging van de overeenkomst (zeven maanden na aanvang van het schooljaar). De betaling van het volledige lesgeld is volgens [eiseres] daarom een redelijk loon in de zin van artikel 7:411 lid 1 BW Pro. Bovendien heeft [eiseres] het lesgeld al verminderd met € 10.406,00.
3.9.
De kantonrechter stelt voorop dat het feit dat [eiseres] eigenhandig een korting op het lesgeld heeft gegeven niet kan afdoen aan het oneerlijke karakter van artikel 5.4. Of het beding oneerlijk is, moet worden beoordeeld naar het moment van het sluiten van de overeenkomst. Toen de overeenkomst werd gesloten, bevatte het beding de onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van het lesgeld voor het volledige schooljaar. Dat [eiseres] op een later moment een korting toepast, doet daar niet aan af. [gedaagde sub 1] c.s. stelt terecht dat dit zou afdoen aan de afschrikkende werking van de Richtlijn oneerlijke bedingen.
3.10.
De stelling van [eiseres] dat betaling van het volledige lesgeld in dit geval redelijk is, is onvoldoende onderbouwd. [eiseres] heeft slechts in algemene zin gesteld dat alle kosten voor het onderwijsprogramma en het verblijf van de leerling ten tijde van de opzegging al waren gemaakt. Zij laat echter na dit te concretiseren. Duidelijk is dat [eiseres] bepaalde vaste kosten heeft. Maar denkbaar is net zo goed dat er sprake is van bepaalde variabele kosten zoals voeding, energie, lesmateriaal, verzorging en personeel, en mogelijk kan een vrijgekomen plaats door een andere leerling worden ingenomen. Hierover is geen duidelijkheid gegeven, terwijl artikel 5.4 wel alle kosten volledig bij de consument legt, ongeacht het moment binnen het schooljaar waarop de overeenkomst wordt opgezegd. Zonder nader inzicht in de kosten die door [eiseres] op het moment van opzegging zijn gemaakt, is het niet redelijk om het volledige (bedrijfs)risico van een tussentijdse beëindiging van de overeenkomst onder alle omstandigheden financieel op de consument af te wentelen.
3.11.
[eiseres] verwijst naar een uitspraak van het Hof Amsterdam van 12 april 2016. [1] Dit betreft een vergelijkbare zaak als de zaak van het Hof Den Haag van 8 maart 2016, naar welk arrest de kantonrechter in het tussenvonnis heeft verwezen. [2] Anders dan het Hof Den Haag oordeelde het Hof Amsterdam dat de opdrachtgever wel het volledige lesgeld verschuldigd is. Echter, het hof Amsterdam heeft in het geheel niet getoetst of het annuleringsbeding onredelijk bezwarend is. Bovendien is alleen in de zaak van het Hof Den Haag cassatieberoep ingesteld, waarbij de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand heeft gelaten. [3] De kantonrechter ziet in de uitspraak van het Hof Amsterdam daarom geen aanleiding om van het in het tussenvonnis en dit eindvonnis uiteengezette oordeel af te wijken.
3.12.
De conclusie is dat er door artikel 5.4 geen reële mogelijkheid bestaat tot tussentijdse opzegging van de overeenkomst. Voor het in rekening brengen van het lesgeld van het volledige schooljaar heeft [eiseres] geen voldoende onderbouwde verklaring gegeven. Dit betekent dat het beding in strijd is met (de geest van) artikel 7:408 lid 1 BW Pro en artikel 7:411 BW Pro en daarom oneerlijk en onredelijk bezwarend.
Artikel 5.4 wordt vernietigd, alle vorderingen worden afgewezen
3.13.
Omdat artikel 5.4 onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 aanhef Pro en onder a BW, zal de kantonrechter overgaan tot vernietiging daarvan. Dit betekent dat de vordering van [eiseres] op die grond niet toewijsbaar is.
3.14.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter al geoordeeld dat de vordering van [eiseres] subsidiair ook niet toewijsbaar is op grond van artikel 7:411 BW Pro, omdat uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat een professionele partij die ten opzichte van een consument gebruikmaakt van een oneerlijk beding in beginsel geen aanspraak kan maken op loon dat op basis van nationaal recht verschuldigd zou zijn geweest als het oneerlijke beding er niet was geweest. [4]
3.15.
[eiseres] stelt dat de oneerlijkheid van artikel 5.4 niet in de weg staat aan een veroordeling tot betaling op grond van artikel 7:411 BW Pro. Zij heeft echter niet onderbouwd waarom dit zo is en waarom de rechtspraak van het Hof van Justitie niet toegepast hoeft te worden. De enkele stelling dat de jurisprudentie van het hof over het ‘terugvalverbod’ niet eenduidig is, is niet voldoende.
3.16.
De conclusie is dat de vordering van [eiseres] tot betaling van het lesgeld wordt afgewezen. Omdat de hoofdsom wordt afgewezen, worden ook de gevorderde rente en incassokosten als nevenvorderingen afgewezen.
3.17.
[eiseres] heeft ook betaling van de kosten van het door haar gelegde conservatoire beslag gevorderd. Op grond van artikel 706 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kunnen de kosten van de beslagene worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Omdat de vordering waarvoor het beslag is gelegd niet toewijsbaar is, wordt het beslag als onrechtmatig aangemerkt. Dat betekent dat de beslagkosten worden afgewezen.
[eiseres] wordt in de proceskosten veroordeeld
3.18.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 1] c.s. worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.357,50
(2,5 punten × € 543,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.492,50
3.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen af;
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.492,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op
28 januari 2026.
45353

Voetnoten

1.Hof Amsterdam 12 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1419.
2.Hof Den Haag 8 maart 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:486.
3.HR 27 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2775.
4.HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (