Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil tussen een onderwijsinstelling en ouders over de betaling van lesgeld nadat de leerling gedurende het schooljaar de school heeft verlaten. De onderwijsinstelling vordert betaling van het volledige lesgeld op grond van een annuleringsbeding in de overeenkomst.
De kantonrechter oordeelt dat artikel 5.4 van de overeenkomst, dat betaling van het volledige lesgeld voorschrijft bij tussentijdse opzegging, een oneerlijk en onredelijk bezwarend beding is. Dit omdat het geen reële mogelijkheid tot tussentijdse opzegging biedt en het volledige financiële risico op de consument afwentelt, zonder voldoende onderbouwing van de kostenstructuur.
De onderwijsinstelling heeft onvoldoende concreet gemaakt dat alle kosten bij aanvang van het schooljaar zijn gemaakt en dat het volledige lesgeld daarom redelijk is. De kantonrechter vernietigt het beding en wijst de vordering tot betaling van het lesgeld, inclusief rente en incassokosten, af. Ook de kosten van het conservatoire beslag worden afgewezen omdat het beslag onrechtmatig was.
De onderwijsinstelling wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.492,50 en tot betaling van wettelijke rente over deze kosten bij niet-tijdige betaling. Het vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en op 28 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het oneerlijke annuleringsbeding wordt vernietigd en de vordering tot betaling van het volledige lesgeld wordt afgewezen.