ECLI:NL:RBMNE:2026:4193

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
C/16/601153 / HA ZA 25-517
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:850 BWArt. 6:83 BWArt. 6:7 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering borgtocht en gedogen uitwinning gemeenschap van goederen

Eiseres, een vennootschap naar Duits recht, vordert betaling van een borgtochtbedrag van €40.000 van gedaagde sub 1, die borg stond voor vorderingen op een failliet verklaard bedrijf. Tevens vordert zij dat gedaagde sub 2, echtgenote van gedaagde sub 1, de tenuitvoerlegging op de gemeenschap van goederen duldt.

De rechtbank oordeelt dat de borgstelling rechtsgeldig is en dat de vordering niet prematuur is, ondanks dat het faillissement nog niet is afgewikkeld. De borg is gehouden tot betaling van het maximumbedrag van €40.000, ongeacht de resterende looptijd van de borgtocht. De vordering van eiseres bedraagt minimaal dit bedrag.

Daarnaast wordt de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van €1.175 toegewezen, evenals de beslagkosten en proceskosten. De rechtbank verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders gevorderde af.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt gedaagde sub 1 tot betaling van €40.000 borgtocht en gedaagde sub 2 tot gedogen van uitwinning van de gemeenschap van goederen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/601153 / HA ZA 25-517
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
de vennootschap naar Duits recht
[eiseres] GMBH,
gevestigd in [vestigingsplaats] (Duitsland),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. P.J.M. Gerritsen,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
beiden wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
gedaagde partijen,
advocaat: onttrokken.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 14 januari 2026;
- de akte vermeerdering van eis van [eiseres] .
1.2
De voormalige advocaat van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (hierna samen te noemen: [gedaagden] ) heeft zich op 13 mei 2025 onttrokken en er heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld. De voormalige advocaat van [gedaagden] heeft hen op 13 mei 2025 op verzoek van de rechtbank bericht dat de mondelinge behandeling op 20 mei 2026 door zou gaan.
1.3
Op 20 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren de heer [A] namens [eiseres] en de advocaat van [eiseres] aanwezig. [gedaagden] zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. De advocaat van [eiseres] heeft spreekaantekeningen voorgedragen, deze heeft de rechtbank toegevoegd aan het dossier.
1.4
Daarna is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiseres] heeft een beroep gedaan op een door [gedaagde sub 1] afgegeven borgstelling voor vorderingen van [eiseres] op [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) waarvan [gedaagde sub 1] middellijk bestuurder en aandeelhouder is. Doordat [bedrijf] failliet is verklaard kan zij niet meer aan haar betalingsverplichtingen voldoen. In deze procedure vordert [eiseres] dat [gedaagde sub 1] het maximumbedrag van de borg van € 40.000,- aan haar betaalt. Daarnaast vordert zij dat [gedaagde sub 2] (de echtgenote van [gedaagde sub 1] ) de tenuitvoerlegging van het vonnis op de gemeenschap van goederen tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] duldt. De rechtbank wijst beide vorderingen toe.

3.De beoordeling

[gedaagde sub 1] heeft zich als borg gesteld voor de vorderingen van [eiseres] op [bedrijf]
3.1
Op 18 december 2023 zijn [gedaagde sub 1] en [eiseres] een overeenkomst van borgtocht (hierna: de overeenkomst) aangegaan. In de overeenkomst is onder andere bepaald dat [gedaagde sub 1] borg staat voor alle huidige en toekomstige vorderingen van [eiseres] op [bedrijf] tot een maximumbedrag van € 40.000,-. Dit zijn zij overeengekomen omdat [bedrijf] en [eiseres] hadden afgesproken dat [eiseres] het betalingsverkeer voor verschillende leveringen van contractleveranciers aan [bedrijf] overnam. [1] Dit hield in dat [eiseres] de facturen van de leveranciers betaalde en daarna betalingsverzoeken voor die facturen stuurde aan [bedrijf] .
De borgstelling kan worden aangesproken door [eiseres]
3.2
[eiseres] kon een beroep doen op de borgstelling, want in artikel 1 van Pro de overeenkomst staat dat de borg gehouden is tot nakoming als de handelspartner ( [bedrijf] dus) tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen tegenover [eiseres] . Dat is het geval, want [bedrijf] is op 2 september 2025 failliet verklaard en zij had op dat moment verschillende betalingsverzoeken van [eiseres] nog niet betaald. Ook had [eiseres] op dat moment verschillende facturen nog niet doorbelast aan [bedrijf] , dus deze bedragen was [bedrijf] op dat moment ook nog verschuldigd aan [eiseres] .
De vordering van [eiseres] is niet prematuur
3.3
Volgens [gedaagden] is de vordering van [eiseres] prematuur, want het faillissement van [bedrijf] is nog niet afgewikkeld en het is hun verwachting dat de curator ook nog een gedeelte van de vordering van [eiseres] zal voldoen. Deze stelling van [gedaagden] gaat niet op. Dat het faillissement nog niet is afgewikkeld betekent namelijk niet dat [eiseres] daarop moet wachten voordat zij een beroep kan doen op de borgstelling. Met het aangaan van de borgtocht neemt de borg het risico dat als de hoofdschuldenaar om welke reden dan ook zijn verplichtingen tegenover de schuldeiser ( [eiseres] ) niet nakomt, dat de schuldeiser dan de borg kan aanspreken.
[bedrijf] is in verzuim
3.4
[bedrijf] is in ieder geval vanaf de datum van haar faillissement in verzuim. Omdat [bedrijf] in staat van faillissement is verklaard, mocht [eiseres] ervan uitgaan dat [bedrijf] in de nakoming van de verbintenis zou gaan tekortschieten. [2] Dit geldt zowel voor het betalen van de al verstuurde betalingsverzoeken als voor de betaalde facturen waarvoor [eiseres] nog geen betalingsverzoeken aan [bedrijf] had gestuurd.
[eiseres] hoefde geen mededeling aan [gedaagde sub 1] te doen
3.5
Omdat [bedrijf] failliet is gegaan, was zij van rechtswege in verzuim op grond van artikel 6:83 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarom hoefde [eiseres] [bedrijf] niet in gebreke te stellen en ook geen mededeling daarvan te doen aan [gedaagde sub 1] .
De borgstelling geldt voor € 40.000 van de vordering van [eiseres] op [bedrijf]
3.6
Volgens [gedaagden] moet de overeenkomst zo worden uitgelegd dat de borg maar voor 3/24e van het maximumbedrag geldt, want op 4 september 2025 beroept [eiseres] zich op de borg en op dat moment resteren nog maar drie maanden van de twee jaar waarvoor de borgstelling is afgegeven. De rechtbank volgt [gedaagden] hierin niet. Het artikel over de hoogte van de borgtocht (artikel 1 van Pro de overeenkomst) luidt namelijk als volgt:

De borg verbindt zich bij deze jegens [eiseres] als borg, zulks tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen [eiseres] van de handelspartner te vorderen heeft of te vorderen zal hebben uit
hoofde van de in de considerans genoemde overeenkomst(en), zulks evenwel tot een
maximumbedrag van € 40.000,-.” Volgens de rechtbank is de tekst van de overeenkomst duidelijk en zijn er geen aanknopingspunten voor een andere uitleg. Nergens blijkt uit dat het maximumbedrag van € 40.000,- afneemt naar mate de periode van twee jaar verstrijkt. [gedaagden] heeft ook geen enkel ander aanknopingspunt voor deze uitleg aangedragen.
De vordering van [eiseres] is minimaal € 40.000,-
3.7
De rechtbank stelt vast dat de vordering van [eiseres] op [bedrijf] minimaal € 40.000,- is. Ter zitting heeft [eiseres] gesteld dat nog een bedrag van € 1.199,52 voor de bonus op het gevorderde bedrag in mindering strekt. Volgens [eiseres] resteert daardoor een vordering op [bedrijf] van in totaal € 59.359,85. [3] [gedaagden] heeft de hoogte van de vordering betwist en een aantal posten genoemd die nog op de vordering in mindering strekken. [eiseres] heeft op de mondelinge behandeling deze betwisting per post voldoende onderbouwd weerlegd. Hoe dan ook is niet gebleken dat meer dan (het verschil) € 19.359,85 op de vordering op [bedrijf] in mindering kan worden gebracht. Dit leidt tot de conclusie dat de vordering minimaal € 40.000,- is en dat [eiseres] dit bedrag dus van de borg kan vorderen.
Een tweede borgstelling is niet van belang voor de aanspraak die [eiseres] kan maken
3.8
Dat een tweede persoon (de heer Neggers) zich ook als borg heeft gesteld, is – anders dan [gedaagden] suggereert – niet relevant voor de aanspraak die [eiseres] kan maken op de borgtocht. Er is sprake van hoofdelijke verbondenheid zodat [eiseres] tegenover zowel [gedaagde sub 1] als de heer Neggers recht heeft op nakoming van het geheel. [4] Daarnaast heeft [eiseres] op de mondelinge behandeling verklaard dat de andere borg ook nog niets heeft betaald en dat zij in totaal ook niet meer dan € 40.000,00 van beide borgen zal vorderen.
[gedaagde sub 2] moet gedogen dat de gemeenschap van goederen wordt uitgewonnen
3.9
De rechtbank zal de vordering van [eiseres] dat [gedaagde sub 2] moet gedogen dat de gemeenschap van goederen wordt uitgewonnen door [eiseres] toewijzen. [gedaagden] heeft daar ook geen verweer tegen gevoerd.
[gedaagde sub 1] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.1
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Volgens [gedaagden] moet deze vordering worden afgewezen, want in artikel 1 van Pro de overeenkomst is bepaald dat het maximumbedrag van € 40.000,00 inclusief bijkomende renten en kosten is. De rechtbank is dit niet met [gedaagden] eens. In artikel 7 van Pro de overeenkomst is namelijk toegelicht wat met kosten wordt bedoeld:

Onder de kosten welke ten laste van de borg komen, zijn mede begrepen alle eventuele invorderings- en proceskosten, welke door [eiseres] ten laste van de handelspartner kunnen worden gebracht, met dien verstande dat proceskosten slechts ten laste van de borg gebracht kunnen worden, indien deze uiterlijk zes weken voor het aanhangig maken van de zaak door mededeling van het voornemen daartoe in de gelegenheid is gesteld deze kosten te voorkomen.
Hieruit blijkt dat alleen de kosten die [eiseres] ten opzichte van [bedrijf] heeft gemaakt, inbegrepen zijn bij het maximumbedrag. De kosten die [eiseres] heeft gemaakt ten opzichte van [gedaagde sub 1] in verband met de borgstelling vallen dus niet onder dit artikel en moet [gedaagde sub 1] dus wel betalen.
3.11
De vordering voor de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 1.175,00 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, want [eiseres] heeft niet gesteld dat zij de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan die datum heeft geleden.
De wettelijke rente over de vordering wordt vanaf 18 september 2025 toegewezen
3.12
Volgens [gedaagden] moet ook de gevorderde wettelijke rente worden afgewezen omdat in artikel 7 van Pro de overeenkomst is bepaald dat het maximumbedrag inclusief rente zou zijn. De rechtbank is dit niet met hem eens. [eiseres] mag boven op haar vordering ook rente vorderen, want in artikel 7:856 en Pro 7:859 lid 2 BW staat dat de verschuldigde rente en kosten ongeacht het maximumbedrag van de borgstelling kunnen worden gevorderd. Het gaat daarbij wel alleen om de rente over het tijdvak dat [gedaagde sub 1] zelf in verzuim is. Dat is hij vanaf 18 september 2025. Op 4 september 2025 heeft [eiseres] namelijk aan [gedaagde sub 1] een brief gestuurd en hem een termijn van twee weken gegeven om tot betaling van de vordering over te gaan en dat is niet gebeurd.
[gedaagden] moet de beslagkosten betalen
3.13
[eiseres] vordert [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 380,66 voor kosten deurwaardersexploten, € 714,00 voor griffierecht en € 1.290,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 1.290,00), totaal € 2.384,66.
[gedaagden] moet de proceskosten van [eiseres] betalen
3.14
[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,16
- griffierecht
2.281,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.172,16
[gedaagde sub 1] moet de wettelijke rente betalen over de beslagkosten en proceskosten betalen
3.15
De rechtbank zal de wettelijke rente over de beslagkosten en proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.16
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 40.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 september 2025, tot de dag van volledige betaling;
4.2
bepaalt dat [gedaagde sub 2] dient te gedogen dat ook de aan haar toebehorende helft van de tot de gemeenschap van goederen tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zal worden uitgewonnen, teneinde uit de opbrengst daarvan de vordering van [eiseres] op [gedaagde sub 1] te voldoen;
4.3
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.175,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.4
veroordeelt [gedaagden] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.384,66, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
4.5
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 5.172,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van deze uitspraak zijn betaald,
4.7
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.8
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.L. Poort-Gleusteen en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
TS5596

Voetnoten

1.Zie de tussen partijen overeengekomen deelneming aan het centrale factuurregelingssysteem, productie 2 bij de dagvaarding
2.Artikel 6:83 onder Pro c van het Burgerlijk Wetboek
3.In de dagvaarding stelde [eiseres] dat haar vordering op [bedrijf] € 60.559,37 was, maar op dat moment was nog niet bekend dat daarop nog € 1.199,52 aan bonus in mindering moest komen.
4.Artikel 6:7 van Pro het Burgerlijk Wetboek