ECLI:NL:RBMNE:2026:420

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
C/16/604615 / KG ZA 25-638
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing geldvordering wegens niet tijdige opzegging en restitutierisico in softwareonderhoudsovereenkomst

In deze kort geding procedure staat centraal of Rabobank de overeenkomst met eiseres voor softwareonderhoud en ondersteuning tijdig heeft opgezegd. Eiseres stelt dat dit niet het geval is en vordert betaling van de kosten voor 2026. Rabobank betwist dit en voert onder meer aan dat er sprake is van een restitutierisico.

De voorzieningenrechter overweegt dat bij toewijzing van een geldvordering in kort geding terughoudendheid geboden is en dat aannemelijkheid, spoedeisendheid en restitutierisico moeten worden beoordeeld. Eiseres voldoet niet aan deze vereisten, vooral omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij het gevorderde bedrag kan terugbetalen indien zij in een bodemprocedure verliest.

Daarnaast is onduidelijk of een schriftelijkheidsvereiste geldt voor de opzegging van de overeenkomst. Rabobank heeft aannemelijk gemaakt dat er al mondelinge mededelingen over beëindiging zijn gedaan. Gezien het restitutierisico en de onduidelijkheid over de opzegging wordt de vordering afgewezen.

Eiseres wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Rabobank. Het vonnis is gewezen door voorzieningenrechter J.G. van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de geldvordering af wegens niet tijdige opzegging en aanwezig restitutierisico.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/604615 / KG ZA 25-638
Vonnis in kort geding van 23 januari 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[eiseres] PTE . LTD,
te [locatie] , [postcode] ( [.] ),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. C.H. Hartsuiker,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaat: mr. V. van Druenen en mr. W. Weijland.

1.De procedure

1.1.
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding en 7 producties,
- de conclusie van antwoord en 11 producties,
- de pleitnota van Rabobank.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 9 januari 2026 plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en op vragen van de voorzieningenrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. De voorzieningenrechter heeft meegedeeld dat uiterlijk op 23 januari 2026 uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

Partijen verschillen van mening over de vraag of Rabobank de overeenkomst met [eiseres] , om onderhoud van en ondersteuning bij de software te leveren, tijdig heeft opgezegd. Volgens [eiseres] is dat niet het geval en moet Rabobank daarom de kosten voor het onderhoud en de ondersteuning ook voor het jaar 2026 betalen. [eiseres] krijgt in deze procedure ongelijk en in dit kort geding wordt niet beslist dat Rabobank de factuur voor 2026 moet betalen.

3.De beoordeling

Verzoek om aanhouding in verband met mediation is vervallen.
3.1.
Partijen hebben in de Development/licensing of software and Maintenance agreement (hierna: Master Agreement) vastgelegd dat zij een geschil over die overeenkomst eerst via mediation bij de Stichting Geschillenoplossing Automatisering zullen proberen op te lossen. Rabobank heeft de voorzieningenrechter daarom verzocht om het kort geding aan te houden totdat [eiseres] haar verplichtingen uit die mediation clausule is nagekomen. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft Rabobank echter besloten om dit verzoek te laten vallen. Dit hoeft dan ook niet beoordeeld te worden.
Toetsingskader van een geldvordering in kort geding
3.2.
Bij toewijzing van een geldvordering in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is. Dat houdt in dat de voorzieningenrechter moet beoordelen of:
  • voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen
  • er sprake is van dusdanige spoed dat een beslissing van de bodemrechter niet afgewacht kan worden
  • aannemelijk is dat eiser het gevorderde bedrag terug zal kunnen betalen als de bodemrechter in het nadeel van eiser beslist
[eiseres] voldoet niet aan de vereisten voor toewijzing van een geldvordering in kort geding
Er bestaat een restitutierisico
3.3.
Het meest concrete verweer van Rabobank richt zich op het restitutierisico. De voorzieningenrechter is met Rabobank eens dat er een grote kans bestaat dat [eiseres] niet in staat zal zijn om het bedrag dat zij van Rabobank vordert terug te betalen als zij in een bodemprocedure ongelijk zou krijgen. [eiseres] heeft namelijk tijdens de zitting gezegd dat zij het gevorderde bedrag nodig heeft om de salarissen van haar personeel te betalen en dat haar onderneming niet heel winstgevend is en min of meer break-even draait. [eiseres] zal een eventueel door Rabobank te betalen bedrag dus onmiddellijk aanwenden om haar organisatie draaiende te houden. Er zal dan weinig tot niets overblijven voor het geval zij Rabobank terug moet betalen.
3.4.
Alleen al omdat er een reëel restitutierisico aanwezig is, kan de geldvordering van [eiseres] niet worden toegewezen.
Het is niet voldoende aannemelijk dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen
3.5.
Op 18 augustus 2011 hebben partijen de Master Agreement gesloten en in aanvulling daarop zijn zij op 26 juli 2022 het Amendment to agreement [....] (hierna: Amendment) overeengekomen. Aanleiding voor dit amendement was dat [eiseres] bezig was met het ontwikkelen van het nieuwe softwareprogramma [naam 1] dat het door Rabobank gebruikte programma [naam 2] zal vervangen.
3.6.
In de dagvaarding doet [eiseres] een beroep op de drie maanden opzegtermijn van artikel 2.2 van het Amendment. Die termijn wijkt af van de beëindigingstermijn van één maand, zoals opgenomen in artikel 4.4.4 van de Master Agreement. In het Amendment is de drie-maanden- termijn in de plaats gekomen van de één-maand-termijn. Zowel artikel 2.2 van het Amendment als artikel 4.4.4 van de Master Agreement bevatten geen eisen waaraan de opzegging moet voldoen.
In randnummer 4.4 van haar conclusie van antwoord stelt Rabobank expliciet dat er geen vormvereisten gelden voor beëindiging van de door haar opgezegde support en maintenance.
3.7.
Op een vraag van de voorzieningenrechter over de vormvereisten die gelden voor opzegging heeft [eiseres] niet meer gezegd dan dat op grond van de Master Agreement voor opzegging een schriftelijkheidsvereiste geldt. In artikel 1.6.4 van de Master Agreement staat wel
: “termination or dissolution takes place by registered letter”. Maar, [eiseres] heeft niet uitgelegd of de schriftelijkheidseis van dit artikel ook betrekking heeft op ‘cancellation’ als bedoeld in artikel 4.4.4. van dezelfde overeenkomst. Hoe de bodemrechter zal oordelen over de vraag of er een schriftelijkheidsvereiste geldt voor het beëindigen van maintenance en support kan de voorzieningenrechter niet goed beoordelen, omdat onduidelijk is gebleven wanneer er precies een schriftelijke opzegging vereist is. Dat komt doordat [eiseres] zich daar onvoldoende over heeft uitgelaten. Als er geen schriftelijkheidsvereiste geldt, dan heeft Rabobank aannemelijk gemaakt dat er al in december 2024 en juli/augustus 2025 gesprekken zijn gevoerd waarin de beëindiging van maintenance en service mondeling is meegedeeld. Naast het aanwezige restitutierisico is dus ook dit een reden om de geldvordering van [eiseres] in kort geding niet toe te wijzen. Ook niet in de vorm van een lager voorschot.
[eiseres] moet de proceskosten van Rabobank betalen
3.8.
[eiseres] krijgt in deze procedure ongelijk en moet daarom de proceskosten van Rabobank betalen. De proceskosten aan de kant van Rabobank worden begroot op:
- griffierecht € 7.062,00
- salaris advocaat € 1.107,00 (tarief gemiddelde zaak)
- nakosten
€ 178,00(plus eventueel de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 8.347,00

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
wijst de vorderingen af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 8.347,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als zij niet tijdig aan die veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, wordt daar € 92,00 bij opgeteld,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren als voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G. Delissen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.