ECLI:NL:RBMNE:2026:4201

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
C/16/595016 / HL ZA 25-157 en C/16/603436 / HL ZA 25-304
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:23 lid 1 BWArt. 6:127 lid 2 BWArt. 6:136 BWArt. 7:752 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling facturen airconditioningsinstallaties wegens niet-opeisbaarheid

In deze civiele zaak vordert eiser betaling van onbetaalde facturen ter zake geleverde airconditioningsinstallaties aan gedaagde partij. Gedaagde stelt dat de facturen nog niet opeisbaar zijn vanwege een afspraak dat betaling zou worden uitgesteld totdat de verbouwingskosten van een woning waren vastgesteld en verrekend.

De rechtbank stelt vast dat partijen inderdaad een afspraak hebben gemaakt dat de facturen pas opeisbaar zouden worden na afronding van de verbouwing en vaststelling van de kosten. Omdat hierover onduidelijkheid bestaat en geen nadere specificatie of facturen zijn verstrekt, kan de rechtbank de vordering niet toewijzen. De tegenvordering van gedaagde wordt afgewezen omdat deze reeds is verrekend.

De rechtbank adviseert partijen om in overleg te treden, eventueel met mediation, om de hoogte van de verbouwingskosten vast te stellen. De proceskosten worden verdeeld conform de uitkomst van de hoofdzaak en de vrijwaringszaak. De vorderingen in de vrijwaringszaak worden afgewezen omdat de hoofdvordering faalt.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot betaling van de facturen af omdat deze nog niet opeisbaar zijn en wijst ook de tegenvordering en vrijwaringsvordering af.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer hoofdzaak: C/16/595016 / HL ZA 25-157 en zaaknummer vrijwaringszaak:
C/16/603436 / HL ZA 25-304
Vonnis van 1 juli 2026 (bij vervroeging)
in de hoofdzaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. S.K. Tuithof,
tegen
[procesdeelnemer],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [procesdeelnemer] ,
advocaat: mr. L.T. Lonis,
en
in de vrijwaringszaak van
[procesdeelnemer],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [procesdeelnemer] ,
advocaat: mr. L.T. Lonis,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. S.K. Tuithof.

1.De procedure in de hoofdzaak

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 5 november 2025;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 6 tot en met 14;
- de mondelinge behandeling van 8 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van [eiser] ;
- de spreekaantekeningen van [procesdeelnemer] .
1.2
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.

2.De procedure in de vrijwaringszaak

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 november 2025 met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling van 8 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van [eiser] ;
- de spreekaantekeningen van [procesdeelnemer] .
2.2
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.

3.De kern van de zaak

3.1
[eiser] heeft airconditioningsinstallaties aan [procesdeelnemer] geleverd. [procesdeelnemer] heeft de facturen die daarbij horen nog niet betaald. In de hoofdzaak vordert [eiser] dat de facturen alsnog worden betaald, plus rente en kosten. [procesdeelnemer] is het hier niet mee eens. Zij stelt dat zij de woning van [gedaagde] heeft verbouwd en dat de kosten daarvan verrekend kunnen worden met de vordering van [eiser] . Ook stelt [procesdeelnemer] dat de vordering van [eiser] nog niet opeisbaar is. Mocht [procesdeelnemer] toch worden veroordeeld tot betaling, dan vraagt zij in de vrijwaringszaak dat [gedaagde] dit bedrag aan haar terugbetaalt. De rechtbank oordeelt dat de vorderingen van [eiser] nog niet opeisbaar zijn en wijst deze daarom af. Daardoor wordt ook de vordering van [procesdeelnemer] tegen [gedaagde] in de vrijwaringszaak afgewezen. In de hoofdzaak heeft [procesdeelnemer] een tegenvordering tot betaling van een factuur ingesteld. [eiser] zegt deze factuur al verrekend te hebben. Dit verweer slaagt, waardoor ook de tegenvordering van [procesdeelnemer] wordt afgewezen.

4.De beoordeling

In de hoofdzaak in conventie
De verkapte conclusie van repliek van [eiser]
4.1
[procesdeelnemer] heeft erop gewezen dat [eiser] in de conclusie van antwoord in reconventie is ingegaan op de zaak in conventie en dat dit een verkapte conclusie van repliek betreft. [procesdeelnemer] verzoekt de rechtbank dit onderdeel buiten beschouwing te laten.
4.2
De rechtbank constateert dat [eiser] in de conclusie van antwoord in reconventie inderdaad uitgebreid is ingegaan op de zaak in conventie, terwijl zij daartoe niet in de gelegenheid is gesteld. Dit is in strijd met de goede procesorde. De rechtbank zal hier echter geen gevolgen aan verbinden, omdat de vorderingen van [eiser] al worden afgewezen.
Er staat € 147.838,00 aan onbetaalde facturen open
4.3
[eiser] heeft in de jaren 2021 tot en met 2023 meerdere airconditioninginstallaties aan [procesdeelnemer] geleverd. Zij wil dat [procesdeelnemer] de hierbij behorende facturen van in totaal € 147.838,00 betaalt.
4.4
De rechtbank zal eerst duidelijkheid scheppen over de hoogte van de openstaande facturen. [procesdeelnemer] heeft daar namelijk vraagtekens bij gesteld. Zo wijst zij erop dat factuur 2021-1709 in de producties driemaal is overgelegd. Dat betekent echter nog niet dat [eiser] deze factuur ook (drie)dubbel heeft meegeteld bij het berekenen van het openstaande bedrag. Uit onderstaand overzicht blijkt dat dit niet het geval is. Verder voert [procesdeelnemer] aan dat op de factuur met nummer 2021-0770 van 22 april 2021 ‘reeds voldaan’ staat vermeld. [eiser] vordert echter geen betaling van deze factuur.
4.5
De rechtbank heeft hieronder alle facturen op een rij gezet en komt opgeteld tot het gevorderde bedrag van € 147.838,00:
4.6
Factuur 2021-2238 van € 9.000,00 is niet overgelegd. Ter zitting heeft de rechtbank de heer [B] (hierna: [B] ), middellijk bestuurder van [procesdeelnemer] , gevraagd of hij de hoogte van de gevorderde facturen betwist. Daarop heeft hij ontkennend geantwoord. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat ook deze factuur nog niet is betaald. De conclusie is dat er € 147.838,00 aan onbetaalde facturen openstaat.
De facturen zijn nog niet opeisbaar
4.7
[procesdeelnemer] doet een beroep op verrekening. Zij stelt dat [eiser] haar in 2021 heeft gevraagd om de woning van [gedaagde] , middellijk bestuurder van [eiser] , te verbouwen. De kosten zouden op basis van regie in rekening worden gebracht. Volgens [procesdeelnemer] is daarbij afgesproken dat de verbouwingskosten worden verrekend met de vorderingen die [eiser] op haar heeft en waarvan zij in deze procedure betaling vordert. [procesdeelnemer] heeft daarmee ingestemd tot een bedrag van € 147.838,00. Na verrekening met de verbouwingskosten heeft [eiser] volgens [procesdeelnemer] niets meer te vorderen. Verder heeft [procesdeelnemer] in randnummer 24 van de conclusie van antwoord in conventie en ook tijdens de mondelinge behandeling de opeisbaarheid van de facturen van [eiser] betwist.
4.8
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank partijen gevraagd naar de afspraken over de verbouwing van de woning van [gedaagde] , de kosten daarvan en de relatie met (de betaling van) de facturen van [eiser] . Duidelijk is geworden dat de heer [A] (hierna: [A] ), de tweede middellijk bestuurder van [eiser] , hier met [B] over heeft gesproken. [A] heeft verklaard dat van [procesdeelnemer] niet kon worden verwacht dat zij al wel vast voor de airco’s betaalde, terwijl de verbouwingskosten pas achteraf aan [procesdeelnemer] zouden worden betaald. In dat verband heeft [A] verder verklaard dat hij tegen [B] heeft gezegd dat [procesdeelnemer] kon beginnen met de verbouwingswerkzaamheden, dat [eiser] ‘wat rekeningen laat wachten’ totdat men weet hoe hoog de verbouwingskosten zouden zijn, dat [eiser] voor € 145.000,00 aan rekeningen ‘achter zou houden’, dat [procesdeelnemer] na de verbouwing een rekening zou sturen en dat men er daarna wel uit zou komen. Op de vraag van de rechter tot wanneer de facturen van [eiser] zouden worden uitgesteld, heeft [A] geantwoord dat daarover niet is gesproken.
4.9
Uit deze verklaringen van [A] volgt naar het oordeel van de rechtbank dat partijen hebben afgesproken dat de facturen van [eiser] pas opeisbaar zouden worden zodra de verbouwing was afgerond en de hoogte van de verbouwingskosten waren vastgesteld. [A] en [B] zijn er kennelijk van uitgegaan dat zij het na de verbouwing wel eens zouden worden over die kosten, maar in de praktijk pakte dat anders uit. [eiser] vindt dat [procesdeelnemer] te veel werkzaamheden in rekening heeft gebracht tegen te hoge kosten. Omdat er nog geen duidelijkheid bestaat over de hoogte van de verbouwingskosten, zijn de facturen van [eiser] – zoals partijen hebben afgesproken – nog niet opeisbaar.
4.1
[eiser] verwijt [procesdeelnemer] dat zij nooit facturen voor de verbouwing heeft gestuurd. Vast staat echter wel dat [B] in 2022 een nacalculatiestaat en enkele rekeningen aan [A] heeft getoond. [A] verklaart daar ‘niets mee te kunnen’. Als [eiser] echter wilde dat haar facturen opeisbaar zouden worden, dan moest er eerst duidelijkheid komen over de hoogte van de aanneemsom. Was de nacalculatiestaat voor [eiser] onduidelijk, dan had zij [procesdeelnemer] om facturen en/of een nadere specificatie moeten vragen, zodat overleg over de hoogte van de aanneemsom mogelijk was. Niet gebleken is dat dit is gebeurd. In de periode 2022 tot 2025 hebben partijen niet meer gesproken over de verbouwingskosten en de openstaande facturen van [eiser] , terwijl zij in die tijd nog wel zakelijke contacten onderhielden en [procesdeelnemer] andere facturen van [eiser] wel betaalde. Dat het geduld van [eiser] in 2025 opraakte en zij [procesdeelnemer] voor het eerst aanmaande tot betaling, is begrijpelijk, maar strookt niet met de gemaakte afspraken tussen partijen.
De vorderingen van [eiser] worden afgewezen
4.11
De conclusie is dat de vordering van [eiser] tot betaling van de openstaande facturen van € 147.838,00 nog niet opeisbaar is. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten.
Het verrekeningsverweer van [procesdeelnemer]
4.12
Omdat de vordering van [eiser] wordt afgewezen, hoeft het verrekeningsverweer van [procesdeelnemer] niet besproken te worden.
4.13
Dit verrekeningsverweer zou overigens ook niet slagen, omdat er (onder meer) onduidelijkheid bestaat over de hoogte van de aanneemsom. [eiser] heeft de hoogte van de bouwkosten van € 147.838,00 gemotiveerd betwist. De rechtbank kan in deze procedure, bijna vijf jaar na de verbouwing en bij betwisting door de wederpartij, de hoogte van de bouwkosten niet op eenvoudige wijze vaststellen. Daarvoor zou een debat moeten plaatsvinden over de vraag welke werkzaamheden er precies zijn uitgevoerd en welke prijs (aanneemsom) daarvoor moet worden betaald. Vervolgens zou er eventueel bewijslevering moeten plaatsvinden en/of een deskundige moeten worden benoemd. Bovendien moet de rechter, in het geval een consument als opdrachtgever heeft te gelden, ambtshalve toetsen of het Europese consumentenrecht is nageleefd en zo nodig een sanctie toepassen (korting op de aanneemsom). Daarvoor is in deze procedure geen ruimte. Omdat de gegrondheid van het verrekeningsverweer daarom niet op eenvoudige wijze is vast te stellen, kan de rechtbank dit verweer op grond van artikel 6:136 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) passeren. Dit zou anders zijn als [procesdeelnemer] een tegenvordering tot betaling van de aanneemsom had ingesteld, maar dat heeft zij niet gedaan.
Hoe nu verder?
4.14
De rechtbank begrijpt dat de uitkomst van deze procedure voor beide partijen onbevredigend is. [gedaagde] en [A] hebben tijdens de zitting aangegeven dat zij wel voor de verbouwing willen betalen, en dat zij het niet redelijk vinden als er niets wordt betaald. Zij willen echter dat de hoogte van de verbouwingskosten eerst op de juiste wijze wordt vastgesteld.
4.15
De rechtbank geeft partijen in overweging opnieuw met elkaar in overleg te treden over de hoogte van de verbouwingskosten. Zij kunnen daarvoor eventueel de hulp van een mediator inschakelen. Bij mediation proberen partijen samen een oplossing te vinden onder leiding van een mediator. Mediation kan helpen om een betere oplossing te vinden, omdat er bij mediation aandacht is voor de belangen van beide partijen. Als de mediation slaagt, dan hoeven er geen nieuwe procedures gevoerd te worden.
4.16
Voor het overleg tussen partijen geeft de rechtbank partijen het volgende mee.
4.17
Dat de facturen van [eiser] nog niet opeisbaar zijn, betekent niet dat deze niet meer hoeven te worden betaald. Wel moet eerst de hoogte van de verbouwingskosten worden vastgesteld, zoals partijen hebben afgesproken.
4.18
Voor het bepalen van de hoogte van de verbouwingskosten zullen partijen met elkaar in overleg moeten treden over welke werkzaamheden daadwerkelijk door [procesdeelnemer] in de woning van [gedaagde] zijn uitgevoerd en welke prijs daarbij hoort. Omdat partijen geen vaste prijs hebben afgesproken, bepaalt de wet in artikel 7:752 lid 1 BW Pro dat een redelijke prijs verschuldigd is.
4.19
De rechtbank wijst [procesdeelnemer] erop dat [eiser] zich op artikel 6:23 lid 1 BW Pro kan beroepen als zij niet (voldoende) meewerkt aan het in overleg met [eiser] vaststellen van de verbouwingskosten. In dat geval worden de facturen van [eiser] alsnog opeisbaar, ook zonder dat de verbouwingskosten zijn vastgesteld. [procesdeelnemer] heeft daarom alle belang bij medewerking aan het vaststellen van de aanneemsom en openheid hierover. Doet zij dat niet, dan kan de volledige vordering van [eiser] opeisbaar worden en ligt het risico van de hoogte en betaling van de aanneemsom volledig bij [procesdeelnemer] .
4.2
Partijen zijn het verder niet eens over de vraag of de facturen van [eiser] kunnen worden verrekend met de verbouwingskosten. Dit hangt allereerst af van de vraag wie de contractspartij is bij de aannemingsovereenkomst: [gedaagde] in privé of [eiser] . Voor verrekening is namelijk in beginsel vereist dat [eiser] en [procesdeelnemer] elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn (artikel 6:127 lid 2 BW Pro). Dit betekent dat [eiser] voor een geldig beroep op verrekening de contractspartij van [procesdeelnemer] moet zijn met betrekking tot de verbouwing. Volgens [procesdeelnemer] is dat zo. Tijdens de zitting heeft zij gesteld dat [A] namens [eiser] de opdracht tot verbouwing heeft gegeven. Maar [eiser] betwist dit. Zij heeft tijdens de zitting aangevoerd dat [gedaagde] in privé als opdrachtgever van de verbouwing geldt en dat hij de verbouwingskosten zelf zou betalen, zij het met geld van [eiser] waarmee [gedaagde] een schuld in rekening-courant bij [eiser] zou opbouwen. Als het standpunt van [eiser] klopt, is verrekening in principe niet mogelijk. Artikel 6:127 lid 2 BW Pro is echter van regelend recht, waardoor partijen alsnog kunnen afspreken dat de vordering van [eiser] op [procesdeelnemer] wordt verrekend met de vordering van [procesdeelnemer] op [gedaagde] in privé. De rechtbank begrijpt dat [procesdeelnemer] zich op zo’n afspraak beroept. [eiser] ontkent dat zo’n verrekeningsafspraak is gemaakt, maar er zijn aanwijzingen die het bestaan ervan ondersteunen. Zo heeft [A] tijdens de zitting verklaard dat als hij een (juiste) factuur van [procesdeelnemer] zou hebben gekregen, die factuur verrekend zou worden met de facturen van [eiser] en dat dit binnen [eiser] op de rekening-courant van [gedaagde] zou worden geboekt.
4.21
Als verrekening niet mogelijk is, dan staat dit een oplossing tussen partijen niet in de weg. Zij kunnen ook zonder verrekening zorgen dat elkaars facturen worden betaald. Partijen zijn het er wel over eens dat [eiser] voor de betaling van de verbouwingskosten zou zorgen. Of [eiser] dat namens zichzelf doet of door de gelden daarvoor eerst aan [gedaagde] uit te lenen, maakt voor de betaling zelf geen verschil.
[eiser] moet de proceskosten in conventie betalen
4.22
[eiser] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [procesdeelnemer] worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.820,00
In de hoofdzaak in reconventie
De tegenvordering van [procesdeelnemer] is verrekend en wordt afgewezen
4.23
[procesdeelnemer] heeft een tegenvordering ingesteld. Zij stelt in opdracht van [eiser] haar kantoorruimte te hebben verbouwd. De bijbehorende factuur van 22 juni 2021 van
€ 13.092,00 zou [eiser] niet hebben betaald. [procesdeelnemer] wil dat deze factuur alsnog wordt betaald.
4.24
[eiser] heeft niet betwist dat zij [procesdeelnemer] deze opdracht heeft gegeven en heeft de hoogte van de factuur ook niet betwist. Zij stelt echter dat deze factuur is verrekend met twee facturen van [eiser] , namelijk voor € 12.000,00 met factuur 2021-1937 en voor
€ 1.092,00 met factuur 2021-1709.
4.25
De rechtbank heeft dit verrekeningsverweer tijdens de mondelinge behandeling aan de orde gesteld. [procesdeelnemer] heeft daarbij aangevoerd dat factuur 2021-1709 ook in conventie is gevorderd en dat zij het overzicht kwijt is. De rechtbank merkt op dat factuur 2021-1709 een bedrag van € 12.000,00 betreft en dat een deel daarvan (€ 6.838,00) inderdaad in conventie wordt gevorderd. Er blijft dan echter nog een deel van deze factuur openstaan, waarmee [eiser] de vordering van [procesdeelnemer] voor € 1.092,00 kon verrekenen.
4.26
[procesdeelnemer] heeft verder niets aangevoerd tegen het door [eiser] gevoerde verrekeningsverweer. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de factuur van 22 juni 2021 van € 13.092,00 volledig is verrekend. Dit betekent dat de vordering van [procesdeelnemer] tot betaling van deze factuur wordt afgewezen. Hetzelfde geldt voor de daarover gevorderde handelsrente.
[procesdeelnemer] moet de proceskosten in reconventie betalen
4.27
[procesdeelnemer] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.495,00
In de vrijwaringszaak
4.28
Omdat de vorderingen die [eiser] in de hoofdzaak tegen [procesdeelnemer] heeft ingesteld worden afgewezen, moet dit ook gelden voor de vorderingen tot vrijwaring die [procesdeelnemer] in de vrijwaringszaak tegen [gedaagde] heeft ingesteld.
4.29
[procesdeelnemer] is in de vrijwaringszaak in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.682,00

5.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak in conventie
5.1
wijst de vorderingen af;
5.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 12.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak in reconventie
5.4
wijst de vorderingen af;
5.5
veroordeelt [procesdeelnemer] in de proceskosten van € 1.495,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [procesdeelnemer] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.6
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de vrijwaringszaak
5.7
wijst de vorderingen af;
5.8
veroordeelt [procesdeelnemer] in de proceskosten van € 8.682,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [procesdeelnemer] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.9
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
5274