ECLI:NL:RBMNE:2026:4206

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
12192840 \ AV EXPL 26-22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 7:686a lid 4 onder a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering na beëindiging management- en arbeidsovereenkomst

In deze kortgedingprocedure vordert eiser doorbetaling van loon vanaf 1 januari 2026 op grond van een arbeidsovereenkomst naast een management- en aandeelhoudersovereenkomst. Finex betwist het bestaan van een zelfstandige arbeidsovereenkomst en stelt dat deze per 1 januari 2026 is geëindigd.

De kantonrechter oordeelt dat eiser een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, maar dat het onvoldoende waarschijnlijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de arbeidsovereenkomst na 1 januari 2026 voortduurt. De vaststellingsovereenkomst tussen de aandeelhouders regelt het uittreden van eiser's onderneming en bevat finale kwijting voor alle onderlinge afspraken, waaronder de arbeidsovereenkomst.

Verder is de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Finex per 1 januari 2026 aannemelijk, mede gelet op e-mails waarin de beëindiging van de samenwerking en toegang tot systemen wordt bevestigd. Eiser heeft niet binnen de wettelijke termijn de opzegging aangevochten. De vordering tot doorbetaling van loon wordt daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De loonvordering wordt afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst na 1 januari 2026 voortduurt.

Uitspraak

RECHTBANK Utrecht

Civiel recht
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 12192840 \ AV EXPL 26-22
Vonnis in kort geding van 1 juli 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. L. van de Vrugt,
tegen
FINEX ACCOUNTANTS & ADVISEURS B.V.,
gevestigd in Amersfoort ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Finex ,
advocaat: mr. M. Gerritsen.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 6 van [eiser] ,
- de e-mail met producties 1 tot en met 6 van Finex
- de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 10 juni 2026,
- de pleitnota van Finex ,
1.2
Na afloop van de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen twee weken aangehouden om te onderzoeken of zij overeenstemming konden bereiken over de inhoud van een minnelijke regeling. De gemachtigde van [eiser] heeft de kantonrechter op 15 juni 2026 bericht dat dat niet is gelukt. De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] is de bestuurder en aandeelhouder van [onderneming] . [1] [onderneming] was samen met twee andere besloten vennootschappen aandeelhouder van Finex . [onderneming] heeft in dat verband in 2016 een aandeelhoudersovereenkomst en managementovereenkomst gesloten met Finex . Op grond van de managementovereenkomst heeft Finex maandelijks een managementvergoeding betaald aan [onderneming] voor de werkzaamheden van [eiser] . Op 2 januari 2020 heeft [eiser] ook een arbeidsovereenkomst tussen hem in persoon en Finex getekend om gebruik te kunnen maken van de zogenoemde doorbetaaldloonregeling. Op 1 juli 2025 hebben de drie (middellijk) aandeelhouders van Finex een vaststellings-overeenkomst gesloten waarmee zij afspraken hebben gemaakt over het uittreden van [onderneming] als aandeelhouder per 1 juli 2025. In die overeenkomst staat dat de management -overeenkomst van kracht blijft tot en met 31 december 2025. [eiser] vordert in deze procedure doorbetaling van loon vanaf 1 januari 2026 op grond van een arbeidsovereenkomst vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. Finex betwist dat partijen een zelfstandige arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Zij betwist ook dat zij op grond van de op 2 januari 2020 getekende overeenkomst nog loon verschuldigd is aan [eiser] . De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] af omdat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat corresponderende vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen.

3.De achtergrond

3.1
Finex is een accountantskantoor dat bedrijven ondersteunt met accountancy en financieel en fiscaal advies. De aandelen van Finex waren in handen van drie besloten vennootschappen, waaronder [onderneming] (de besloten vennootschap van [eiser] ). De drie aandeelhouders hebben daarvoor op 16 september 2016 een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. Daarnaast is [onderneming] op 11 oktober 20216 een managementovereenkomst aangegaan met Finex .
3.2
In de managementovereenkomst, waarin met “ [.] B.V.” [onderneming] wordt bedoeld en met “de Vennootschap” Finex , hebben [onderneming] en Finex , voor zover hier relevant, het volgende opgenomen.
Artikel 2: Werkzaamheden Pro
1.
[.] B.V. zal de volgende Werkzaamheden uitvoeren:
a.
het uitoefenen van de functie van bestuurder van de Vennootschap;
b.
het bestuur van de door de Vennootschap gedreven onderneming;
c.
vertegenwoordiging van de Vennootschap in en buiten rechte (…)
d.
werkzaamheden op het gebied van financiële dienstverlening in de meest brede zin des woords;
e.
alle overige uit het bovenstaande dan wel uit de aard van de functie en/of onderneming voortvloeiende werkzaamheden.
(…)
en
Artikel 6: Beloning Pro
1.
De Vennootschap betaalt een maandelijkse vergoeding aan [.] B.V. (hierna de “Managementvergoeding”). De Managementvergoeding bedraagt in eerste instantie € 63.000,00 (…) per jaar, exclusief BTW en is alleen na wederzijds goedvinden te wijzigen.
(…)
3.
De verplichting tot betaling van de Managementvergoeding vervalt indien en zodra Manager gedurende een periode van 26 weken volledig (voor 100%) arbeidsongeschikt is. Indien na 26 weken sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, vervalt de verplichting tot betaling van de Managementvergoeding pro rata naar de mate van arbeidsongeschiktheid.
3.3
Op 2 januari 2020 hebben [eiser] en Finex vervolgens schriftelijk een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met daarin, voor zover hier relevant:
2.1
Werknemer treedt bij Werkgever in dienst in de functie van [functie] .
6.1
Het loon bedraagt ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst € 57.232 bruto per jaar inclusief vakantietoeslag op basis van een 40-urige werkweek.
(…)
6.4
Werkgever zal het loon en eventuele overige vergoedingen, na aftrek van de wettelijk verplichte inhoudingen, iedere kalendermaand voldoen door betaling op de bankrekening van [onderneming] B.V. Deze betaling zal zijn begrepen in de management vergoeding die maandelijks wordt betaald door Werkgever aan [onderneming] B.V [onderneming] B.V. zal op basis van de doorbetaaldloon-regeling zorgdragen voor de afdracht van loonheffingen.
3.4
Op 1 juli 2025 (ondertekend op 28 juli 2025) hebben de aandeelhouders van Finex een vaststellingsovereenkomst gesloten over het uittreden van [onderneming] per 1 juli 2025. In deze vaststellingsovereenkomst (verder: de vaststellingsovereenkomst) hebben de aandeelhouders, voor zover hier relevant, opgenomen dat [onderneming] haar aandelen overdraagt aan de andere aandeelhouders en
4.1.
De managementovereenkomst blijft van kracht tot en met 31 december 2025, met een optie tot verlening. Partij 1, 2, en 3 zullen in november in overleg gaan over voortzetting van de managementovereenkomst.
De managementovereenkomst welke van kracht is tot en met 31 december 2025 is met het ondertekenen van deze Overeenkomst rechtsgeldig opgezegd per die datum.
4.2.
Partij 3 zal zo spoedig mogelijk zorgdragen voor zijn uitschrijving als bestuurder van de Vennootschap uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel conform artikel 7 van Pro de aandeelhoudersovereenkomst. (…)
4.3
Partij 3 ontvangt een managementvergoeding tot en met 31 december 2025 op basis van 32 uur per week conform de huidige managementovereenkomst, te weten € 6.400,00 (…) exclusief omzetbelasting.
en
5. Finale kwijting
5.1
Na volledige uitvoering van deze Overeenkomst verlenen Partijen elkaar finale kwijting ten aanzien van alle rechten en verplichtingen uit hoofde van:
* het aandeelhouderschap;
* de aandeelhoudersovereenkomst;
* de managementovereenkomst; en
* overige onderlinge afspraken die hun oorsprong vinden vóór 1 juli 2025.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1
De kantonrechter moet eerst beoordelen of [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Een vordering in een kort geding kan namelijk alleen worden toegewezen als de eiser daarbij een spoedeisend belang heeft. Hiervan is sprake als een directe voorziening is geboden en de afloop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
[eiser] heeft een spoedeisend belang
4.2
De vordering van [eiser] is een loonvordering. Die is naar haar aard spoedeisend. [eiser] heeft daarbij toegelicht dat hij privé, emotioneel, lichamelijk en financieel schade lijdt doordat het loon niet wordt (door)betaald. Finex betwist desondanks het spoedeisend belang van [eiser] , omdat hij maandelijks € 2.100,00 netto krijgt voor de overdracht van de aandelen. [eiser] heeft toegelicht dat dit geld van en voor zijn B.V. is en hij (dus) geen inkomsten heeft op dit moment. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] hiermee voldoende heeft gesteld dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering.
Het verdere juridische kader
4.3
Voor toewijzing van de vordering van [eiser] in kort geding is vereist dat de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat een corresponderende vordering in een gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Gelet op het voorlopige karakter van de kort geding procedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
De vordering van [eiser] wordt afgewezen
4.4
In deze procedure moet worden beoordeeld of voldoende waarschijnlijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat [eiser] na 1 januari 2026 recht heeft op (door)betaling van loon. De kantonrechter vindt dit onvoldoende waarschijnlijk en wijst daarom de vordering van [eiser] af. De kantonrechter legt dit oordeel hierna uit.
4.5
Tussen partijen is allereerst in geschil of naast de aandeelhoudersovereenkomst en de managementovereenkomst ook een zelfstandige arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Volgens Finex was het destijds niet de bedoeling om een ‘echte’ arbeidsovereenkomst (zoals bedoeld in artikel 7:610 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)) aan te gaan, maar hebben zij destijds een overeenkomst op papier gezet om gebruik te kunnen maken van het lage tarief voor de sociale verzekeringen (de doorbetaaldloonregeling). Bovendien was er geen sprake van gezag, wat wel een wettelijk vereiste is om een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst te kunnen kwalificeren.
4.6
De kantonrechter kan in deze procedure in het midden laten of de arbeidsovereenkomst na het eindigen van de managementovereenkomst kan blijven doorlopen. Finex stelt zich namelijk op het standpunt dat aan een eventuele arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 een einde is gekomen, hetzij door opzegging, hetzij met wederzijds goedvinden door middel van de vaststellingsovereenkomst met finale kwijting. De kantonrechter vindt het aannemelijk dat de bodemrechter dit standpunt volgt. Dat brengt mee dat het onvoldoende waarschijnlijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat [eiser] na 1 januari 2026 recht heeft op (door)betaling van loon.
Opzegging arbeidsovereenkomst door Finex per 1 januari 2026
4.7
Nadat [eiser] , na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, aangaf dat er ook nog een arbeidsovereenkomst was, heeft Finex [eiser] op 12 september 2025 een e-mail gestuurd met daarin “
Zoals eerder besproken eindigen de werkzaamheden tussen jou en ons per 31 december 2025, zoals vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst (artikel 4.1).” en op 23 december 2025 heeft zij een e-mail naar [eiser] gestuurd met daarin “
In overeenstemming met de vaststellingsovereenkomst, ondertekend d.d. 28 juli 2025 artikel 4.1., eindigt de managementovereenkomst. In navolging van deze vaststellingsovereenkomst en de eerdere mededeling beëindigd de samenwerking formeel per 1 januari 2026. De toegang tot de Finex systemen worden dan ook per deze datum beëindigd. (…) Als er nog dossiers thuis liggen en/of opgepakt moeten worden vernemen we dat graag. We zien deze stukken graag tegemoet op kantoor. (…) Nogmaals betreuren we de beëindiging en het bevestigen via de mail (…) We wensen je fijne dagen en hopen dat we in de nabije toekomst met elkaar in harmonie kunnen afspreken. En dat we het afscheid op een gepaste wijze van en met elkaar kunnen doen.”
4.8
Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter had [eiser] deze uitlatingen redelijkerwijs moeten opvatten als een opzegging van de overeenkomst van 2 januari 2020. Weliswaar schrijft Finex niet letterlijk dat zij (ook) deze overeenkomst opzegt, maar bij de beoordeling van de vraag of [eiser] heeft mogen begrijpen dat Finex die overeenkomst heeft opgezegd, komt het niet alleen aan op de bewoordingen van de uitlatingen, maar wegen ook mee de feiten en omstandigheden waaronder die uitlatingen zijn gedaan. Anders dan in geval een werknemer opzegt, hoeft de opzegging van een arbeidsovereenkomst door een werkgever niet middels een duidelijke ondubbelzinnige verklaring te worden gedaan. [2] Dat betekent dat voor de vraag of de werknemer uitlatingen van een werkgever als opzegging heeft mogen begrijpen een lichtere toets geldt dan in geval een werknemer opzegt.
4.9
Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter volgt uit de e-mails duidelijk dat volgens Finex de werkzaamheden tussen “jou en ons” eindigen per 31 december 2025 en Finex niet wenst dat [eiser] op enige manier nog werkzaamheden voor haar verricht. Zij mailt immers dat de toegang tot de systemen per 1 januari 2026 wordt beëindigd en dat [eiser] dossiers die hij nog in zijn bezit heeft moet overdragen. Dat past niet bij een opzegging van alleen de managementovereenkomst, zoals [eiser] stelt, maar wijst op een beëindiging van de samenwerking op ieder vlak. Zonder toegang tot de systemen kan [eiser] immers geen werkzaamheden voor Finex verrichten, ook geen werkzaamheden als [functie] .
4.1
Weliswaar voldoet deze opzegging niet aan de wettelijke vereisten als sprake is van een zelfstandige arbeidsovereenkomst. Dat is tussen partijen niet in geschil, maar Finex voert terecht aan dat [eiser] dan binnen de wettelijke vervaltermijn van twee maanden een verzoek bij de kantonrechter had moeten indienen om de opzegging te vernietigen. [3] Het staat vast dat deze termijn inmiddels is verlopen en [eiser] dit niet heeft gedaan. Dit leidt de kantonrechter tot het oordeel dat niet onaannemelijk is dat een bodemrechter oordeelt dat de gestelde arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 door opzegging is geëindigd.
Einde arbeidsovereenkomst met de finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst
4.11
Het staat vast dat de aandeelhouders in de vaststellingsovereenkomst ten aanzien van het uittreden van [onderneming] zijn overeengekomen dat zij elkaar na volledige uitvoering van de vaststellingsovereenkomst finale kwijting verlenen

ten aanzien van alle rechten en verplichtingen uit hoofde van:
* het aandeelhouderschap;
* de aandeelhoudersovereenkomst;
* de managementovereenkomst; en
* overige onderlinge afspraken die hun oorsprong vinden vóór 1 juli 2025.”
4.12
De overeenkomst van 2 januari 2020 valt naar de letter onder ‘overige onderlinge afspraken’ en daarmee onder de finale kwijting. Finex kan zich dus in beginsel op deze bepaling beroepen. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij tijdens de onderhandelingen over de vaststellingsovereenkomst niet hebben gesproken over deze overeenkomst. Zij hebben dus ook niet afgesproken om deze overeenkomst buiten de finale kwijting te houden. Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter had het op de weg van [eiser] gelegen om tijdens de onderhandelingen expliciet te maken dat hij zijn werkzaamheden na 1 januari 2026 zou voortzetten, hetzij op grond van een verlenging van de managementovereenkomst, hetzij op grond van de overeenkomst van 2 januari 2020. Ook had hij hierover een bepaling in de vaststellingsovereenkomst moeten laten opnemen. Het feit dat in de vaststellingsovereenkomst wel expliciet is opgenomen dat ook finale kwijting wordt verleend ten aanzien van alle rechten en verplichtingen uit hoofde van “overige onderlinge afspraken die hun oorsprong vinden vóór 1 juli 2025” wijst er naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter op dat partijen hebben bedoeld om de samenwerking met [onderneming] op alle vlakken volledig af te wikkelen en daarmee ook een arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Finex te laten eindigen. De kantonrechter heeft daarbij meegewogen dat de getekende arbeidsovereenkomst onlosmakelijk was verbonden met de managementovereenkomst. Het staat namelijk vast dat de werkzaamheden die [eiser] voor Finex verrichtte niet zijn veranderd door de overeenkomst van 2020 én ook dat het loon van [eiser] werd betaald via de managementvergoeding zoals omschreven in de managementovereenkomst. In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat [eiser] tot en met 31 december 2025 een managementvergoeding ontvangt. Onder deze omstandigheden moet de finale kwijting naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter zo worden uitgelegd dat partijen hebben bedoeld ook de al dan niet zelfstandige arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 te laten eindigen.
4.13
Weliswaar heeft Finex , na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst over het uittreden van [onderneming] ook een aparte vaststellingsovereenkomst aangeboden voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, wat erop zou kunnen wijzen dat Finex zich (ook) op het standpunt stelde dat deze niet was geëindigd met de finale kwijting. Finex stelt echter dat zij deze separate vaststellingsovereenkomst heeft opgesteld, omdat [eiser] daarom had verzocht zodat hij een WW-uitkering aan kon vragen bij het UWV. [eiser] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. Onder deze omstandigheden is naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter het feit dat Finex een aparte vaststellingsovereenkomst voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst heeft opgesteld geen aanwijzing dat partijen deze overeenkomst buiten de finale kwijting hebben willen houden.
Conclusie
4.14
Op basis van het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat het onvoldoende waarschijnlijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat [eiser] na 1 januari 2026 recht heeft op (door)betaling van loon. De vordering van [eiser] tot doorbetaling van zijn loon, met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente kan daarom in dit kort geding niet worden toegewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
4.15
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Finex worden begroot op:
- griffierecht
265,00
- salaris advocaat
865,00
- nakosten
144,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.274,00

5.De beslissing

De kantonrechter als voorzieningenrechter en recht doende in kort geding,
5.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.274,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.

Voetnoten

1.[onderneming] B.V.
2.Vgl. HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:111
3.Artikel 7:686a lid 4 onder a BW