ECLI:NL:RBMNE:2026:4207

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
C/16/598596 / HL ZA 25-224
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:9 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens onzakelijke lening en onbehoorlijk bestuur bij Stichting sporthal

De Stichting, exploitant van een sporthal, vordert betaling van een restant onzakelijke lening aan een opvolgend bestuurder, nadat de voormalig bestuurder (penningmeester) en een medebestuurder waren afgetreden. De lening was onzakelijk en maakte het mogelijk dat gelden van de Stichting werden onttrokken.

De rechtbank stelt vast dat de voormalig bestuurder mede de constructie heeft voorbereid en uitgevoerd, in strijd met de statuten en het doel van de Stichting. Hij heeft niet gehandeld zoals een redelijk bestuurder betaamt en persoonlijk een ernstig verwijt getroffen. De aansprakelijkheid volgt uit artikel 2:9 BW Pro.

De schade wordt vastgesteld op € 52.785,13, het restant van de lening na terugbetalingen. De voormalig bestuurder wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 december 2022, en tot betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De voormalig bestuurder is aansprakelijk voor € 52.785,13 plus wettelijke rente en proceskosten wegens onbehoorlijk bestuur en onzakelijke lening.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/598596 / HL ZA 25-224
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de Stichting ,
advocaat: mr. M. Barsoum,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.B. de Jong.

1.De procedure

1.1
In het procesdossier zitten de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 11 juli 2025 met 13 producties,
- de conclusie van antwoord met 4 producties,
- de akte wijziging eis met producties 14 en 15,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 mei 2026,
- de pleitnotities van partijen.
1.2
Op de mondelinge behandeling is gezegd dat uiterlijk op 8 juli 2026 vonnis zal worden gewezen. Het vonnis is eerder gereed en wordt daarom bepaald op vandaag.

2.De zaak in het kort

[gedaagde] is voormalig bestuurder van de Stichting . [gedaagde] heeft geld van de Stichting ten titel van lening overgemaakt naar, onder meer, de bestuurder die hem heeft opgevolgd ( [A] ). De lening was onzakelijk. [A] zelf biedt geen verhaal. Een deel van het aan [A] overgemaakte bedrag is inmiddels terugbetaald. De Stichting houdt [gedaagde] aansprakelijk voor haar schade (het restantbedrag van de lening aan [A] ) en vordert betaling van € 82.785,13, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 december 2022, de beslagkosten en de proceskosten. [gedaagde] betwist dat hij aansprakelijk is. De rechtbank is het niet met [gedaagde] eens. De vordering van de Stichting wordt grotendeels toegewezen.

3.De beoordeling

Wat is er gebeurd?
3.1
De Stichting is op 14 februari 1992 opgericht. Van 1992 tot medio 2022 heeft de Stichting sporthal [naam] (hierna: de Sporthal) in [plaats] geëxploiteerd. De plaatselijke badmintonvereniging en de turnclub maakten gebruik van de Sporthal. Vanaf de oprichting tot 9 december 2022 is [gedaagde] samen met [B] (hierna: [B] ) bestuurder van de Stichting geweest. [B] was voorzitter en [gedaagde] was penningmeester. Vanwege een ruzie met de badmintonvereniging wilden [B] en [gedaagde] stoppen met de Stichting . Op 14 april 2022 heeft de Stichting de Sporthal verkocht aan een derde. Op 1 juli 2022 is de Sporthal geleverd en heeft de notaris een bedrag van € 1.508.648,03 aan de Stichting overgemaakt.
3.2
[gedaagde] en [B] hebben een nieuwe bestuurder gezocht. De heer [A] (hierna: [A] ) kwam via de dochter van [gedaagde] op hun pad. Op 24 oktober 2022 is [A] tot het bestuur van de Stichting toegetreden. Op 9 december 2022 zijn [gedaagde] en [B] afgetreden als bestuurder.
3.3
Na betalingen aan externe financiers van de Stichting , had de bankrekening van de Stichting op 23 december 2022 een positief saldo van € 1.120.785,13. Op diezelfde dag is dit saldo digitaal vanaf het IP adres van [gedaagde] via drie transacties overgemaakt naar [B] (€ 554.440,-), [gedaagde] (€ 453.600,-) en [A] (€ 112.785,13) onder de vermelding ‘Lening overeenkomst d.d. 23-12-2022’.
Diezelfde dag is [A] afgetreden als bestuurder van de Stichting en is [onderneming] Ltd (hierna: [onderneming] Ltd) bestuurder geworden. Op dat moment was [C] (hierna: [C] ) de bestuurder van [onderneming] Ltd. Van het bedrag dat [A] ontvangen heeft, heeft hij ongeveer € 45.000,- overgemaakt aan (de vrouw van) [C] .
3.4
De Rabobank heeft de transacties van 23 december 2022 gesignaleerd en is tot een klantonderzoek overgegaan. Op 27 oktober 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van de Rabobank en [gedaagde] . Op 5 november 2024 heeft de Rabobank aangifte gedaan van vermoedens van verduistering en witwassen, gepleegd door de drie voormalige bestuurders ( [B] , [gedaagde] en [A] ) en de toenmalige bestuurder ( [onderneming] Ltd).
3.5
Op 27 december 2024 heeft de rechtbank [onderneming] Ltd als bestuurder van de Stichting geschorst naar aanleiding van een onderzoek door het Openbaar Ministerie, vanwege ernstige twijfels bij de voormelde constructie. Mr. [D] is daarbij als (enig) bestuurder benoemd.
3.6
[B] heeft kort daarna zijn deel met een gefixeerde rente van € 30.000 daarover terugbetaald. Ook heeft hij € 30.000,- op de lening aan [A] aan de Stichting terugbetaald. De Stichting heeft [B] finale kwijting verleend, ook voor de lening aan [A] .
In september 2025 heeft [gedaagde] € 513.600,- aan de Stichting betaald, bestaande uit de lening aan hem van € 453.600,- met € 30.000,- aan gefixeerde wettelijke rente. Verder heeft [gedaagde] € 30.000,- betaald op de lening aan [A] . Aan [gedaagde] is geen finale kwijting voor de lening aan [A] verleend. [A] zelf biedt geen verhaal.
Het juridisch kader
3.7
Het gaat hier om een eventuele aansprakelijkheid van een oud bestuurder van een stichting tegenover die stichting. Zoals hierna wordt besproken is het verwijt dat de Stichting [gedaagde] maakt niet beperkt tot de betaling aan [A] op 23 december 2022, maar ziet het verwijt met name op de constructie die deze betaling mogelijk heeft gemaakt en die tijdens de bestuurdersperiode van [gedaagde] (mede) door hem is voorbereid. Om die reden geldt, ondanks dat [gedaagde] geen bestuurder meer was op het moment dat de lening aan [A] is betaald, toch artikel 2:9 BW Pro als maatstaf.
3.8
Op grond van artikel 2:9 BW Pro is elke bestuurder gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Van aansprakelijkheid is sprake als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zo zou hebben gehandeld en de bestuurder daarbij een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of sprake is van een ernstig verwijt, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.
[gedaagde] is tegenover de Stichting aansprakelijk
3.9
[gedaagde] heeft in strijd met de statuten en het doel van de Stichting gehandeld. Het statutaire doel van de Stichting is volgens artikel 2 van Pro de statuten:

De stichting heeft, zonder winstoogmerk, ten doel: het (doen) stichten en/of exploiteren van sportaccommodaties ten behoeve van sportverenigingen in de [..] [.] en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords”.
Daarnaast bepaalt artikel 4 lid 5 van Pro de statuten:

De leden van het bestuur genieten geen beloning voor hun werkzaamheden. Ze hebben wel recht op vergoeding van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte kosten.
[gedaagde] was een van twee de oprichters van de Stichting . [gedaagde] is dertig jaar lang bestuurder (penningmeester) van de Stichting geweest. Onder deze omstandigheden moet [gedaagde] de statuten en het doel van de Stichting goed hebben gekend.
3.1
[A] is voor het aftreden van [gedaagde] tot het bestuur toegetreden. Er was daardoor een periode van zo’n zes weken dat [gedaagde] , [B] en [A] gezamenlijk bestuurder waren. In die periode hebben [gedaagde] , [B] en [A] besproken wat ze met de 1,1 miljoen op de bankrekening zouden doen. [gedaagde] heeft hierover aan de officier van justitie op 19 december 2024 verklaard dat het bij het aftreden als bestuurder het plan was om geld te lenen van de Stichting . Met dit geld wilde [gedaagde] zijn pensioen aanvullen. Hij had alleen AOW en met de lening kon hij zijn huis gedeeltelijk opeten. Daarnaast heeft [gedaagde] verklaard dat hij en [B] aan [A] hebben gezegd dat ze wilden dat hij geld aan hen zou lenen als [A] de bestuurder was.
Vervolgens heeft [A] de leningsovereenkomsten opgesteld. De leningsvoorwaarden die werden overeengekomen kwamen erop neer dat sprake was van een substantiële aflossingsvrije lening die zou eindigen na 30 jaar, maar kwijtgescholden zou worden bij eerder overlijden. Gelet op de leeftijd van de heren was de kans zeer gering dat het geleende bedrag na 30 jaar zou worden terugbetaald ( [gedaagde] was dan bijvoorbeeld 98 jaar oud geweest). Ook het doel van de leningen “extra levensonderhoud” (artikel 2 leningsovereenkomst Pro) suggereert dat.
3.11
Het optuigen van een constructie die tot doel heeft (oud) bestuurders te begunstigen met gelden die tot het vermogen van de Stichting behoren, past niet bij het voeren van goed beheer over het stichtingsvermogen en het waarborgen dat aan de statuten, waaronder het in artikel 2 neergelegde Pro doel van de Stichting wordt voldaan. [gedaagde] heeft deze constructie (mede) voorbereid. [gedaagde] heeft toen hij nog bestuurder was ook (mede) mogelijk gemaakt dat uitvoering aan deze constructie zou worden gegeven. Bestuursleden worden door het bestuur benoemd. [gedaagde] heeft als statutair bestuurder meegewerkt aan de positionering en benoeming van [A] als enig bestuurder. Dit is in strijd met artikel 4 van Pro de statuten van de Stichting , waarin is bepaald dat het bestuur uit een oneven aantal van ten minste drie leden bestaat. Doordat [A] kort na zijn benoeming enig bestuurder werd, kwam [A] in een zodanige positie te verkeren dat hij (na de betalingen aan [gedaagde] en [B] ) met de rest van het geld van de Stichting zijn gang kon gaan. Er was immers niet langer interne controle mogelijk. [gedaagde] moet zich ervan bewust zijn geweest dat [A] hierdoor gelden aan de Stichting kon onttrekken. [gedaagde] wist immers ook dat de constructie mogelijk maakte dat hij en [B] de gelden ontvingen. Zodoende heeft [gedaagde] in strijd gehandeld met de statutaire bepalingen die de Stichting beogen te beschermen.
3.12
Met het handelen van [gedaagde] zoals hiervoor beschreven heeft [gedaagde] niet de belangen en het doel van de Stichting gewaarborgd, maar enkel zijn eigen belang vooropgesteld. Dit levert een ernstig verwijt op in de zin van artikel 2:9 BW Pro.
3.13
Het enkele feit dat de leningen uitgekeerd zijn na het aftreden van [gedaagde] doet hier niet aan af. Sterker nog. De latere betalingen hangen zoals de Stichting heeft aangevoerd juist samen met het voorbereiden van de leningen, het aftreden van [gedaagde] en [B] en de benoeming en positionering van [A] als enig bestuurder en zijn in dat licht ook als onrechtmatig te beschouwen.
3.14
Bij de betalingen van de leningen had [gedaagde] een grote rol. Het staat vast dat de geldbedragen op 23 december 2022 vanaf het woonadres van [gedaagde] , vanaf zijn laptop en met in ieder geval zijn bankpas, zijn overgemaakt. [gedaagde] houdt vol dat hij niet wist dat [A] toen ook een bedrag naar zichzelf heeft overgemaakt, maar daar gaat de rechtbank aan voorbij. De rechtbank gaat ervan uit dat [gedaagde] de bankrekening van de Stichting zelf heeft opgeheven. [gedaagde] heeft aan de medewerker van de Rabobank namelijk verklaard dat hij de rekening heeft opgezegd. In het gespreksverslag van 27 oktober 2023 staat:
12. Wat was de reden voor opheffing van de rekening? Het had natuurlijk zo kunnen zijn dat [A] hiervan nog gebruik had willen maken.
“Hij heeft op een gegeven moment tegen mij gezegd: ik kan jullie daar niet uitschrijven; je moet zelf de rekening opheffen. Dat heb ik inderdaad via telebankieren gedaan en ik dacht dat daarmee de kous af was. Hij heeft inderdaad gezegd: jij moet het opheffen en we hebben toen afgesproken dat we (dacht ik) twee of vier weken hand- en spandiensten zouden verrichten voor hem, als dat nodig was.
De klant denkt dat hij om deze reden de rekening heeft opgeheven voor [A] .
Op de mondelinge behandeling van 22 mei 2026 heeft [A] hiermee in strijd verklaard dat [A] de rekening heeft opgezegd. De rechter heeft op de zitting erop gewezen dat [gedaagde] in strijd verklaarde met zijn eerdere verklaring. Daarop heeft [gedaagde] gezegd dat hij het niet meer weet. [gedaagde] heeft zijn standpunt dat [A] de rekening heeft opgezegd op de zitting niet onderbouwd en heeft ook niet kunnen uitleggen waarom hij bij de medewerker van de Rabobank anders verklaard heeft. Zodoende heeft [gedaagde] de stelling van de Stichting dat [gedaagde] de rekening heeft opgeheven – onderbouwd met de eerdere verklaring van [gedaagde] – onvoldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank volgt daarom de Stichting in haar stelling dat [gedaagde] de rekening heeft opgezegd. Bij het opzeggen van de rekening moet [gedaagde] hebben kunnen constateren dat de rekening op dat moment leeg was. Vanaf dat moment moet het [gedaagde] in ieder geval duidelijk zijn geweest dat [A] het restantbedrag aan de rekening heeft onttrokken. [gedaagde] heeft daarna niets ondernomen. Ook hiervan kan [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt.
Geen disculpatie mogelijkheid voor [gedaagde]
3.15
[gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat [B] de financiële kennis had en dat [gedaagde] alleen de facturen inboekte en betaalde. [gedaagde] beschrijft [B] , die financieel directeur van een groot horecabedrijf was, als de drijvende kracht. [gedaagde] zegt dat [B] geen penningmeester wilde worden, omdat hij al de hele dag met cijfertjes in de weer was. Daarnaast heeft [gedaagde] in deze procedure aangevoerd dat hij bij het aangaan van de leningen te goeder trouw heeft gehandeld, omdat hij op [B] en [A] vertrouwd heeft. [gedaagde] vindt dat hem hoogstens naïviteit kan worden verweten. [gedaagde] miskent met dit standpunt dat hij zich niet achter [B] of [A] kan verschuilen. Artikel 2:9 BW Pro gaat bij een meerkoppig bestuur uit van collectieve verantwoordelijkheid. Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken en is voor het geheel van de schade die de rechtspersoon lijdt als gevolg van onbehoorlijk bestuur aansprakelijk. Een taakverdeling tast in principe de collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur niet aan. [1] [gedaagde] was bovendien zelf ondernemer (eigenaar van een schoonmaakbedrijf met personeel). [gedaagde] had daarom moeten begrijpen dat deze voorwaarden niet door de beugel konden en in strijd waren met de statuten van de Stichting .
[gedaagde] heeft de strijdigheid met de statuten naderhand ook bevestigd, door op de vraag van de medewerker van de Rabobank hoe sportverenigingen in [.] van deze leningen konden profiteren te antwoorden: “
Ja, niet.”Het had [gedaagde] dan ook duidelijk moeten zijn dat de onzakelijke lening in strijd was met het belang van de Stichting .
Conclusie:
3.16
[gedaagde] heeft niet gehandeld zoals een redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld en daarvan kan [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Het handelen door [gedaagde] heeft er ook toe geleid dat [A] het bedrag van € 112.785,13 aan de Stichting kon onttrekken. Dit leidt tot de conclusie dat [gedaagde] als gevolg van zijn onbehoorlijk bestuur aansprakelijk is voor de schade die de Stichting heeft geleden.
De hoogte van de schade
3.17
De schade bestaat uit het bedrag dat [A] heeft geleend en niet heeft terugbetaald. De rechtbank stelt vast dat zowel [B] als [gedaagde] € 30.000,- van de lening van [A] hebben terugbetaald. Dit betekent dat er € 52.785,13 (= € 112.785,13 – € 30.000,- – € 30.000,-) van de hoofdsom resteert. Voor dat bedrag is [gedaagde] aansprakelijk.
3.18
Dat de Stichting finale kwijting heeft verleend aan [B] en dat [gedaagde] inmiddels een gelijk deel heeft afbetaald op de lening van [A] als [B] , maakt anders dan [gedaagde] meent niet dat de Stichting ook aan hem finale kwijting had moeten verlenen. Als er meerdere schuldenaren aansprakelijk zijn, mag de schuldeiser (in dit geval de Stichting ) kiezen wie zij aanspreekt. En [gedaagde] op zijn beurt kan zich erover beraden of dit maakt dat hij een mogelijke medeschuldenaar ( [B] of [A] ) aanspreekt. Ook de bereidheid van [A] om de lening terug te betalen, zoals uit de verklaring van [A] blijkt, doet niet af aan de aansprakelijkheid van [gedaagde] . In dit verband heeft de Stichting toegelicht dat [A] geen verhaal biedt voor terugbetaling van de schuld aan de Stichting , wat [gedaagde] overigens niet heeft weersproken.
3.19
De schade is op 23 december 2022 ingetreden, omdat toen de betaling aan [A] is verricht. Van 23 december 2022 tot de dag waarop [gedaagde] € 30.000,- van de lening van [A] heeft afbetaald, is [gedaagde] de wettelijke rente over € 82.785,13 verschuldigd. Daarna is [gedaagde] de wettelijke rente over het toewijsbare bedrag van € 52.785,13 verschuldigd, tot de dag van volledige betaling.
Overig
3.2
In de conclusie van antwoord heeft [gedaagde] onder ‘petitum’ beschreven dat [gedaagde] de rechtbank verzoekt de beslagen op te heffen. Op de mondelinge behandeling heeft mr. De Jong desgevraagd gezegd niet bedoeld te hebben een reconventionele vordering in te stellen voor de opheffing van het beslag. De rechtbank zal daar dan ook niet op beslissen.
Proceskosten
3.21
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Stichting worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
6.147,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
9.035,40
3.22
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De rechtbank verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad
3.23
De Stichting vordert dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Het uitgangspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van [gedaagde] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van de Stichting om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. Het belang van de Stichting bij het direct (laten) uitvoeren van het vonnis is dat de Stichting dan tot een voortvarende (financiële) afwikkeling kan overgaan. De rechtbank vindt dat in dit geval de belangen van de Stichting zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde] .

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan de Stichting te betalen een bedrag van € 52.785,13, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 82.785,13 met ingang van 23 december 2022 tot de dag waarop [gedaagde] € 30.000,- van de lening van [A] heeft afbetaald en over € 52.785,13 vanaf de dag waarop [gedaagde] € 30.000,- van de lening van [A] heeft afbetaald tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 9.035,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op
1 juli 2026.
PM/45352

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:2018:470, Hoge Raad, 16/06014 ro. 3.3.1.