ECLI:NL:RBMNE:2026:4223

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
K/4204/11989353
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.W. Zwart
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 2 Partnership AgreementArt. 4.1 Partnership AgreementArt. 4.2 Partnership AgreementArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot verstrekking niet-geredigeerde kopiefacturen op grond van Partnership Agreement

Eiser en gedaagde zijn broers die een samenwerking zijn aangegaan waarbij eiser professionals aan gedaagde aanbood voor detachering. Na een informele samenwerking formaliseerden zij dit met een Partnership Agreement met daarin bepalingen over facturatie en betaling. Eiser vordert uitleg van artikel 3 lid 2 van Pro de overeenkomst en stelt dat gedaagde gehouden is niet-geredigeerde kopiefacturen te verstrekken. Gedaagde stelt dat zij slechts geredigeerde kopiefacturen mag verstrekken vanwege privacy- en vertrouwelijkheidsverplichtingen.

De kantonrechter stelt vast dat partijen na een periode van discussie expliciet zijn overeengekomen dat gedaagde factuurkopieën verstrekt zonder voorbehoud, en dat gedaagde onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet-geredigeerde kopiefacturen niet verstrekt zouden mogen worden. Gedaagde erkent een schadevergoeding van €5.760, maar betwist het overige gevorderde bedrag van €12.000 wegens onvoldoende onderbouwing.

De kantonrechter wijst de vordering tot verstrekking van niet-geredigeerde kopiefacturen toe en veroordeelt gedaagde tot betaling van €5.760 schadevergoeding met wettelijke rente vanaf 7 augustus 2025. De vordering tot buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens ontbreken van incassowerkzaamheden. De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd. De voorwaardelijke eis in reconventie van gedaagde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde is gehouden niet-geredigeerde kopiefacturen te verstrekken en veroordeeld tot betaling van €5.760 schadevergoeding met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11989353 \ UC EXPL 25-9594
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [handelsnaam] ,
gemachtigde: mr. G.A.M.F. Galjé-Deckers,
tegen
[gedaagde],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende (voorwaardelijke) eis in reconventie;
- een akte van [handelsnaam] met een wijziging van eis;
- de door [handelsnaam] nader toegezonden productie 9.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 8 juni 2026. Namens [handelsnaam] is verschenen [eiser] , bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [gedaagde] is verschenen [A] , algemeen directeur van [gedaagde] , bijgestaan door mr. S. Hasançebi. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[handelsnaam] wil met deze procedure bereiken dat er duidelijkheid komt over de vraag of [gedaagde] op basis van een tussen hen gesloten ‘Partnership Agreement’ (hierna: de overeenkomst) gehouden is om niet-geredigeerde kopiefacturen aan [handelsnaam] te verstrekken. [handelsnaam] meent namelijk dat die verplichting voor [gedaagde] bestaat en vraagt in dat verband om uitleg van artikel 3 lid 2 van Pro de overeenkomst, in de vorm van een verklaring van recht. Daarnaast vordert [handelsnaam] – na vermeerdering van eis – de betaling van € 12.000,00 aan schadevergoeding, rente en kosten. [gedaagde] is het hier grotendeels niet mee eens. Volgens [gedaagde] mag zij op grond van de overeenkomst geredigeerde kopiefacturen aan [handelsnaam] verstrekken. Zij beroept zich daarbij op privacy- en vertrouwelijkheidsverplichtingen jegens derden. De door [handelsnaam] gevorderde schade is door [gedaagde] op de mondelinge behandeling tot een bedrag van € 5.760,00 erkend. Het overige is volgens [gedaagde] onvoldoende onderbouwd en niet verschuldigd. De kantonrechter zal de vorderingen van [handelsnaam] grotendeels toewijzen. Een door [gedaagde] ingestelde voorwaardelijke eis in reconventie zal worden afgewezen. Dit zal hieronder worden uitgelegd.

3.De achtergrond van de zaak

3.1.
[handelsnaam] ( [eiser] ) houdt zich bezig met arbeidsbemiddeling en gaat in dat verband op zoek naar professionals voor ondernemingen. Voor professionals die bij een onderneming worden geplaatst, ontvangt [handelsnaam] een zogenoemde ‘fee’ (vergoeding) voor de duur dat de betreffende professional werkzaamheden voor de onderneming verricht waar deze is geplaatst. [gedaagde] , met als algemeen directeur [A] , houdt zich bezig met de detachering van IT-werknemers voor projecten bij andere ondernemingen.
3.2.
[eiser] en [A] zijn broers. [eiser] werkte voorheen bij [gedaagde] als recruiter, maar is daar in mei 2024 uit dienst gegaan. Partijen zijn vervolgens vanaf juni 2024 een samenwerking aangegaan, met als doel dat [handelsnaam] [gedaagde] zou ontzorgen bij het verkrijgen van nieuw IT-personeel voor de detachering op projecten bij andere ondernemingen. Op de mondelinge behandeling hebben partijen toegelicht dat deze samenwerking vanaf juni 2024 informeel – dus zonder overeenkomst – verliep en dat zij hun samenwerking op 10 februari 2025 met terugwerkende kracht hebben geformaliseerd door een ‘Partnership Agreement’ te sluiten.
3.3.
In de periode juni 2024 tot en met december 2024 heeft [handelsnaam] twee professionals bij [gedaagde] aangeboden, die [gedaagde] vervolgens op projecten bij andere ondernemingen heeft gedetacheerd. [gedaagde] heeft de uren die deze professionals bij de betreffende ondernemingen hebben gemaakt per e-mail aan [handelsnaam] doorgegeven. Dat was voor [handelsnaam] echter onvoldoende. Om de ‘fee’ voor de bemiddeling bij [gedaagde] in rekening te brengen, wilde [handelsnaam] ook de kopiefacturen die [gedaagde] aan de ondernemingen heeft toegezonden waar de professionals zijn geplaatst en werkzaamheden verrichten, ontvangen. Partijen hebben op de mondelinge behandeling verklaard dat [handelsnaam] dit meermaals aan [gedaagde] heeft verzocht, maar dat [gedaagde] dat niet heeft gedaan. Volgens [gedaagde] zijn de kopiefacturen niet toegestuurd, omdat de onderlinge samenwerking tussen partijen toen nog niet was geformaliseerd en zij het niet nodig achtte. [handelsnaam] heeft aangegeven dat het niet toezenden van de kopiefacturen in de periode juni 2024 tot en met december 2024 voor veel frustratie zorgde, maar dat op basis van de door [gedaagde] per e-mail doorgegeven uren toch is overgegaan tot facturatie aan [gedaagde] .
3.4.
Op 10 februari 2025 hebben partijen vervolgens hun samenwerking met terugwerkende kracht geformaliseerd met een overeenkomst. In de overeenkomst staan – voor zover relevant voor dit geschil – de volgende bepalingen:
Artikel 3 Betaling Pro en facturatie
(…)
In geval van Talent Positioneren. levert Klant maandelijks een overzicht van werkelijk gefactureerde uren, inclusief factuurkopieën.
(…)
Bij overschrijding van de betalingstermijn behoudt ARK Talent zich het recht voor om rente en Incassokosten in rekening te brengen conform de wettelijke bepalingen.
Artikel 4 Duur Pro en beëindigen van de Partnership Agreement
De ingangsdatum van de overeenkomst Is 01 -06-2024 en deze wordt aangegaan tot en met 30-06-2025.
Indien door [handelsnaam] een medewerker van Opdrachtgever wordt verlengd en deze verlenging bulten de oorspronkelijke termijn van de overeenkomst valt, blijft Opdrachtgever verplicht om haar verplichtingen na te komen en betalingen te verrichten voor de betreffende medewerker, tot en met de periode waarvoor de verlenging geldt. (…)”
3.5.
Met een e-mail van 16 mei 2025 heeft [gedaagde] – naar zij meent uit goodwill – alsnog gelakte kopiefacturen aan [handelsnaam] vertrekt. Dit omdat [handelsnaam] daar onverminderd om bleef vragen. Het gaat om kopiefacturen over de periode januari 2025 tot en met april 2025, waarin enkel (zichtbaar) staat vermeld de factuurperiode, het aantal uren en de naam van de onderneming waar een professional is geplaatst en werkzaamheden heeft verricht. Verder zijn de naam van de betreffende professional, de doorberekende tarieven, KvK-, btw- en rekeningnummers weggelakt.
3.6.
Omdat [gedaagde] na het sluiten van de overeenkomst ook niet – na herhaald verzoek van [handelsnaam] – is overgegaan tot het verstrekken van de eerder genoemde kopiefacturen in niet-geredigeerde vorm, is [handelsnaam] deze procedure begonnen.

4.De beoordeling

in conventie
[gedaagde] moet aan [handelsnaam] kopiefacturen in niet-geredigeerde vorm verstrekken
4.1.
Partijen zijn het erover eens dat hun geschil ziet op het wel/niet verstrekken van de kopiefacturen die [gedaagde] aan de ondernemingen toezendt waar de door [handelsnaam] aangedragen professionals zijn geplaatst en werkzaamheden verrichten.
4.2.
Om vast te stellen wat partijen precies zijn overeengekomen met betrekking tot het verstrekken van kopiefacturen, is een uitleg van de overeenkomst nodig. Het gaat hierbij specifiek om artikel 3 lid 2 van Pro de overeenkomst. Het is vaste rechtspraak dat niet alleen moet worden gekeken naar de tekst van de overeenkomst. Het is ook belangrijk wat partijen verder nog gezegd en gedaan hebben, en wat zij op grond daarvan van elkaar mochten verwachten. [1] Niet alleen het gedrag rondom het sluiten van de overeenkomst is van belang. Ook wat partijen ná het sluiten van de overeenkomst gedaan hebben, kan een rol spelen bij het bepalen wat partijen zijn overeengekomen. [2]
4.3.
Uit de door partijen overgelegde mailwisseling voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, volgt niet dat zij over artikel 3 lid 2 hebben Pro onderhandeld of gesproken. Daaruit wordt dus niet duidelijk welke betekenis partijen bij het sluiten van de overeenkomst aan deze bepaling toekenden. Op de mondelinge behandeling hebben partijen toegelicht dat zij in artikel 3 van Pro de overeenkomst bedoeld hebben afspraken te maken over de wijze van factureren door [handelsnaam] aan [gedaagde] . [handelsnaam] heeft daarbij uitgelegd dat hij voor zijn administratie en facturatie aan [gedaagde] wenste te beschikken over volledige kopiefacturen van de door [gedaagde] gedetacheerde werknemers, voor de verificatie en administratie van de uren.
4.4.
Vaststaat dat [gedaagde] in de periode juni 2024 tot en met december 2024 – toen de samenwerking nog niet was geformaliseerd – geen kopiefacturen aan [handelsnaam] verstrekte en dat [handelsnaam] daartegen heeft geprotesteerd en herhaaldelijk om heeft verzocht. Partijen hebben zodanig op de mondelinge behandeling verklaard. Vervolgens is met de overeenkomst de samenwerking op 10 februari 2025 geformaliseerd, waarin staat opgenomen dat [gedaagde] ‘een overzicht van werkelijk gefactureerde uren, inclusief factuurkopieën’ aan [handelsnaam] verstrekt. In de context van de onafgebroken discussie tussen partijen sinds het begin van de samenwerking over het wel/niet verstrekken van de factuurkopieën, moet artikel 3 lid 2 van Pro de overeenkomst zo worden uitgelegd dat die discussie met deze bepaling is beslecht. Met andere woorden: partijen hebben na een periode van discussie expliciet opgenomen dat [gedaagde] factuurkopieën verstrekt. Daarbij zijn geen voorbehouden gemaakt, wat betekent dat in beginsel een volledig leesbare factuurkopie door [gedaagde] moet worden verstrekt.
4.5.
Dat [gedaagde] op de mondelinge behandeling voor het eerst heeft aangevoerd dat zij zich niet bewust was van de in artikel 3 lid 2 opgenomen Pro formulering doordat zij de overeenkomst op basis van vertrouwen (vanwege de familierelatie) heeft ondertekend, maakt niet dat zij geen volledig leesbare factuurkopie aan [handelsnaam] hoeft te verstrekken. Het is aan [gedaagde] om een te ondertekenen overeenkomst goed te lezen, voordat zij daarmee instemt. Dat zij dat in dit geval niet zou hebben gedaan, is een omstandigheid die voor haar rekening en risico komt. Van privacy- en vertrouwelijkheidsverplichtingen jegens derden, waardoor geen volledig leesbare factuurkopie hoeft te worden verstrekt, is niet gebleken. Dit heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd.
4.6.
Het voorgaande leidt ertoe dat voor recht zal worden verklaard dat artikel 3 lid 2 van Pro de overeenkomst zo moet worden uitgelegd dat [gedaagde] gehouden is tot het overleggen van niet-geredigeerde kopiefacturen aan [handelsnaam] .
[gedaagde] moet [handelsnaam] € 5.760,00 aan schadevergoeding betalen
4.7.
Uit artikel 4.1 van de overeenkomst volgt dat de overeenkomst loopt tot en met 30 juni 2026. Op de mondelinge behandeling hebben partijen daarbij echter aangegeven dat de overeenkomst ook na die periode nog gelding kan hebben. Dit ziet op situaties waarin een door [handelsnaam] aangedragen professional na 30 juni 2026 nog werkzaamheden verricht voor de onderneming waar die geplaatst is. In zo’n geval blijft een ‘fee’ onveranderd door [gedaagde] aan [handelsnaam] verschuldigd. Hierbij is gewezen op artikel 4.2 van de overeenkomst. Op grond van die bepaling vordert [handelsnaam] nu van [gedaagde] een bedrag van € 12.000,00 aan schadevergoeding. [handelsnaam] stelt namelijk schade te hebben geleden doordat hij vanaf mei 2025 de aan hem verschuldigde ‘fee’ niet bij [gedaagde] heeft kunnen factureren, doordat hij niet beschikte over volledig leesbare factuurkopieën, waarop de in rekening gebrachte uren van de gedetacheerde medewerkers staan. [handelsnaam] heeft hierbij aangegeven dat het gevorderde bedrag is gebaseerd op een schatting, gebaseerd op de gewerkte uren van de betreffende medewerkers in de voorgaande maanden.
4.8.
[gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de door [handelsnaam] gevorderde schadevergoeding, omdat dit kort voor de zitting heeft plaatsgevonden door middel van een vermeerdering van eis. Oorspronkelijk werd slechts een bedrag van € 4.500,00 gevorderd voor de maanden mei, juni en juli 2025. Die periode is met de vermeerdering van eis uitgebreid naar de periode vanaf augustus 2025. Volgens [gedaagde] heeft zij zich daar niet goed op kunnen voorbereiden, omdat dit gaat over een periode na afloop van de overeenkomst. De kantonrechter passeert dit bezwaar. [handelsnaam] heeft bij zijn initiële vordering namelijk ook schadevergoeding gevorderd voor de maand juli 2025. Deze maand valt ook in het tijdvak na afloop van de overeenkomst (want na 30 juni 2025). Daarmee had [gedaagde] ermee bekend moeten zijn dat er in deze procedure ook discussie bestond over het betalen van een schadevergoeding voor dat tijdvak na afloop van de overeenkomst.
4.9.
De kantonrechter zal de gevorderde schadevergoeding slechts toewijzen tot een bedrag van € 5.760,00. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] namelijk erkend dat zij dit bedrag aan ‘fees’ vanaf mei 2025 nog aan [handelsnaam] verschuldigd is. Het overige zal worden afgewezen. Ondanks dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming, doordat [gedaagde] slechts geredigeerde kopiefacturen aan [handelsnaam] heeft verstrekt, heeft [handelsnaam] het bestaan en de omvang van de geleden schade namelijk onvoldoende onderbouwd. Volstaan is met het geven van een schatting en het overleggen van één factuur van 3 juli 2025. Op basis daarvan is niet duidelijk hoeveel door [handelsnaam] geplaatste professionals gedetacheerd zijn geweest, over welke periodes dat zou gaan en welke schade daardoor is geleden.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
4.10.
Toewijzing van de door [handelsnaam] gevorderde wettelijke handelsrente is niet mogelijk. Het betreft namelijk een schadevergoeding. Gelet hierop zal de kantonrechter over het bedrag van € 5.760,00 de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) toewijzen vanaf 7 augustus 2025. Tegen toewijzing vanaf die datum heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd.
[gedaagde] hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen
4.11.
[handelsnaam] maakt ook aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Niet is gebleken dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het schadebedrag is namelijk niet eerder geprobeerd om buiten rechte te innen. De vordering is dan ook niet toewijsbaar.
[gedaagde] moet de proceskosten in conventie betalen
4.12.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [handelsnaam] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.243,35
Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
4.13.
De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.
in (voorwaardelijke) reconventie
De (voorwaardelijke) eis in reconventie wordt afgewezen
4.14.
[gedaagde] heeft een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld, inhoudende dat, in het geval [gedaagde] gehouden is kopiefacturen aan [handelsnaam] te verstrekken, deze verstrekking uitsluitend hoeft plaats te vinden door inzage/afgifte onder schriftelijke geheimhouding en uitsluitend voor verificatiedoeleinden, dan wel door verstrekking aan een onafhankelijke derde.
4.15.
Met het door de kantonrechter onder 4.6 gegeven oordeel, is de door [gedaagde] gestelde voorwaarde vervuld. Daarom moet beoordeeld worden of de kopiefacturen alleen onder de door [gedaagde] gestelde voorwaarden hoeven te worden verstrekt. Daarvoor ziet de kantonrechter geen aanleiding. Zoals eerder overwogen, heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van privacy- en vertrouwelijkheidsverplichtingen jegens derden en komt het de kantonrechter niet vreemd voor dat [handelsnaam] voor zijn administratie en facturatie aan [gedaagde] wenst te beschikken over volledige kopiefacturen van de door [gedaagde] gedetacheerde werknemers, voor de verificatie en administratie van de uren. Omdat ook niet van andere zwaarwegende redenen is gebleken, zal de voorwaardelijke eis in reconventie worden afgewezen.
De proceskosten in reconventie worden vastgesteld op nihil
4.16.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in reconventie (inclusief nakosten) betalen. De kosten van [handelsnaam] worden in reconventie begroot op nihil, omdat de voorwaardelijke eis in reconventie geen substantieel meerwerk voor de gemachtigde van [handelsnaam] heeft opgeleverd.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat artikel 3 lid 2 van Pro de overeenkomst zo moet worden uitgelegd dat [gedaagde] gehouden is tot het overleggen van niet-geredigeerde kopiefacturen aan [handelsnaam] ;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam] te betalen € 5.760,00 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 7 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.243,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in (voorwaardelijke) reconventie
5.6.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af;
5.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [handelsnaam] , in dit vonnis begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.W. Zwart en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
LHJ/63796

Voetnoten

1.Hoge Raad 13 maart 1981, NJ 1981/635 (Haviltex).
2.Hoge Raad 12 oktober 2012, NJ 2012, 589.