ECLI:NL:RBMNE:2026:4224

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
16.163694.25, 05-118265-25, 16-062181-25, 16-410178-24 (t.t.z. gevoegd) 05-202318-23 (vord. tul
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38z Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor zware mishandeling, bedreiging, diefstal en oplichting met gevangenisstraf en gedragsmaatregel

De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor meerdere strafbare feiten gepleegd in 2024 en 2025, waaronder zware mishandeling van twee slachtoffers met een stalen uitlaat, bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, diefstal door oplichting en diefstal van een auto. Verdachte werd vrijgesproken van poging tot doodslag en openlijk geweld in vereniging wegens onvoldoende bewijs.

De rechtbank oordeelde dat verdachte met opzet zwaar lichamelijk letsel toebracht, maar dat de intentie tot doodslag niet bewezen kon worden. Verdachte werd ook veroordeeld voor bedreiging van meerdere slachtoffers en voor diefstal van geld en sieraden door zich voor te doen als politieagent. Daarnaast werd hij veroordeeld voor medeplegen van diefstal van een auto.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 30 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (GVM) op grond van artikel 38z Sr. De straf is lager dan geëist vanwege de kwalificatie van zware mishandeling in plaats van poging tot doodslag. Tevens werden schadevergoedingen toegewezen aan verschillende benadeelden, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke taakstraf af, omdat deze geen toegevoegde waarde had naast de opgelegde straf. De bijzondere voorwaarden tijdens de proeftijd omvatten onder meer meldplicht, behandeling, locatie- en contactverboden, en elektronisch toezicht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, deels voorwaardelijk, en maatregel gedragsbeïnvloeding voor zware mishandeling, bedreiging, diefstal en oplichting; vrijspraak voor poging doodslag en openlijk geweld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16.163694.25, 05-118265-25, 16-062181-25, 16-410178-24 (t.t.z. gevoegd) 05-202318-23 (vord. tul);
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2006] in [geboorteplaats] ,
gedetineerd in [verblijfplaats]
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 16 juni 2026. Het onderzoek is gesloten op 14 juli 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. M.M.L. Kalsbeek;
  • de advocaat van de verdachte: mr. W.E. van Veldhuizen (hierna: de advocaat);
  • de benadeelde partijen: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
  • de advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] : mr. F.M.M. Buijs;
  • de gemachtigde van de benadeelde partij [slachtoffer 3] : [.] .

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
Parketnummer 16-163694-25
feit 1
- op 25 mei 2025 in Woudenberg heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] van het leven te beroven door hem met een (metalen) buis/uitlaat tegen zijn hoofd te slaan;
- subsidiair is de beschuldiging zware mishandeling, waarbij [slachtoffer 1] een kaakbreuk, hersenletsel en een bloeding in het hoofd is toegebracht;
- meer subsidiair is de beschuldiging poging tot zware mishandeling.
Feit 2:- op 25 mei 2025 in Woudenberg heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] van het leven te beroven door hem met een (metalen) buis/uitlaat tegen zijn hoofd te slaan;
- subsidiair is de beschuldiging zware mishandeling, waarbij [slachtoffer 2] een schedelbreuk, een ingescheurd oor en scheefstaande en afgebroken tanden is toegebracht;
- meer subsidiair is de beschuldiging poging tot zware mishandeling.
Feit 3:- op 25 mei 2025 in Woudenberg heeft geprobeerd om [slachtoffer 5] van het leven te beroven door hem met een (metalen) buis/uitlaat tegen zijn hoofd te slaan;
- subsidiair is de beschuldiging zware mishandeling, waarbij [slachtoffer 5] een neusbreuk is toegebracht;
- meer subsidiair is de beschuldiging dat hij [slachtoffer 5] heeft mishandeld, door hem een elleboogstoot in het gezicht te geven.
Feit 4:op 25 mei 2025 in Woudenberg [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8] heeft bedreigd door tegen hen te roepen: “Als jullie aangifte doen, schiet ik jullie dood” en tegen [slachtoffer 6] te roepen: “ [slachtoffer 6 (voornaam)] moet dood” en
tegen [slachtoffer 8] te roepen '' [slachtoffer 8 (voornaam)] , ik pak jou nog wel'',
Feit 5:op 25 mei 2025 in Woudenberg [slachtoffer 7] heeft mishandeld door hem tegen zijn hoofd te slaan.
Parketnummer 16-062181-25op 6 december 2024 te Woudenberg in vereniging in het openbaar geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 9] door onder meer een
(nep)vuurwapen te tonen, de personen daarmee te bedreigen, [slachtoffer 4] tegen het hoofd te slaan, een ruit van een auto in te slaan en meerdere schoten te lossen.
Parketnummer 05-118265-25op 16 november 2024 en/of 17 november 2024 in Renkum samen met een ander geld en sieraden van [slachtoffer 3] heeft gestolen door haar op te lichten, waaronder het zich voordoen als politieagent, aan de deur te komen en te zeggen dat de sieraden en het geld moeten worden gefotografeerd voor de verzekering.
Parketnummer 16-410178-24Feit 1:op 24 december 2024 in Woudenberg samen met een ander een personenauto (kenteken [kenteken] ) van [slachtoffer 10] heeft gestolen door eerst de sleutel van de auto weg te nemen (valse sleutel);
Feit 2:op 24 december 2024 in Woudenberg en/of Leusden met een ander een personenauto (kenteken [kenteken] ) heeft vernield.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de volgende feiten heeft gepleegd:
Parketnummer 16-163694-25
Feit 1: primair: poging doodslag op [slachtoffer 1] ;
Feit 2 :primair: poging doodslag op [slachtoffer 2] );
Feit 3: meer subsidiair: mishandeling [slachtoffer 5] (vrijspraak voor feit 3 primair en subsidiair);
Feit 4: bedreiging;
Feit 5: mishandeling van [slachtoffer 7] .
Parketnummer 16-062181-25Openlijk geweld in vereniging tegen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 9] . De verdachte dient vrijgesproken te worden van het gedeelte van de beschuldiging dat het door hem gepleegde geweld letsel bij [slachtoffer 4] teweeg heeft gebracht.
Parketnummer 05-118265-25Diefstal in vereniging van geld en sieraden van [slachtoffer 3] door oplichting.
Parketnummer 16-410178-24Feit 1: diefstal van auto in vereniging;
Feit 2: vernieling van auto in vereniging.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om in de zaak met parketnummer 16-163694-25 de verdachte vrij te spreken van de feiten 1, 2, 3 primair en subsidiair en feit 4. De advocaat voert geen verweer ten aanzien van feit 3 meer subsidiair en feit 5.
In de zaken met parketnummer 16-062181-25 en 16-410178-24 verzoekt de advocaat eveneens om de verdachte vrij te spreken.
In de zaak met parketnummer 05-118265-25 voert de advocaat geen verweer.
De verschillende verweren die de advocaat voert over het bewijs worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 4.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak
Parketnummer 16-062181-25 (openlijk geweld tegen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 9] )
De rechtbank oordeelt dat dit feit niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank komt op basis van de verschillende getuigenverklaringen wel tot de conclusie dat de verdachte bij dit incident aanwezig was, maar kan op basis van die verklaring enkel vaststellen dat de verdachte aanwezig was in de groep die openlijk geweld heeft gebruikt. De verklaringen van de getuigen verschillen zodanig dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte een klap heeft uitgedeeld of dat hij schoten heeft gelost met een alarmpistool. Ook kan niet worden vastgesteld dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan het plan om [slachtoffer 4] en [slachtoffer 9] klem te rijden en geweld tegen hen te gebruiken. Er is dus onvoldoende om te kunnen bewijzen dat de verdachte een voldoende wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het delict.
Parketnummer 16-410178-24 feit 2 (vernieling auto)
De rechtbank oordeelt dat niet bewezen is dat de verdachte samen met de medeverdachte de auto heeft vernield en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De verdachte was niet de bestuurder van de auto en is dus ook niet degene die de auto uit de bocht heeft laten vliegen. Het feit dat de verdachte samen met de medeverdachte in de auto zat, niks heeft gedaan om het tegen te houden en daarna naar huis is gegaan, is onvoldoende om te oordelen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte (bestuurder) ten aanzien van de vernieling van de auto.
3.3.2.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat de volgende feiten zijn bewezen:
Parketnummer 16-163694-25
Feit 1 subsidiair: zware mishandeling van [slachtoffer 1] ;
Feit 2 subsidiair: zware mishandeling van [slachtoffer 2] ;
Feit 3 meer subsidiair: mishandeling [slachtoffer 5] ;
Feit 4 bedreiging van [slachtoffer 7] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8] ;
Feit 5: mishandeling van [slachtoffer 7] .
Parketnummer 05-118265-25Diefstal in vereniging van geld en sieraden van [slachtoffer 3] door oplichting.
Parketnummer 16-410178-24Feit 1: diefstal van auto in vereniging;
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
3.3.3.
Bewijsoverwegingen
Parketnummer 16-163694-25
Feit 1 en 2 (vrijspraak poging doodslag ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , zware mishandeling wel bewezen)
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte met een ijzeren buis (uitlaat) tegen het hoofd van [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1 (voornaam)] ) en [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2 (voornaam)] ) heeft geslagen en dat zij daardoor ernstig letsel hebben opgelopen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is hoe het handelen van de verdachte juridisch beoordeeld moet worden. Is er sprake van een poging tot doodslag, van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel of van een poging daartoe?
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een poging tot doodslag, maar dat wel sprake is van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal dat hieronder uitleggen.
Om te kunnen bewijzen dat sprake is van een poging tot doodslag, moet buiten redelijke twijfel kunnen worden vastgesteld dat verdachte (i) de intentie had om [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] te doden (vol opzet) of (ii) bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij zouden komen te overlijden (voorwaardelijke opzet).
Het dossier bevat geen bewijs dat de verdachte de intentie had om [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] te doden. Voor de vraag of de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij door het slaan met de ijzeren buis zouden komen te overlijden is het volgende van belang. Niet ieder geweld tegen het hoofd geeft een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel. Het komt aan op de concrete omstandigheden van het geval, waarbij relevant is met wat voor voorwerp de verdachte heeft geslagen en hoe de verdachte heeft geslagen (zoals welke beweging, welke richting/waarop gericht, met wat voor kracht en snelheid en hoe vaak). Uit het dossier volgt dat de verdachte één keer heeft geslagen met een stalen uitlaatpijp en dat hij [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] tegen de zijkant van het hoofd heeft geraakt. Er zijn verschillende getuigen gehoord, maar uit die verklaringen kan de rechtbank niet opmaken met hoeveel kracht er is geslagen, laat staan dat er met zoveel kracht is geslagen dat er een aanmerkelijke kans op de dood bestond. De rechtbank heeft ook gekeken naar het letsel van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] . Hoewel dat letsel ernstig is (hierover later meer), kan de rechtbank op basis daarvan ook niet vaststellen dat de verdachte zo hard heeft geslagen dat er een aanmerkelijke kans was op de dood.
Ten slotte is van de uitlaatpijp alleen bekend dat deze ongeveer 70 cm lang is. De rechtbank merkt op dat het feit dat het een uitlaat betreft naar alle waarschijnlijkheid betekent dat het gaat om een holle buis en geen massief stalen buis, terwijl verder niet is onderzocht hoe zwaar de uitlaat is. Dat maakt dat ook niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat een enkele klap, waarvan onduidelijk met hoeveel kracht, met een dergelijk voorwerp een aanmerkelijk kans op de dood in het leven roept.
Wel staat vast dat [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] als gevolg van de klap met de stalen uitlaat zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Voor beiden volgt dat uit de aard en samenstel van het letsel. Bij [slachtoffer 1 (voornaam)] is sprake van zowel hoofdhersenletsel als een breuk van de onderkaak en daarnaast is er blijvend letsel in de vorm van reukverlies. Bij [slachtoffer 2 (voornaam)] is sprake van een open schedelbreuk van het mastoïd in combinatie met een licht traumatisch hoofdhersenletsel, wond van de linkeroorschelp en letsel aan het gebit in combinatie, en ook zijn op het linkeroor en de rechter zijkant van de kin littekens achtergebleven. Daarnaast blijkt dat een van de tanden ondanks ingrijpen van de tandarts nog steeds beschadigd is en volgens de tandarts zeer waarschijnlijk verloren gaat. Verder is de rechtbank van oordeel dat de verdachte dit letsel willens en wetens heeft toegebracht (vol opzet). Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte agressief was (en ook al eerder geweld had toegepast), dat hij uit de auto stapte met een stalen uitlaat in zijn hand, direct op de groep afliep waar [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] in stonden en hen ook vrijwel direct daarmee tegen hun hoofd sloeg. Dit kan volgens de rechtbank niet anders worden uitgelegd dan dat de verdachte hen welbewust tegen het hoofd heeft geslagen en wilde verwonden. De verklaring van de verdachte dat dit niet zijn bedoeling was en dat hij niet op het hoofd heeft gericht, vindt de rechtbank niet aannemelijk geworden gelet op wat zij hiervoor heeft omschreven hoe het heeft plaatsgevonden.
Feit 4 (bedreiging verschillende personen)
Uit de bewijsmiddelen volgt dat meerdere getuigen (waaronder [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] ) de verdachte hebben horen zeggen “Als jullie aangifte doen, schiet ik jullie dood” of woorden van gelijke strekking. De rechtbank is daarom van oordeel dat bewezen is dat de verdachte deze woorden heeft geuit en dat dit – gelet op de bewoordingen en agressieve toestand van de verdachte – een bedreiging met een misdrijf tegen het leven oplevert ten aanzien van [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] . Uit het dossier kan niet worden opgemaakt of [slachtoffer 5] deze woorden heeft gehoord. [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] waren er niet bij toen de verdachte deze woorden sprak, dus ten aanzien van hen kan deze bedreiging niet bewezen worden. De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken ten aanzien van de bedreiging van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 8] , omdat alleen zijzelf hebben verklaard dat de verdachte deze woorden gezegd heeft en verder (steun)bewijs ontbreekt
Feit 3 meer subsidiair (mishandeling [slachtoffer 5] ) en feit 5 (mishandeling [slachtoffer 7] )
Deze feiten heeft de verdachte bekend en de advocaat heeft hierop geen verweer gevoerd.
Parketnummer 05-118265-25 (diefstal in vereniging van geld en sieraden van [slachtoffer 3] door oplichting.)De verdachte heeft dit feit bekend en de advocaat heeft hierop geen verweer gevoerd.
Parketnummer 16-410178-24
Feit 1 (diefstal van auto in vereniging)
De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast. De auto van de heer [slachtoffer 10] is weggenomen zonder zijn toestemming. De medeverdachte [medeverdachte] heeft de sleutel uit de woning van de heer [slachtoffer 10] meegenomen en heeft in het bijzijn van de verdachte de auto geopend, waarna zij samen zijn ingestapt. [medeverdachte] reed en de verdachte zat ernaast. De auto is uiteindelijk uit de bocht gevlogen en beschadigd geraakt, waarna de verdachte en [medeverdachte] naar huis zijn gelopen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte en [medeverdachte] samen de auto hebben gestolen. Het is weliswaar [medeverdachte] geweest die de sleutel heeft weggenomen, maar de verdachte was erbij toen de auto – waarvan hij wist dat die niet van [medeverdachte] was – geopend werd, en toen zijn ze samen ingestapt en samen weggereden. Het is dan niet relevant dat [medeverdachte] degene was die uiteindelijk reed, omdat nu eenmaal niet met twee personen gereden kan worden en hun rollen wat dat betreft inwisselbaar waren. Er is een gezamenlijke uitvoering en daarmee ook van een nauwe en bewuste samenwerking die vereist is voor medeplegen. Het oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening (dus de intentie om de auto te stelen) volgt al uit het feit dat ze samen in de auto stappen en wegrijden. Het is niet aannemelijk geworden dat ze alleen maar een stuk wilde gaan rijden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat ook het tijdelijk als heer en meester over iets beschikken al een wederrechtelijke toe-eigening kan opleveren en ook dat ze – nadat de auto uit de bocht was gevlogen - de auto in de greppel hebben laten staan en naar huis zijn gelopen, zonder iets tegen eigenaar [slachtoffer 10] te zeggen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
Parketnummer 16-163694-25
Feit 1
hij op 25 mei 2025 te Woudenberg aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een kaakbreuk, hersenletsel en een bloeding in het hoofd heeft toegebracht, door eenmaal met een (metalen) uitlaat tegen het hoofd te slaan;
Feit 2
hij op 25 mei 2025 te Woudenberg aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk, een ingescheurd oor, afgebroken tanden heeft toegebracht, door eenmaal, met een (metalen) uitlaat tegen het hoofd te slaan;
Feit 3
hij op 25 mei 2025 te Woudenberg [slachtoffer 5] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] een elleboogstoot in het gezicht te geven;
Feit 4
hij op 25 mei 2025 te Woudenberg [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] dreigend de woorden toe te voegen: "Als jullie aangifte doen schiet ik jullie dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Feit 5
hij op 25 mei 2025 te Woudenberg [slachtoffer 7] heeft mishandeld, door eenmaal tegen zijn
hoofd te slaan;
05-118265-25
hij op 16 november 2024 te [plaats 3] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen meerdere sieraden en een contant geldbedrag die aan [slachtoffer 3] toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, te weten door:
- die [slachtoffer 3] te bellen en zich in strijd met de waarheid uit te geven voor
politieambtenaar,
- die [slachtoffer 3] mede te delen dat haar gegevens zijn aangetroffen bij een
aangehouden persoon,
- een zogenaamde veiligheidscode aan die [slachtoffer 3] door te geven,
- bij de woning van die [slachtoffer 3] langs te gaan en
/ofzich daar voor te doen als
politieambtenaar met de aan [slachtoffer 3] doorgegeven veiligheidscode,
- de woning van die [slachtoffer 3] te betreden,
- die [slachtoffer 3] mede te delen dat zij haar sieraden en geld komt fotograferen ten
behoeve van de verzekering en
- met die sieraden en het contante geld die woning te verlaten;
16-410178-24
Feit 1
hij op of omstreeks 24 december 2024 te Woudenberg tezamen en in vereniging met een ander een personenauto (Audi A3 met kenteken [kenteken] ),
die aan [slachtoffer 10] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om
het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader
die weg te nemen personenauto onder hun bereik hebben gebracht
door middel van (gebruikmaking van) een valse sleutel, door de op afstand automatische ontgrendeling van het weg te nemen van de haak in de woning van die [slachtoffer 10] en daarmee (vervolgens) de auto(deur) elektronisch te ontgrendelen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Parketnummer 16-163694-25
feit 1 en feit 2
zware mishandeling;
feit 3 en feit 5
mishandeling;
feit 4
bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht;
feit 5
mishandeling;
Parketnummer 05-118265-25diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft het aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels;
Parketnummer 16-410178-24Feit 1:op 24 december 2024 in Woudenberg samen met een ander een personenauto (kenteken [kenteken] ) van [slachtoffer 10] heeft gestolen door eerst de sleutel van de auto weg te nemen (valse sleutel);
4.2.
Strafbaarheid feit
Het feit is strafbaar.
4.3.
Strafbaarheid verdachte
4.3.1.
Beroep op schulduitsluitingsgrond ten aanzien feiten 1 en 2 onder parketnummer 16-163694-25
Door de verdediging is een beroep gedaan op putatief noodweer, dat wil zeggen dat de verdachte redelijkerwijs mocht denken dat sprake was van een situatie waarin hij zich moest verdedigen. De verdachte heeft verklaard dat hij kort voor deze feiten is mishandeld en dat hij de stalen uitlaat had meegenomen voor zelfbescherming. Toen hij bij het groepje kwam waar de slachtoffers stonden kwamen zij volgens de verdachte op hem af en werd er geroepen. Dat heeft de verdachte als een dusdanig dreigende situatie beoordeeld dat hij meende zich te moeten verdedigen.
4.3.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een situatie waarin de verdachte zich moest verdedigen of dat mocht denken.
4.3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het aannemelijk geworden dat de verdachte kort voor de feiten zelf slachtoffer is geworden van een mishandeling. Het is echter niet zo dat de verdachte dan kon of redelijkerwijs mocht menen dat hij zich met een stalen uitlaat moest verdedigen tegen twee jongens die niet meer deden dan mogelijk op hem aflopen in combinatie met het feit dat er wat geroepen werd. Deze situatie mocht de verdachte niet zo dreigend beoordelen dat hij zich als reactie daarop met geweld moest verdedigen, laat staan dat hij met de stalen uitlaat een klap tegen de hoofden van die jongens moest geven.
Het verweer wordt verworpen.
De verdachte is dus voor alle bewezenverklaarde feiten strafbaar.

5.Straf en/of maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
  • een gevangenisstraf van 4 jaar, zonder aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd;
  • de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: GVM).
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarnaast is bepleit om een voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering op te leggen met daarbij een proeftijd voor de duur van 3 jaren. Voorts dient de GVM afgewezen te worden omdat dit volgens de advocaat naast de door de reclassering voorgestelde voorwaarden zou neerkomen op een dubbele bestraffing.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst en omstandigheden van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zestal ernstige strafbare feiten. Verdachte heeft op 25 mei 2025 verschillende slachtoffers (zwaar) mishandeld en anderen bedreigd met de dood. Verdachte was die nacht erg agressief en gewelddadig. Vooral de zware mishandeling van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] met de ijzeren uitlaat is zeer ernstig en heeft naast het zwaar lichamelijk letsel ook psychisch een hele grote impact gehad op hen. Dit blijkt ook uit de onderbouwing van de vorderingen van [slachtoffer 2 (voornaam)] en [slachtoffer 1 (voornaam)] , en [slachtoffer 2 (voornaam)] heeft daar op de zitting nog over verklaard. Bovendien heeft het geweld zich in het openbaar afgespeeld. Verschillende omstanders zijn geconfronteerd met het buitensporig gewelddadig optreden van verdachte. Delicten als deze veroorzaken bovendien veel maatschappelijke onrust en leiden tot een toename van gevoelens van angst en onveiligheid bij omstanders. Dat is in deze zaak ook het geval, zo blijkt uit een brief van de burgemeester van [..] aan de officier van justitie. De rechtbank zal ook dit meewegen bij de strafoplegging.
Daarnaast heeft de verdachte samen met anderen mevrouw [slachtoffer 3] opgelicht door zich voor te doen als medewerkers van de politie en zo basis van het bij haar opgewekte vertrouwen geld en sieraden gestolen. Het slachtoffer was al op leeftijd en lijkt doelbewust te zijn uitgezocht.
De verdachte en zijn medeverdachten hebben op een georganiseerde en geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van een kwetsbaar slachtoffer. Slachtoffers van dit soort feiten worden niet alleen financieel getroffen, ook het gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens wordt aangetast. Ook kan het zorgen voor een gevoel van schaamte, stress en angst. De verdachte heeft met zijn handelen alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen.
Tot slot heeft verdachte samen met iemand anders een auto gestolen. De auto is later in een greppel teruggevonden. Verdachte heeft hiermee overlast, schade en ergernis veroorzaakt en aangetoond geen respect te hebben voor andermans eigendom.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 4 november 2025. Hieruit volgt dat verdachte de afgelopen jaren eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven. Dit zal de rechtbank strafverzwarend meewegen bij de strafoplegging. Ook is verdachte na deze feiten nog veroordeeld voor andere strafbare feiten, waardoor artikel 63 Sr Pro van toepassing is, dat bepaalt dat de rechter rekening moet houden met deze veroordelingen, in die zin dat indien de verdachte schuldig wordt bevonden de bepalingen van bij gelijktijdig opleggen van straf toepasselijk zijn.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het psychiatrisch onderzoek door [A] van 28 april 2026 en het psychologisch onderzoek door [B] van 4 mei 2026 naar verdachte. Uit deze onderzoeken komt naar voren dat verdachte sinds zijn 13e levensjaar in aanraking is gekomen met justitie en is veroordeeld voor zowel geweldsdelicten, vermogensdelicten als verkeersmisdrijven. Beschreven is dat er verschillende probleemgebieden bij verdachte zichtbaar zijn geworden en dat een deel van deze probleemgebieden een rol lijken te hebben gespeeld bij de totstandkoming van de ten laste gelegde feiten. De psychiater stelt een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling vast. De GZ-psycholoog stelt naast een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, antisociale trekken vast. Daarnaast stelt de GZ-psycholoog dat de beperkte controle op emotie en impulsbeheersing in combinatie met de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling een aandachtsgebied vormt en in potentie risico verhogend kan zijn. De GZ-psycholoog stelt dat het aannemelijk is dat het middelengebruik invloed heeft gehad op zijn zelfbeheersing.
De rechtbank heeft tot slot acht geslagen op het reclasseringsadvies van 27 mei 2026. In dat rapport wordt vermeld dat het risico dat verdachte opnieuw in de fout gaat moet worden ingeschat als hoog. Om dat risico te beperken adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf, met als bijzondere voorwaarden een (i) meldplicht bij de reclassering, (ii) een ambulante behandeling, (iii) verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, (iv) een contactverbod, (v) een locatieverbod met elektronisch toezicht, (vi) een locatiegebod met elektronisch toezicht, (vii) een verplichting tot het vinden en behouden van dagbesteding, (viii) het meewerken aan het aflossen van schulden en (ix) het (meewerken aan het) beheersen van middelengebruik. De reclassering adviseert om daarnaast een GVM op te leggen, om de mogelijkheid te hebben om de verdachte langdurig te kunnen blijven volgen, zodat kan worden gemonitord hij zich ontwikkelt en of de risico’s zullen afnemen.
Strafoplegging
Gelet op de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. Voor de duur van de gevangenisstraf neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor zware mishandeling met zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen), uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar en bij middelzwaar lichamelijk letsel van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden. De rechtbank vindt dat het letsel van [slachtoffer 2 (voornaam)] is aan te merken als middelzwaar, maar bij [slachtoffer 1 (voornaam)] vanwege het reukverlies als middelzwaar tot zeer zwaar. Daarnaast zal verdachte worden veroordeeld voor tweemaal een mishandeling, een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en diefstal (in vereniging) en oplichting, waarbij met name de oplichting van de oudere dame op zichzelf ook al een gevangenisstraf van enkele maanden rechtvaardigt.
In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte, met het buitensporig gewelddadig optreden van verdachte en met het feit dat het geweld zich in het openbaar heeft afgespeeld. Daarnaast wordt in het nadeel van verdachte meegewogen dat hij in proeftijd liep toen hij de bewezenverklaarde feiten pleegde. De rechtbank vindt het bijzonder verontrustend dat verdachte ondanks een eerdere veroordeling en de gestelde proeftijd opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd.
In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met de nog jonge leeftijd van verdachte en het feit dat de rechtbank nog een GVM zal opleggen.
Alles overwegende, is de rechtbank van oordeel dat het passend en geboden is om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de periode dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten. De rechtbank legt het voorwaardelijk strafdeel op om verdachte er van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en om daaraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd, zodat de verdachte verplicht wordt om te werken aan zichzelf met hulp van de reclassering. Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank een proeftijd van 3 jaren verbinden. Omdat de rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie (geen poging tot doodslag maar een zware mishandeling), wijkt de rechtbank af van de door de officier van justitie geëiste strafoplegging.
GVM
Naast de gevangenisstraf zal de rechtbank ook de door de reclassering geadviseerde GVM opleggen.
Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr is voldaan, nu de maatregel wordt opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen, terwijl de verdachte wordt veroordeeld tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens misdrijven die gericht zijn tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.
Met de maatregel wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte eventueel voor langere duur onder toezicht te stellen, indien dat in verband met dan bestaande risico's noodzakelijk is. Volgens de GZ psycholoog van het NIFP en de reclassering is bij de verdachte langdurig toezicht noodzakelijk. De maatregel is in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en gezien het hoge recidiverisico passend en geboden.

6.Vorderingen benadeelde partijen

6.1.
Vorderingen van de benadeelde partij
Aangever [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 31.003,46. Dit bedrag bestaat uit € 2.253,46 materiële schade en € 28.750,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Verder verzoekt de benadeelde partij de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Aangever [slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 23.364,24. Dit bedrag bestaat uit € 10.714,24 materiële schade en € 12.650,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Ten aanzien van de gevorderde tandartskosten is verzocht een bedrag van € 9.941,04 niet-ontvankelijk te verklaren omdat dit toekomstige kosten zijn. Verder verzoekt de benadeelde partij de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Aangever [slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 3.989,25. Dit bedrag bestaat uit € 2.989,25 materiële schade en € 1.000,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Verder verzoekt de benadeelde partij de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Aangever [slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 22.827. Dit bedrag bestaat uit € 17.827 materiële schade en € 5.000,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Verder verzoekt de benadeelde partij de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Aangever [slachtoffer 9] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 8.000. Dit bedrag bestaat uit € 5.000 materiële schade en € 3.000,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Verder verzoekt de benadeelde partij de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] kunnen worden toegewezen, met uitzondering van een bedrag van € 9.941,04 aan gevorderde materiële schade aan de zijde van [slachtoffer 2] . Voor wat betreft de vordering van [slachtoffer 4] dient de materiele schade voor een bedrag van € 11.000 te worden afgewezen en een bedrag van € 17.827 niet-ontvankelijk te worden verklaard. De immateriële schade kan tot een bedrag van € 1.000,- worden toegewezen. Voor wat betreft de vordering van [slachtoffer 9] dient de gevorderde materiele schade niet-ontvankelijk te worden verklaard. De immateriële schade kan tot een bedrag van € 1.000,- worden toegewezen. Alle toegewezen vorderingen dienen vermeerderd te worden met de wettelijke rente met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.3.
Standpunt van de verdediging
Nu de raadsvrouw vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging heeft bepleit in de zaken van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , dienen de vorderingen voor zover die zien op deze aangevers primair niet ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevorderde materiële schade van [slachtoffer 1] . Ten aanzien van de door [slachtoffer 1] gevorderde immateriële schade refereert de raadsvrouw zich tot een bedrag van € 24.600 aan het oordeel van de rechtbank, doch dient de gevorderde verhoging van 15% vanwege opzet op het toebrengen van lichamelijk letsel afgewezen te worden.
Ten aanzien van de door [slachtoffer 2] gevorderde materiële schade refereert de raadsvrouw zich tot een bedrag van € 771 aan het oordeel van de rechtbank. Het overig gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding dient afgewezen te worden omdat er geen grond is voor de tandartskosten omdat er geen althans veel minder schade zou zijn dan is gesteld. Wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding, refereert de verdediging zich tot een bedrag van € 3.625 aan het oordeel van de rechtbank en wordt verzocht het meerdere gelegen boven dit bedrag af te wijzen. Daarnaast dient de gevorderde verhoging van 15% vanwege opzet op het toebrengen van lichamelijk letsel afgewezen te worden.
De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevorderde materiële schade van [slachtoffer 3] . Ten aanzien van de door [slachtoffer 3] gevorderde immateriële schade refereert de raadsvrouw zich tot een bedrag van € 600 aan het oordeel van de rechtbank en wordt verzocht het meerdere af te wijzen dan wel niet ontvankelijk te verklaren.
Tot slot heeft de verdediging ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 9] verzocht deze vorderingen (zowel materieel als immaterieel) bij gebrek aan onderbouwing niet ontvankelijk te verklaren.
De raadsvrouw heeft ten aanzien van alle (toegewezen) vorderingen verzocht de wettelijke rente te laten ingaan per datum vonnis.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
6.4.1
De benadeelde partij [slachtoffer 1]
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot materiële schadevergoeding ad € 2.253,46 van deze benadeelde partij voldoende is onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 1] rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor als sprake is van lichamelijk letsel. De rechtbank stelt op basis van de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing vast dat hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en dat hij om die reden dus recht heeft op een vergoeding voor immateriële schade. De benadeelde partij kampt tot op de dag van vandaag met de fysieke gevolgen van wat hem is aangedaan. Als gevolg van het bewezenverklaarde heeft hij een kaakbreuk, meerdere bloedingen in het hoofd en blijvend reukverlies opgelopen. Verder is hij onder behandeling (geweest) bij een fysiotherapeut, ergotherapeut en psycholoog.
Het verlies van reukvermogen is een specifiek in de Rotterdamse schaal genoemde categorie, waarbij een bandbreedte van €17.000 - € 22.000,- wordt genoemd. Gezien de jonge leeftijd van het slachtoffer enerzijds en onzekerheid over eventueel herstel op de lange termijn anderzijds stelt de rechtbank het voor deze schade toe te wijzen bedrag naar billijkheid vast op €20.000,-. Daar bovenop stelt de rechtbank het bedrag voor het overig opgelopen letsel (kaakbreuk, bloedingen in het hoofd en geestelijk letsel) naar billijkheid vast op € 4.600,-. Omdat verdachte het letsel met opzet heeft toegebracht bij [slachtoffer 1] , zullen de hiervoor genoemde bedragen worden verhoogd met 15% conform de aanbevelingen van de Rotterdamse schaal. Het aan immateriële schade toe te wijzen bedrag stelt de rechtbank zo naar billijkheid vast op € 28.290.
In totaal wijst de rechtbank een bedrag van € 30.543,46 toe (€ 2.253,46 aan materiële schade en € 28.290,- aan immateriële schade).
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en zal bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 1]
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 30.543,46 aan de Staat moet betalen.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 25 mei 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten [slachtoffer 1]
De rechtbank zal de verdachte ook veroordelen in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
6.4.2
De benadeelde partij [slachtoffer 2]
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot materiële schadevergoeding van deze benadeelde partij voor een bedrag van € 771 voldoende is onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 2] rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het hiervoor genoemde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom tot een bedrag van € 771 toe.
De kosten in verband met nog uit te voeren tandartsbehandelingen zijn weliswaar aannemelijk, maar nog niet zeker. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij voor wat betreft deze schade niet-ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade
De rechtbank stelt op basis van de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing vast dat hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en dat hij om die reden dus recht heeft op een vergoeding voor immateriële schade. De benadeelde partij kampt tot op de dag van vandaag met de fysieke gevolgen van wat hem is aangedaan. Als gevolg van het bewezenverklaarde heeft hij een schedelbasisfractuur, tandletsel en littekens opgelopen. Daarnaast is zijn oor ingescheurd als gevolg van de mishandeling. Verder is hij al maanden onder behandeling bij een tandarts en is de behandeling nog niet klaar.
Wat betreft de littekens oordeelt de rechtbank dat sprake is van een geringe littekenvorming. Uit de stukken blijkt beschadiging van één voortand. Maar de mate van beschadiging is onduidelijk. De rechtbank weegt de gebitsbeschadiging daarom in beperkte mate mee. Dat geldt ook voor het hersenletsel. Voor al het letsel tezamen komt de rechtbank tot een bedrag van € 4.500,-, te vermeerderen met 15% omdat het letsel met opzet is veroorzaakt. Het aan immateriële schade toe te wijzen bedrag stelt de rechtbank zo naar billijkheid vast op
€ 5.175.
In totaal wijst de rechtbank een bedrag van € 5.946 toe (€ 771 aan materiële schade en € 5.175,- aan immateriële schade).
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en zal bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 2]
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 5.946 aan de Staat moet betalen.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 25 mei 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten [slachtoffer 2]
De rechtbank zal de verdachte ook veroordelen in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
6.4.3
De benadeelde partij [slachtoffer 3]
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot materiële schadevergoeding van deze benadeelde partij voldoende is onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 3] rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon (bijvoorbeeld een heftige woningoverval met confrontatie of een zedenmisdrijf).
De vorderingen van de benadeelde partij is niet met concrete gegevens onderbouwd. Hoewel de rechtbank het goed voorstelbaar acht dat de diefstal voor de benadeelde partij een nare ervaring is geweest, behoort een dergelijke situatie niet tot een van de uitzonderingen, waarbij nadere onderbouwing achterwege kan blijven. Een nu nog door de benadeelde partij aan te leveren en te beoordelen nadere onderbouwing zou een onevenredige belasting vormen van het strafproces. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren. Dat deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 3]
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 2.989,25 aan de Staat moet betalen.
Wettelijke rente en hoofdelijkheid
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 16 november 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Daarnaast wordt het toegewezen bedrag hoofdelijk aan verdachte en zijn mededader(s) opgelegd. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is. Indien een mededader een deel van het bedrag betaalt, is verdachte niet langer gehouden om dat deel te betalen (en vice versa).
Proceskosten [slachtoffer 3]
De rechtbank zal de verdachte ook veroordelen in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
6.4.4
De benadeelde partij [slachtoffer 4]
De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert schadevergoeding tot een bedrag van
€ 17.827 materiële schade en € 5.000,- immateriële schade. Omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
6.4.5
De benadeelde partij [slachtoffer 9]
De benadeelde partij [slachtoffer 9] vordert schadevergoeding tot een bedrag van
€ 3.000,- materiële schade en € 5.000,- immateriële schade. Omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

7.Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De kinderrechter van de rechtbank Gelderland heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummers 202318-23 en 05-193074-23 op 12 januari 2024 onder meer een taakstraf van 40 uur voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.
7.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering afwijst, omdat het – gelet op de straf die geëist wordt – geen zin meer heeft om deze taakstraf ten uitvoer te leggen.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen, omdat het uitvoeren van een taakstraf geen toegevoegde waarde meer heeft naast de op te leggen straf in deze zaak.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38z, 47, 57, 63, 285, 300, 302, 311 van het Wetboek van Strafrecht.
-

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart de volgende feiten niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij:
* feit 1 primair en feit 2 primair onder parketnummer 16-163694-25
* het feit onder parketnummer 16-062181-25;
* feit 2 onder parketnummer 16-410178-24;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de volgende feiten heeft gepleegd:
* de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 onder parketnummer 16-163694-25;
* het feit onder parketnummer 05-118265-25;
* feit 1 onder parketnummer 16-410178-24,
zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar;
strafoplegging
  • veroordeelt verdachte tot een
  • bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van
  • stelt daarbij een proeftijd van
  • stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:
* zich meldt bij [instelling 1] op het [adres 1] , [postcode] [plaats 1] of een andere reclasseringsorganisatie. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* zich onder behandeling zal stellen van ForFACT van [instelling 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die ForFACT aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
* verblijft, in een instelling voor beschermd of begeleid wonen, zo lang de reclassering dat nodig vindt, en zich houdt aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:
[slachtoffer 10] geboren [1986]
[slachtoffer 6] geboren op [2004]
[slachtoffer 8] geboren op [2008]
[slachtoffer 4] geboren op [1971]
[slachtoffer 9] geboren op [2003]
[slachtoffer 3] geboren op [1946] ;
* zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de gemeenten [...] en [....] , zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. Verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Tevens is het zo dat verdachte voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering;
* gedurende de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Het locatiegebod geldt op de volgende dagen en
tijden: bij de start dient verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding 12 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 20 uur. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet
tijdelijk verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met verdachte en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [adres 2] , [plaats 2] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Voor een goede werking van het elektronisch toezicht verlaat de verdachte Nederland niet zonder toestemming van de reclassering;
* zich inspant voor het vinden en behouden van (on)betaalde dagbesteding en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur;
* meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
* geen verdovende middelen gebruikt en meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet om middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek, ademonderzoek (blaastest) en speekseltest gebruiken voor controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking
- legt aan de verdachte op de
maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf onder parketnummers 202318-23 en 05-193074-23
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.
Vorderingen tot schadevergoeding van benadeelde partijen
[slachtoffer 1] (16-163694-25, feit 1)
  • wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe, tot een bedrag van € 30.543,46, bestaande uit € 2.253,46 aan materiële schade en € 28.290,- aan immateriële schade;
  • verklaart [slachtoffer 1] voor het meer of anders gevorderde niet ontvankelijk in de vordering, en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 30.543,46 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 159 dagen gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
[slachtoffer 2] (16-163694-25, feit 2)
  • wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe, tot een bedrag van € 5.946, bestaande uit € 771 aan materiële schade en € 5.175,- aan immateriële schade;
  • verklaart [slachtoffer 2] voor het meer of anders gevorderde niet ontvankelijk in de vordering, en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 5.946 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 54 dagen gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
[slachtoffer 3] (05-118265-25)
  • wijst de vordering van [slachtoffer 3] gedeeltelijk toe, tot een bedrag van € 2.989,25, bestaande uit materiële schade;
  • verklaart [slachtoffer 3] voor het meer of anders gevorderde niet ontvankelijk in de vordering, en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 3] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 2.989,25 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 29 dagen gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
[slachtoffer 4] (16-062181-25)
  • verklaart [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in de vordering;
  • veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
[slachtoffer 9] (16-062181-25)
  • verklaart [slachtoffer 9] niet-ontvankelijk in de vordering;
  • veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mrs. O. Böhmer en T.C.P. Christoph, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. van Eek als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
16-163694-25
1
hij op of omstreeks 25 mei 2025 te Woudenberg, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven,
die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een (metalen)
buis/uitlaat, althans een hard voorwerp, in/op/tegen het hoofd heeft
geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 mei 2025 te Woudenberg, althans in Nederland,
aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een kaakbreuk, hersenletsel en/of een
bloeding in het hoofd heeft toegebracht, door meermalen, althans eenmaal, met een (metalen)
buis/uitlaat en/of (houten/metalen) knuppel, althans een hard voorwerp,
in/op/tegen het hoofd te slaan;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 mei 2025 te Woudenberg, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een (metalen)
buis/uitlaat, althans een hard voorwerp, in/op/tegen het hoofd heeft
geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 25 mei 2025 te Woudenberg, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] van het leven te beroven,
die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een (metalen)
buis/uitlaat, althans een hard voorwerp, in/op/tegen het hoofd heeft
geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 mei 2025 te Woudenberg, althans in Nederland,
aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk, een ingescheurd oor,
althans een wond aan het oor, en/of één of meer scheefstaande en/of
afgebroken tanden heeft toegebracht, door meermalen, althans eenmaal, met een (metalen)
buis/uitlaat en/of (houten/metalen) knuppel, althans een hard voorwerp,
in/op/tegen het hoofd te slaan;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 mei 2025 te Woudenberg, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een (metalen)
buis/uitlaat, althans een hard voorwerp, in/op/tegen het hoofd heeft
geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op of omstreeks 25 mei 2025 te Woudenberg, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 5] van het leven te beroven,
die [slachtoffer 5] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een (metalen)
buis/uitlaat, althans een hard voorwerp, in/op/tegen het hoofd heeft
geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 mei 2025 te Woudenberg, althans in Nederland,
aan een ander, te weten [slachtoffer 5]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een neusbreuk,
heeft toegebracht, door meermalen, althans eenmaal, met een (metalen)
buis/uitlaat en/of (houten/metalen) knuppel, althans een hard voorwerp,
in/op/tegen het hoofd te slaan;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 mei 2025 te Woudenberg, althans in Nederland,
een ander, te weten [slachtoffer 5] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] een elleboogstoot in het gezicht te geven;
4
hij op of omstreeks 25 mei 2025 te Woudenberg, althans in Nederland,
[slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 8]
heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware
mishandeling, door die [slachtoffer 6] dreigend de woorden toe te voegen: " [slachtoffer 6 (voornaam)] moet dood",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking
en/of die [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 8]
dreigend de woorden toe te voegen: "Als jullie aangifte doen schiet ik jullie
dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking
en/of met een (metalen) buis/uitlaat, althans een hard voorwerp, (dreigend) op
die [slachtoffer 8] af te lopen en/of (daarbij) dreigend de woorden toe te
voegen: “ [slachtoffer 8 (voornaam)] , ik pak jou nog wel”, althans woorden van gelijke dreigende
aard of strekking;
5
hij op of omstreeks 25 mei 2025 te Woudenberg, althans in Nederland,
[slachtoffer 7] heeft mishandeld, door eenmaal op/tegen zijn kaak en/of zijn
hoofd te slaan/stompen;
05-118265-25
hij op of omstreeks 16 november 2024 en/of 17 november 2024 te Renkum, althans
in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een of meerdere sieraden en/of een contant geldbedrag, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het
misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun
bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam
en/of van een valse hoedanigheid en/of of door listige kunstgrepen en/of door een
samenweefsel van verdichtsels, te weten door:
- die [slachtoffer 3] te bellen en/of zich in strijd met de waarheid uit te geven voor
politieambtenaar,
- die [slachtoffer 3] mede te delen dat haar gegevens zijn aangetroffen bij een
aangehouden persoon/verdachte,
- een zogenaamde veiligheidscode aan die [slachtoffer 3] door te geven,
- bij de woning van die [slachtoffer 3] langs te gaan en/of zich daar voor te doen als
politieambtenaar met de aan [slachtoffer 3] doorgegeven veiligheidscode,
- de woning van die [slachtoffer 3] te betreden,
- die [slachtoffer 3] mede te delen dat hij/zij haar sieraden en geld komt fotograferen ten
behoeve van de verzekering en/of
- met die sieraden en het contante geld die woning te verlaten;
16-062181-25
hij op of omstreeks 6 december 2024 te Woudenberg, althans in Nederland,
openlijk, te weten, de [straat] te Woudenberg, in elk geval op of aan de openbare
weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten, [slachtoffer 4]
en/of [slachtoffer 9] , en/of een goed, te weten, de auto op naam van [slachtoffer 4]
, door
- het maken van een afspraak met [slachtoffer 9] , en/of
- het opwachten van [slachtoffer 9] , en/of
- het insluiten van de auto waarin [slachtoffer 4] en [slachtoffer 9] zaten, en/of
- het dragen van een bivakmuts, en/of
- het tonen van een vuurwapen, en/of een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet Wapens en munitie, te weten een alarmpistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of
- het bedreigen van die [slachtoffer 4] met een vuurwapen, en/of en/of een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet Wapens en munitie, te weten een alarmpistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp
- het slaan van die [slachtoffer 4] tegen het hoofd, en/of
- het inslaan op de auto van [slachtoffer 4] , al dan niet met een ijzeren staaf, al dan niet met voorwerpen, en/of
- het pogen tot slaan van [slachtoffer 9] , al dan niet met voorwerpen, en/of
- het lossen van één of meerdere schoten met een vuurwapen en/of een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet Wapens en munitie, te weten een alarmpistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of geweld heeft gepleegd tegen
- een persoon, te weten [slachtoffer 4] , door het slaan van die [slachtoffer 4]
tegen het hoofd, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten,
één of meer verwondingen in het gezicht, voor [slachtoffer 4] ten gevolge heeft gehad;
16-410178-24
1
hij op of omstreeks 24 december 2024 te Woudenberg, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een personenauto (Audi A3 met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele aan [slachtoffer 10] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte
en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om
het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s)
zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die
weg te nemen personenauto onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht
door middel van (gebruikmaking van) een valse sleutel,
door de sleutel en/of op afstand automatische ontgrendeling van het voertuig te
pakken/weg te nemen van de haak en/of kapstok en/of uit het sleutelkastje in de
woning van die [slachtoffer 10] en daarmee (vervolgens) de auto(deur) elektronisch te
ontgrendelen;
2
hij op of omstreeks 24 december 2024 te Woudenberg en/of Leusden, in elk geval in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Audi A3 met kenteken [kenteken] ),
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 10] , in elk geval aan
een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt
en/of weggemaakt;