ECLI:NL:RBMNE:2026:4227

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
16041419.26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke brandstichting in zorginstelling zonder strafoplegging

Op 18 december 2025 stichtte de verdachte opzettelijk brand in zijn slaapkamer van een zorginstelling in Soest, waarbij gevaar ontstond voor goederen en levensgevaar voor medebewoners en personeel. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte het laken van zijn bed in brand stak, maar sprak hem vrij van het onderdeel opzettelijk veroorzaken van een ontploffing wegens gebrek aan bewijs.

De verdachte bekende het feit en er was geen verweer tegen het bewijs. De rechtbank baseerde haar oordeel onder meer op het proces-verbaal van politie en de verklaring van de verdachte tijdens de zitting. De verdachte heeft een voorgeschiedenis met een eerdere brandstichting, waarbij ook toen geen straf werd opgelegd vanwege persoonlijkheidsproblematiek.

Adviezen van een GZ-psycholoog en de reclassering concludeerden dat de verdachte lijdt aan psychische stoornissen zoals autismespectrumstoornis, ADHD en traumagerelateerde problematiek, en dat hij beter af is in een regulier zorgkader dan in een forensisch kader. De rechtbank volgde dit advies en oordeelde dat een straf of maatregel niet passend is, mede omdat de verdachte al zware gevolgen ondervond, waaronder dakloosheid en suïcidepogingen.

De rechtbank verklaarde de verdachte schuldig, maar legde geen straf of maatregel op, omdat het voorkomen van herhaling beter wordt gediend door het zorgkader dat inmiddels is gevonden. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 13 juli 2026.

Uitkomst: Verdachte schuldig bevonden aan opzettelijke brandstichting zonder oplegging van straf of maatregel vanwege psychische problematiek en passend zorgkader.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.041419.26
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] ,
verblijvende bij GGZ Centraal, locatie [locatie] , afdeling [afdeling] ,
aan de [adres] , [postcode] in [plaats]
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 29 juni 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. M.J. van Aalderen;
  • de advocaat van de verdachte: mr. J.M. van Dam.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte er samengevat van dat hij:
op 18 december 2025 in Soest in een zorginstelling opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing heeft veroorzaakt, waardoor gevaar voor goederen en (levens)gevaar voor personen is ontstaan.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht waarbij gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar te vrezen was. Voor het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing ziet de officier van justitie geen bewijs. Zij verzoekt de verdachte van dat onderdeel van de beschuldiging vrij te spreken.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Conclusie
De rechtbank oordeelt dat bewezen is dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in de slaapkamer van de zorginstelling waar hij op dat moment verbleef. Hij heeft het laken van zijn bed aangestoken met een aansteker, waarna het vuur zich heeft verspreid. Daardoor is gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor personen, namelijk de medebewoners en het personeel, ontstaan.
De rechtbank ziet geen bewijs voor het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing. Van dat onderdeel van de beschuldiging spreekt de rechtbank de verdachte dus vrij.
3.3.2.
Bewijsmiddelen
De verdachte bekent dat hij het feit heeft gepleegd, zoals hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van het feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank de inhoud van de bewijsmiddelen niet in het vonnis op te nemen. De rechtbank noemt daarom hierna alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
- het proces-verbaal van bevindingen van politieagenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 3 januari 2026, over het forensisch onderzoek in een woning; [1]
- de verklaring van de verdachte op de zitting van 29 juni 2026.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 18 december 2025 te Soest opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een laken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor een bed en alle goederen in en om de betreffende kamer en aangrenzende kamers, te duchten was
en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten alle
aanwezige personen in de betreffende woning, te duchten was.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezenverklaarde feit is strafbaar gesteld als:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
4.2.
Strafbaarheid feit
Het feit is strafbaar. Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid wegnemen.
4.3.
Strafbaarheid verdachte
Verdachten zijn volgens de wet strafbaar als zij geen geslaagd beroep kunnen doen op een
schulduitsluitingsgrond. Als een verdachte wel een geslaagd beroep kan doen op een schulduitsluitingsgrond is zijn gedrag niet verwijtbaar. Niet is gebleken dat de verdachte een geslaagd beroep op zo’n schulduitsluitingsgrond kan doen. De verdachte is dus strafbaar.

5.Straf en/of maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarbij gaat de officier van justitie ervan uit dat het feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat een straf, ook in voorwaardelijke vorm, voor de verdachte geen functie heeft en eerder contra productief zal werken. Hij verzoekt dan ook om de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank volgt het standpunt van de verdediging en verklaart de verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel. Dat betekent dat de rechtbank afwijkt van de eis van de officier van justitie. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in zijn kamer van de instelling voor begeleid wonen [instelling] , onderdeel van GGZ Centraal in Soest. Brandstichting is een ernstig feit. Vuur kan zich snel en oncontroleerbaar verspreiden en niet alleen een gevaar zijn voor goederen, maar ook voor personen. De personen die in dit geval gevaar hebben gelopen zijn, naast de verdachte zelf, de medebewoners en het personeel van [instelling] . Veel bewoners in een GGZ-instelling zijn beperkt redzaam, waarbij het goed mogelijk is dat zij bij brand niet zelf de kamer verlaten maar dat zij blijven zitten totdat zij eruit worden gehaald. Dat maakt het gevaar voor deze personen en het personeel dat hen moet helpen extra groot.
Dat de schade beperkt is gebleven, is grotendeels te danken aan het tijdig en adequaat optreden van het personeel. Dit is echter ook deels te danken aan de verdachte zelf die één van de begeleiders vanuit zijn kamer belde met de mededeling dat het helemaal niet goed ging, dat hij zichzelf wilde pijnigen en dat hij brand heeft gesticht.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van de verdachte van 19 mei 2026 blijkt dat de verdachte éénmaal eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Het gaat om een veroordeling door de politierechter op 7 mei 2025. Ook die veroordeling was voor een brandstichting, maar toen was alleen sprake van gevaar voor goederen. Gelet op de persoonlijkheidsproblematiek die vermoedelijk aan de brandstichting ten grondslag lag, heeft de politierechter de verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel.
Dat de verdachte nu opnieuw brand heeft gesticht en er ook sprake was van gevaar voor personen, is aanleiding voor de officier van justitie geweest om de verdachte te dagvaarden voor de meervoudige strafkamer. De officier van justitie heeft het NIFP verzocht advies uit te brengen over de vraag of voor deze zaak nu ook verder persoonlijkheidsonderzoek over de verdachte nodig is. Zo’n onderzoek kan helpen bij de afweging om al dan niet een maatregel in een strafrechtelijk kader op te leggen.
Op basis van de beschikbare stukken heeft een GZ-psycholoog van het NIFP op 24 februari 2026 een dergelijk advies uitgebracht. In dat advies concludeert de GZ-psycholoog dat de verdachte niet gebaat is bij een behandeling in een forensisch kader. De GZ-psycholoog stelt wel dat er aanwijzingen zijn voor psychopathologie die mogelijk van invloed is geweest op het plegen van de brandstichting door de verdachte. Sprake zou zijn van een autismespectrumstoornis, ADHD en traumagerelateerde problematiek, mogelijk PTSS. Ook ervaart de verdachte dwanggedachten. Dit uit zich onder mee in automutilatie. De verdachte is volgens de GZ-psycholoog echter goed ingebed in de huidige GGZ zorg, volgt passende behandeling en stelt zich hiervoor open. Geadviseerd wordt om geen verder (Pro Justitia) onderzoek uit te voeren.
De reclassering heeft op 25 juni 2026 een advies over de verdachte uitgebracht. De reclassering adviseert ook om geen strafrechtelijke interventie toe te passen. Net als de GZ-psycholoog vindt de reclassering de hulpverlening van de reguliere GGZ beter past bij de verdachte dan forensische zorg.
De reclassering deelt de conclusie dat de verdachte een psychisch belaste man is. Volgens de reclassering staan de psychische klachten van de verdachte ook in een directe relatie tot het delictgedrag. Zijn justitiecontacten komen volgens de reclassering voort uit zijn psychische kwetsbaarheid. Als hij ontregelt, lijkt hij zichzelf vanuit dwanggedachten te willen pijnigen. De brand in zijn kamer bij [instelling] lijkt hij ook om die reden te hebben gesticht. Hij heeft ook meerdere suïcidepogingen gedaan. De reclassering benadrukt echter dat het ernaar uitziet dat de verdachte na een lange instabiele periode meer rust heeft gekregen. Een onlangs opgelegde zorgmachtiging, de plaatsing op een crisisafdeling, verandering van medicatie en het overdragen van zijn mentorschap van zijn ouders naar een externe partij, lijken hieraan te hebben bijgedragen. Hoewel het evenwicht precair is, lijkt de huidige hulpverlening passend voor hem. Als de verdachte op psychisch vlak stabiel is, ziet de reclassering weinig risico's op herhaling van delictgedrag.
Op de zitting heeft de verdachte ten slotte ook zelf uitgebreid over zijn psychische problematiek verklaard. Hij is daarbij open op de rechtbank overgekomen. Hij heeft zich kwetsbaar opgesteld en laten zien dat hij inzicht heeft in zijn psychische tekortkomingen. Hij heeft verklaard dat hij goed aanvoelt als de spanning in zijn hoofd hoog oploopt en dat hij weet dat hij dan hulp moet inschakelen. Op de zitting deed zich ook een dergelijke situatie voor. Hij heeft toen gevraagd de zitting voor enige tijd te onderbreken.
De verdachte heeft naast ziekte-inzicht ook inzicht getoond in de gevolgen van zijn handelen. Hij is er zichtbaar van geschrokken dat zijn behoefte om zichzelf pijn te doen, dit keer tot een levensgevaarlijke situatie voor anderen heeft geleid.
Alhoewel er geen rapporten liggen met formele diagnoses, acht de rechtbank op basis van het voorgaande aannemelijk dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis die invloed heeft gehad op zijn gedrag tijdens het begaan van het feit. Daarom oordeelt de rechtbank net als de officier van justitie dat het strafbare feit slechts verminderd aan de verdachte kan worden toegerekend.
Geen straf of maatregelDe rechtbank verbindt aan al het voorgaande andere consequenties dan de officier van justitie. Net als de GZ-psycholoog en de reclassering concludeert de rechtbank dat de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte in beginsel niet thuishoort in het strafrecht. De rechtbank verwacht niet dat een voorwaardelijke straf de verdachte ervan zal kunnen weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Het zijn immers de dwanggedachten die maken dat de verdachte overgaat tot het plegen van strafbare feiten. Het voorkomen van herhaling van delictgedrag zal eerder kunnen worden gerealiseerd door een passend zorgkader. Dat lijkt op dit moment te zijn gevonden door de verleende zorgmachtiging. De zorg die in het kader van de zorgmachtiging aan de verdachte wordt geboden, lijkt goed te werken. Dat wil de rechtbank niet doorkruisen. Van belang is vooral dat de verleende zorgmachtiging zo lang mogelijk gehandhaafd wordt. Een maatregel in een strafrechtelijk kader is daarom niet op zijn plaats.
De rechtbank overweegt nog dat het niet alleen haar taak is om het risico op herhaling van delictgedrag te verkleinen, maar ook om te beoordelen of vergelding als strafdoel passend is. Een werkstraf behoort, gelet op de problematiek bij de verdachte, niet tot de mogelijkheden. In dit geval heeft de verdachte bovendien al zware gevolgen van zijn handelen ondervonden. Zo moest hij de instelling waar de brandstichting heeft plaatsgevonden verlaten en is hij enige tijd dakloos geweest. Ook is hij door alle gebeurtenissen rondom de brandstichting verder ontregeld, wat tot suïcidepogingen heeft geleid. Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank dat met het opleggen van een straf geen strafdoel is gediend.
Zoals hiervoor al vermeld, zal de rechtbank daarom opnieuw met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel volstaan.
-

6.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel
- bepaalt dat voor het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Verboom, voorzitter, mr. M.J. Terstegge en mr. G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdestein, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Raedts als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
Bijlage: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 18 december 2025 te Soest,
opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door
open vuur in aanraking te brengen met een laken en/of een matras, terwijl daarvan
gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voor een bed en/of alle
goederen in en om de betreffende woning/kamer en/of aangrenzende kamers en/of
woningen en/of gebouwen, te duchten was
en/of
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten alle
aanwezige personen in het betreffende woning en/of omliggende woningen en/of
gebouwen, duchten was.