ECLI:NL:RBMNE:2026:4228

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
UTR 24/6114
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 APV Almere 2011Art. 7:17 Besluit bouwwerken leefomgevingArt. 7:23 Besluit bouwwerken leefomgevingArt. 8.3 lid 3 Bouwbesluit 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit college over ontheffing geluidhinder spoorwerkzaamheden Almere

Strukton heeft voor 24 nachten in 2024 ontheffing gevraagd bij het college van Almere om geluidhinder te mogen veroorzaken bij spoorwerkzaamheden nabij station Almere Oostvaarders. Het college verleende ontheffing van het Bouwbesluit, maar niet van het APV-verbod op geluidhinder, en beperkte de ontheffing voor de laatste nachten tot avonduren, terwijl Strukton nachten had aangevraagd.

De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte ontheffing verleende van het Bouwbesluit omdat dit niet van toepassing is op de voorbereidende werkzaamheden die geluidhinder veroorzaken vóór de geluidswal. Tevens heeft het college niet beslist over de gevraagde ontheffing van het APV-verbod, waardoor het besluit onvolledig is. Ook trad het college buiten de aanvraag door de ontheffing te beperken tot avonduren zonder dat dit was aangevraagd.

Daarnaast ontbreekt een vereiste belangenafweging in het besluit, waarbij belangen van omwonenden, eisers, ProRail en het algemeen belang bij veilige spoorverbindingen en minimale impact op treinverkeer niet zijn meegewogen. Omdat de werkzaamheden in 2024 hebben plaatsgevonden en de omwonenden geen beroep instelden, ziet de rechtbank geen noodzaak voor een nieuw besluit.

De rechtbank veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van Strukton. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Uitkomst: Het beroep van Strukton wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit van het college wordt vernietigd wegens procedurele en inhoudelijke gebreken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6114
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 op het beroep in de zaak tussen

Strukton Rail B.V. en Strukton Rail Nederland B.V. te Utrecht, eisers

(gemachtigde: mr. B. Oudenaarden),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
(gemachtigde: A. van Rossem).
Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen:
1.
ProRail B.V. te Utrecht, beheerder van het spoorwegennetwerk Nederland
(gemachtigde: mr. J.A.M. van der Velden)
2.
[derde-partij sub 2], uit [woonplaats] , omwonende
(gemachtigde: E.L. Lucas)

Inleiding

1. Eisers verrichten in opdracht van ProRail onderhoud aan het spoorwegennetwerk in Nederland. Nabij station Almere Oostvaarders is in 2024 onderhoud aan het spoor nodig. Ten behoeve hiervan hebben eisers het college op 7 februari 2024 ontheffing gevraagd van het verbod om geluidhinder te veroorzaken dat is neergelegd in artikel 4:5 van Pro de Algemene plaatselijke verordening gemeente Almere 2011 (de APV) en van artikel 8.3 lid 3 van het Bouwbesluit 2012. De aanvraag ziet op in totaal 24 nachten (van 23:00 tot 06:30 uur) tussen 10 januari 2024 en 7 december 2024. Aan de westkant van station Almere Oostvaarders ligt de railinzetplaats ‘Jan van de Boschpad/Laan der VOC’, een verharding op en bij het spoor die kan worden gebruikt in geval van calamiteiten en voor het verrichten van onderhoud aan het spoor. De railinzetplaats is bereikbaar via een toegangsweg. Eisers willen voor de werkzaamheden gebruikmaken van deze railinzetplaats en toegangsweg.
2. In reactie op de aanvraag heeft het college met het besluit van 4 april 2024 (het primaire besluit) middels het stellen van maatwerkvoorschriften de geluidsvoorschriften zoals opgenomen in artikel 7:17 van Pro het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor eisers versoepeld voor 15 van de 24 aangevraagde nachten. Tegen dit besluit is door omwonenden, waaronder [derde-partij sub 2] , bezwaar gemaakt. Het college heeft de bezwaren voorgelegd aan de bezwaarschriftencommissie die daarover op 7 juni 2024 een advies heeft uitgebracht. De commissie adviseert het college om onderzoek te doen naar de feitelijke geluidsbelasting op omliggende woningen en om het besluit op diverse punten aanvullend te motiveren.
3. Met het besluit op bezwaar van 16 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het primaire besluit aanvullend gemotiveerd, maar ook bepaald dat de ontheffing voor de nog komende 7 data alleen geldt van 19:00 tot 22:00 uur, en dus niet meer ’s nachts. Eisers zijn het hier niet mee eens en hebben beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift en een geluidsrapport van de Omgevingsdienst van 18 november 2024 ingediend. ProRail en [derde-partij sub 2] hebben ook schriftelijk gereageerd.
4. De zaak is op 9 maart 2026 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Namens eisers zijn mr. [A] , juriste, [B] , businessline manager en [C] , projectmanager, op de zitting verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. ProRail is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en door [D] , jurist. [derde-partij sub 2] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

Procesbelang
5. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eisers procesbelang hebben bij een beoordeling van hun beroep. De bestuursrechter is er om geschillen te beslechten en beoordeelt een beroep tegen een besluit van een bestuursorgaan daarom alleen inhoudelijk als de indiener van dat beroep daarbij een actueel en reëel belang heeft. Met andere woorden: als er door de uitspraak van de rechter voor de indiener van het beroepschrift daadwerkelijk iets kan veranderen. Als dat belang ontbreekt, doet de rechtbank geen uitspraak alleen maar vanwege de principiële betekenis daarvan.
6. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) dat er in beginsel geen belang meer bestaat bij een inhoudelijk oordeel over de vraag of een ontheffing verleend had mogen worden, als de geldigheidstermijn van die ontheffing is verstreken. [1] Dat lijkt hier het geval te zijn. De data waar het primaire besluit op ziet (2024) zijn inmiddels allemaal verstreken. Uit deze rechtspraak volgt echter ook dat er alsnog procesbelang kan bestaan als aannemelijk is dat er nieuwe besluiten over soortgelijke situaties volgen en die situatie periodiek terugkeert. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze uitzondering zich hier voor. Het college heeft eisers voor 2025 eenzelfde soort ontheffing verleend en op de zitting is gebleken dat het gewenste gebruik van de railinzetplaats ‘Jan van de Boschpad/Laan der VOC’ (jaarlijks) zal terugkeren, zolang er geen goed alternatief beschikbaar is. Het belang van eisers bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit ligt dan ook in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel van de rechtbank kan worden betrokken bij eventuele toekomstige aanvragen van eiser om een ontheffing en de toetsing daarvan. De rechtbank komt daarom toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
De APV
7. Eisers voeren aan dat het college niet volledig op hun aanvraag heeft beslist. Het college heeft namelijk niet beslist over de gevraagde ontheffing van de APV. Er is wél ontheffing verleend van de geluidsnormen uit het Bbl, maar dat was volgens eisers niet nodig, omdat de aanvraag niet ziet op het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden. Er is enkel ontheffing nodig voor de voorbereidende werkzaamheden en dat betreft het aan- en afvoeren van het benodigde materieel over de toegangsweg, en het ter hoogte van de railinzetplaats aanbrengen van dat materieel. Dit gebeurt vóór de geluidswal en veroorzaakt dus geluidhinder. De (bouw- en sloop)werkzaamheden aan het spoor vinden áchter de geluidswal plaats en veroorzaken geen geluidhinder, zodat daar ook geen ontheffing voor nodig is, aldus eisers.
8. De rechtbank kan eisers hierin volgen en stelt vast dat eisers zowel ontheffing hebben aangevraagd van het verbod om geluidshinder te veroorzaken zoals opgenomen in artikel 4:5 van Pro de APV, als van ontheffing van artikel 8.3 lid 3 van het Bouwbesluit 2012, dat ten tijde van het primaire besluit niet meer van kracht was. Het college heeft dit opgevat als een aanvraag van ontheffing van de geluidsnormen zoals opgenomen in artikel 7:17 jo Pro. 7:23 van het Bbl. De aanvraag ziet op ‘spoorwerkzaamheden zoals het vervangen van spoorstaven en spoordwarsliggers, slijpwerkzaamheden aan wissels, slijpwerkzaamheden aan het spoor, onderhoud van lassen, seinen en bovenleidingen’ tussen 23:00 en 06:30 uur. Hierbij zullen eisers, zo staat in de aanvraag, gebruikmaken van een spoorkraan (KROL), een automontagewagen, een door- en een wisselslijpmachine, een railvoertuig en dienstauto’s.
9. Eisers hebben op de zitting toegelicht, en dit is door de andere partijen bevestigd, dat de spoorwegwerkzaamheden die achter de geluidswal plaatsvinden geen geluidshinder veroorzaken. De gevraagde ontheffing ziet dus alleen op de werkzaamheden die plaatsvinden vóór de geluidswal. Zoals gezegd betreft dit alleen de aan- en afvoer en het aanbrengen van het benodigde materieel. Dat zijn geen bouw- en sloopwerkzaamheden, zodat het college eisers ten onrechte ontheffing heeft verleend van de geluidsnormen uit artikel 7:17 van Pro het Bbl. De rechtbank ziet verder dat het college inderdaad verzuimd heeft om te beslissen over de aanvraag voor zover die ziet op ontheffing van het verbod om geluidshinder te veroorzaken uit de APV. Deze beroepsgrond slaagt.
Avonduren
10. Eisers voeren verder aan dat het college met het bestreden besluit buiten de aanvraag is getreden, door te bepalen dat de ontheffing voor de 7 overgebleven data alleen geldt van 19:00 tot 22:00 uur, terwijl dat niet is aangevraagd. Het aanbrengen van het materieel gebeurt onder meer met een spoorkraan. Dat moet omwille van de veiligheid juist ’s nachts gebeuren als er geen treinen rijden. De aanvraag ziet dus niet voor niets op tijdsspannen van 23:00 tot 06:30 uur.
11. De rechtbank kan eisers ook hierin volgen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het bevoegd gezag dient te beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend. Het bevoegd gezag kan alleen in eenzelfde procedure beslissen op een gewijzigde aanvraag, als de aangevraagde wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. [2] Niet is gebleken dat eisers hun aanvraag op dit punt tussentijds hebben gewijzigd. Ook deze beroepsgrond slaagt.
Belangenafweging
12. Eisers voeren verder aan dat het college ten onrechte geen belangenafweging heeft verricht. Blijkbaar heeft het college met het bestreden besluit minder gewicht toegekend aan het zo beperkt mogelijk houden van de impact op het treinverkeer, maar dat blijkt niet uit het bestreden besluit.
13. De rechtbank volgt eisers ook hierin. Vooropgesteld zij dat het college, gelet op het voorgaande, ten onrechte ontheffing heeft verleend van het Bbl. Een belangenafweging die door het college in het licht van dat artikel zou zijn gemaakt, zou de rechtbank om die reden dus al niet kunnen volgen. Waar artikel 7:17 van Pro het Bbl namelijk specifieke geluidsnormen voorschrijft bij bouw- en sloopwerkzaamheden, gaat het in geval van artikel 4:5 van Pro de APV om het veroorzaken van geluidshinder in het algemeen. Bij de keuze om wel of geen ontheffing te verlenen van artikel 4:5 van Pro de APV, heeft het college beleidsruimte. Dat er sprake is van geluidshinder van de voorbereidende werkzaamheden, is niet in geschil. Het is vervolgens aan het college om de betrokken belangen in kaart te brengen en af te wegen. Daarbij gaat het onder meer om het belang van omwonenden bij een goed woon- en leefklimaat, de (financiële) belangen van eisers en ProRail bij doorgang van de werkzaamheden, maar ook het algemeen belang bij een veilige spoorverbinding en het zo beperkt mogelijk houden van de impact op het treinverkeer (door ’s nachts te werken) spelen een rol. Van belang is verder of er alternatieve locaties of mogelijkheden zijn om de geluidshinder tot een minimum te beperken. Een dergelijke belangenafweging ontbreekt in het bestreden besluit. Ook deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie

14. Gelet op het voorgaande slagen de door eisers aangevoerde beroepsgronden. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Omdat het hier gaat om werkzaamheden die verricht zijn in 2024 en de omwonenden zelf geen beroep hebben ingesteld, acht de rechtbank het niet zinvol om het college op te dragen om een nieuw besluit op de bezwaren te nemen.
15. Omdat het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank het college in de proceskosten die eisers in beroep hebben gemaakt. De kosten van eisers voor de beroepsmatige rechtsbijstand van hun gemachtigde stelt de rechtbank vast op € 1.868,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,-- onder een wegingsfactor 1). De genoemde tarieven staan in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
16. Tot slot moet het college het door eisers betaalde griffierecht van € 371,-- aan hen vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit;
 veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,--;
 bepaalt dat het college het door eisers betaalde griffierecht van € 371,-- aan hen vergoedt.
Deze uitspraak is op 13 juli 2026 in het openbaar gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier. De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:959.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2677.