ECLI:NL:RBMNE:2026:4261

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/16/610707 / KL ZA 26-114
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1 JeugdwetArt. 2.2 JeugdwetArt. 2.3 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering zorgaanbieder tot vergoeding jeugdhulp zonder aanvraag

Omega Groep B.V., een zorgaanbieder, vordert vergoeding van gemeenten Almere en Lelystad voor jeugdhulp verleend aan kinderen van twaalf moeders die in 2024 en 2025 in haar instelling verbleven op basis van de Wet langdurige zorg (WLZ). Omega baseert haar vorderingen op overeenkomsten met de gemeenten en een toezegging van Lelystad.

De rechtbank oordeelt dat Omega geen aanspraak kan maken op vergoeding zonder dat een aanvraag is ingediend, zoals vereist op grond van de Jeugdwet. De hulp die Omega verleende kan mogelijk als jeugdhulp worden gekwalificeerd, maar ook dan is een beschikking van de gemeenten noodzakelijk. De vorderingen kunnen niet worden toegewezen omdat Omega geen aanvraag heeft gedaan en de overeenkomsten en communicatie geen grondslag bieden voor vergoeding zonder aanvraag.

Daarnaast is de gevorderde vergoeding voor preventieve zorg niet toewijsbaar omdat preventie via algemene voorzieningen verloopt en niet via individuele gevallen zoals hier. Omega wordt veroordeeld in de proceskosten van de gemeenten. De rechtbank adviseert partijen om in overleg te treden over een mogelijke aanvraagprocedure en maatwerk.

De uitspraak is een voorlopige beslissing in kort geding, waarbij de rechter inschat of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. De rechtbank concludeert dat dit niet het geval is en wijst de vorderingen af.

Uitkomst: De vorderingen van Omega tot vergoeding van jeugdhulp worden afgewezen wegens het ontbreken van een aanvraag en beschikking.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/610707 / KL ZA 26-114
Vonnis in kort geding van 14 juli 2026
in de zaak van
OMEGA GROEP B.V.,
te Zwolle,
eisende partij,
hierna te noemen: Omega,
advocaat: mr. C.J. de Boer,
tegen

1.GEMEENTE ALMERE,

te Almere,
hierna te noemen: Almere
advocaat: mr. S.G. Tichelaar,
2.
GEMEENTE LELYSTAD,
te Lelystad,
hierna te noemen: Lelystad
advocaat: mr. J. Tophoff,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: de Gemeenten.

1.De procedure

1.1.
Deze processtukken zijn in de procedure ingediend:
  • de dagvaarding met 27 producties;
  • de conclusie van antwoord gemeente Almere;
  • de conclusie van antwoord gemeente Lelystad;
  • de aanvullende producties 28 tot en met 30 van Omega Groep
  • de akte eiswijziging van Omega Groep;
  • de pleitaantekeningen van Omega en de Gemeenten.
1.2.
Op 19 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Omega waren daarbij aanwezig: de heer [A] ( [functie] ) en de heer [B] ( [functie] ) met mr. De Boer. Namens Almere verschenen: de heer [C] ( [functie] ) en de heer [E] ( [functie] ) met mr. Tichelaar. Van de zijde van Lelystad waren aanwezig: mevrouw [F] ( [functie] ) met mr. Tophoff. Advocaten hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Verder heeft de griffier aantekeningen gemaakt van wat is besproken op de mondelinge behandeling.
1.3.
Op de mondelinge behandeling is aan partijen gezegd dat op 10 juli 2026 vonnis zal worden gegeven. Om organisatorische redenen is dat met bericht naar partijen uitgesteld naar vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1.
Omega is een zorgaanbieder. De Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het organiseren en bekostigen van jeugdhulp. De vorderingen die Omega in deze procedure heeft ingesteld komen erop neer dat Omega een vergoeding wil van de Gemeenten, omdat zij jeugdhulp heeft verleend aan de kinderen van twaalf moeders die in 2024 en 2025 bij haar op grond van de Wet langdurige zorg (hierna: WLZ) in een instelling verbleven. Volgens Omega heeft zij recht op (een regeling voor) een vergoeding op basis van overeenkomsten die zij sloot met de Gemeenten en op basis van een toezegging die Lelystad deed. De Gemeenten betwisten dit. De vorderingen van Omega [1] kunnen in dit kort geding niet worden toegewezen.

3.De beoordeling

3.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De voorzieningenrechter in kort geding probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waarbij een spoedeisend belang bij de vorderingen aanwezig is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet.
Omega heeft een spoedeisend belang
3.2.
Omega heeft een spoedeisend belang. Omega stelt namelijk dat haar bedrijfsvoering onder druk staat doordat de Gemeenten al jarenlang niet betalen voor de jeugdhulp die zij verleent. Zonder betaling kan zij de hulp aan de kinderen niet meer garanderen. En zonder hulp is de thuissituatie niet veilig genoeg en zullen er mogelijk uithuisplaatsingen volgen. Omega heeft dus belang bij een snelle beslissing.
3.3.
Omdat er een voldoende spoedeisend belang is, beoordeelt de rechter de vorderingen hierna inhoudelijk.
De totstandkoming van de samenwerking
3.4.
De aankoopcentrale van Almere heeft in 2023 en 2024 een aanbestedingsprocedure doorlopen voor de inkoop van jeugdhulp met verblijf voor de gemeenten Almere, Dronten, Lelystad, Noordoostpolder en Urk. Deze vijf gemeenten zijn samen de jeugdhulpregio Flevoland en noemen zich gezamenlijk Sociaal Domein Flevoland of kortweg SDFL.
3.5.
Tijdens en na de aanbestedingsprocedure heeft Omega twee keer een overeenkomst gesloten met SDFL over het verlenen van jeugdhulp met verblijf. De eerste overeenkomst is een overbruggingsovereenkomst voor de jaren 2023 en 2024 (hierna: de Overbruggingsovereenkomst). De tweede overeenkomst is gesloten na afronding van de aanbestedingsprocedure (hierna: de Overeenkomst). Van deze tweede overeenkomst maakt een nota van inlichtingen onderdeel uit, waarin vragen van Omega staan en antwoorden daarop van SDFL.
De vorderingen van Omega kunnen niet gebaseerd zijn op nakoming
3.6.
Omega baseert haar vordering primair op nakoming van de Overbruggingsovereenkomst en de Overeenkomst (hierna samen: de Overeenkomsten). De Overeenkomsten hebben betrekking op het verlenen van jeugdhulp. Subsidiair en meer subsidiair baseert Omega haar vorderingen op de stelling dat de Gemeenten en Lelystad (of in ieder geval alleen Lelystad) in actie moeten komen, omdat sprake is van jeugdhulp en de Gemeenten op grond van de jeugdwet verantwoordelijk zijn voor het organiseren en bekostigen van jeugdhulp.
3.7.
Wat jeugdhulp is, is gedefinieerd in artikel 1.1. Jeugdwet. Daarbij is van belang dat een gemeente op grond van artikel 2.2. van de Jeugdwet ook een beleid moet voeren op het gebied van preventie. Preventieve hulp is echter geen jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet [2] en valt ook niet onder de Overeenkomsten.
3.8.
De hulp die Omega vergoed wil zien bestaat uit enerzijds ‘zorgkosten’ en anderzijds ‘hotelmatige kosten’. Die zorgkosten bestaan volgens Omega uit kosten voor hulp bij de dag start, het naar school brengen, het thuiskomen en het naar bed gaan. Ook gaat het volgens Omega om opvoedondersteuning van de ouder. De hotelmatige kosten bestaan uit kosten voor bijvoorbeeld gas, water en licht, een grotere huisvestingsruimte en eten, aldus Omega. Volgens Omega wordt deze hulp verleend omdat sprake is van opvoedingsproblemen en niet slechts een risico daarop. Daarom is volgens Omega sprake van jeugdhulp. De Gemeenten wijzen erop dat Omega aanvoert dat zij met de hulp uithuisplaatsing wil voorkomen. Volgens haar is daarom alleen al sprake van preventie. De Gemeenten vinden dus dat de hulp die Omega heeft verleend niet voor vergoeding in aanmerking komt.
3.9.
Hoewel gelet op de stellingen van partijen de vraag relevant lijkt of de hulp die Omega verleende en verleent aan de kinderen van moeders met een WLZ-indicatie die verblijven in een instelling van Omega kwalificeert als jeugdhulp, kan het antwoord in het midden blijven. Ook als dit namelijk zo is, kan op basis van dit kort geding niet gekomen worden tot een toewijzing van de vorderingen van Omega. Het voorlopige oordeel van de rechter is namelijk dat Omega, zoals de Gemeenten aanvoeren, een aanvraag moet doen om tot vergoeding van jeugdhulp te komen. In artikel 2.3 van de Jeugdwet staat dat het college van de Gemeenten moet oordelen of een jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met bijvoorbeeld opgroei- en opvoedingsproblemen. Dat betekent dat er een beschikking nodig is waaruit blijkt dat de Gemeenten jeugdhulp moeten vergoeden. Partijen zijn het erover eens dat Omega geen aanvraag heeft gedaan tot vergoeding van jeugdhulp. Anders dan Omega verder nog aanvoert, volgt er ook uit de Overeenkomsten, uit de werkinstructie en de andere communicatie geen ander oordeel. De rechter zal dit verder toelichten door hierna eerst in te gaan op de afspraken in 2024 en daarna op de afspraken in 2025.
Afspraken 2024
3.10.
Ten eerste stelt Omega dat zij recht heeft op een vergoeding van de verleende zorg in 2024 op basis van de Overbruggingsovereenkomst. Volgens Omega is de ouder-kindtoeslag uit de tarieflijst ook bedoeld voor kinderen van WLZ-moeders. Omega verwijst ter onderbouwing naar de werkinstructie van SDFL.
3.11.
Uit de werkinstructie en de brief van Lelystad blijkt echter juist het tegenovergestelde, namelijk dat er eerst een aanvraag moet worden gedaan. In de werkinstructie staat namelijk onder de ‘wijze van uitvoering’ dat de vergoeding wordt toegekend
door de verwijzeren inzetbaar is voor jeugdigen die samen met hun moeder in een moeder & kind voorziening verblijven. Er is dus eerst een verwijzing nodig, nadat Omega een aanvraag heeft gedaan. In de brief ontvangen op 26 juni 2024 schrijft Lelystad bovendien dat Omega zich voor 2024 moet realiseren dat de regionale afspraken gelden voor de moeder-kindtoeslag. Omega heeft niet gesteld of uitgelegd dat die regionale afspraken betekenen dat geen aanvraag nodig is.
3.12.
Ten tweede stelt Omega dat Lelystad in maart 2024 zou hebben toegezegd een oplossing te bieden voor de bekostiging van de kinderen van WLZ-moeders in 2024. Op
5 maart 2024 heeft Lelystad geschreven: ‘
voor 2024 komen wij met een voorstel hoe dit in 2024 te regelen’ en ‘
voor 2024 willen we graag onderzoek door Jeugd Lelystad (waar nodig samen met het Sociaal Wijkteam) laten doen naar de concrete hulpvragen en -momenten van de gezinnen. Vervolgens kijken we wat en hoe we kunnen inzetten. Met wie bij de Omega-Groep kan Jeugd Lelystad contact opnemen voor het maken van een afspraak?
Dat Lelystad zonder aanvraag een vergoeding zou toekennen, blijkt niet uit de brief van maart 2024. De toezeggingen uit de brief van maart 2024 zijn op zichzelf onvoldoende om de vorderingen in dit kort geding toe te wijzen. Lelystad schrijft namelijk enkel dat zij een voorstel zal doen en dat zij onderzoek wil laten doen. De uitkomsten van het onderzoek zijn in dit kort geding onbekend en bovendien stelt Lelystad onbetwist dat zij voorafgaand aan het kort geding een voorstel heeft gedaan.
3.13.
De Overbruggingsovereenkomst, de werkinstructie en andere communicatie bieden al met al geen grondslag voor toewijzing van de vorderingen van Omega.
Afspraken 2025
3.14.
Volgens Omega heeft zij - zonder verwijzing na aanvraag - recht op een toeslag voor de verleende jeugdhulp in 2025 op basis van de Overeenkomst en de toezegging van SDFL in de bijbehorende nota van inlichtingen dat er een toeslag zal worden vastgesteld.
3.15.
In de nota van inlichtingen die een onderdeel uitmaakt van de Overeenkomst staat:
Bij vraag en antwoord 1671:
Bij vraag en antwoord 1661:
Ten slotte staat bij vraag en antwoord 13-1400:
3.16.
De rechter is het niet met Omega eens dat uit de nota van inlichtingen volgt dat de Gemeenten de jeugdhulp vergoeden door
zonder aanvraageen toeslag te betalen aan Omega. In het antwoord op vraag 1671 staat weliswaar dat het tarief van de moeder-kindtoeslag zal worden toegevoegd, maar daarin wordt ook verwezen naar het antwoord op vraag 1661. Het antwoord op vraag 1671 moet dus in samenhang met het antwoord op vraag 1661 worden gelezen. Uit het antwoord op vraag 1661 blijkt dat er niet standaard een beschikking wordt afgegeven, maar dat een beschikking alleen wordt gegeven als uit onderzoek van de verwijzer en aanbieder blijkt dat dit noodzakelijk is. Verder staat in antwoord 13-1400 niet dat er zonder aanvraag een toeslag wordt betaald voor de doelgroep waar het in dit geval om gaat: de moeders waar het om gaat zijn namelijk boven de 18 jaar.
3.17.
Kortom, voor jeugdhulp kan op basis van de Overeenkomst met nota van inlichtingen een vergoeding worden toegekend als na beoordeling blijkt dat dit noodzakelijk is. Hieruit blijkt niet dat Omega
zonder aanvraagaanspraak kan maken op vergoeding van jeugdhulp. Omega zal dus een aanvraag moeten doen. In dit kort geding heeft de rechter geen stukken gezien waaruit blijkt dat een aanvraag wordt afgewezen of niet mogelijk zou zijn.
3.18.
Gelet op het voorgaande bieden de Overeenkomsten en toezegging en ook artikel 1.1. van de Jeugdwet zelf geen grondslag voor het (laten) vaststellen van een ouder-kindtoeslag of het betalen van een vergoeding zonder aanvraag. Aan de overige relevante verweren van de Gemeenten wordt daarom niet meer toegekomen.
Ook de gevorderde regeling voor vergoeding van preventieve zorg kan in dit kort geding niet worden toegewezen
3.19.
Op de mondelinge behandeling heeft Omega uitgelegd dat de uiterst subsidiaire vordering zo gelezen moet worden dat Omega vraagt om een regeling voor dekking van de kosten van preventie. De Gemeenten hebben onbetwist uitgelegd dat kosten voor preventie vergoed moeten worden op basis van een algemene voorziening door de gemeenten en preventiekosten niet geldt voor individuele gevallen zoals Omega hier vraagt. De Overeenkomsten bieden ook geen basis voor vergoeding van preventieve zorg, want deze gaan juist over jeugdhulp. Daarbij heeft Lelystad heeft in maart 2024 niet toegezegd dat er een regeling wordt getroffen, zoals hiervoor is overwogen.
3.20.
Kortom: er is geen grond voor de rechter om in dit kort geding te bepalen dat er (een regeling voor) een vergoeding moet komen voor Omega als het wel gaat om preventie.
Conclusie: de vorderingen van Omega zullen worden afgewezen
3.21.
De conclusie is dat de vorderingen van Omega zullen worden afgewezen. Omega heeft op de mondelinge behandeling gezegd dat het niet zo kan zijn dat de vindt dat de zorg die zij de afgelopen jaren aan de kinderen heeft verleend en die zij in de toekomst misschien nog steeds verleent niet vergoed gaat worden. Zij zal echter daartoe, zoals hiervoor is overwogen en als Omega meent dat het gaat om jeugdhulp, een aanvraag moeten doen. Volgens Omega kan dat niet, omdat er geen product met tarief is, omdat zij een deel van de zorg al heeft verleend en omdat zij geen contract heeft met Lelystad voor lokale jeugdhulp. Maar de Gemeenten en SDFL hebben daartegenover tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat er wel een aanvraag kan worden gedaan en er maatwerk kan worden geleverd als blijkt dat er jeugdhulp nodig is en moet worden verleend. Volgens Lelystad kan het bovendien niet zo zijn dat een aanvraag wordt afgewezen, omdat er geen regeling zou zijn. De rechter raadt partijen aan daarover (concreet) verder met elkaar in gesprek te gaan.
Omega moet de proceskosten van de Gemeenten vergoeden
3.22.
Omega is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten en nakosten van de Gemeenten vergoeden. De proceskosten van de Gemeenten worden begroot op:
Gemeente Lelystad:
 Griffierecht
735,00
 Salaris advocaat
588,50
 Nakosten
94,50
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.418,00
Gemeente Almere:
 Griffierecht
735,00
 Salaris advocaat
588,50
 Nakosten
94,50
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.418,00
3.23.
De rechter heeft het salaris van de advocaat en de nakosten gehalveerd. Dat komt omdat de Gemeenten weliswaar beiden met eigen advocaat zijn verschenen, maar zij inhoudelijk een gelijkluidend verweer hebben gevoerd.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
wijst de vorderingen van Omega af,
4.2.
veroordeelt Omega in de proceskosten van de Gemeenten, die tot op heden zijn begroot op € 1.418,00 voor Almere en € 1.418,00 voor Lelystad, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving, te vermeerderen met € 49,00 (per gemeente) plus de kosten van betekening als Omega niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op
14 juli 2026.
5425

Voetnoten

1.De (gewijzigde) eis van Omega wordt aan deze uitspraak gehecht.