ECLI:NL:RBMNE:2026:4279

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/2874
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen sluiting bedrijfspand niet-ontvankelijk verklaard

Verzoeker heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen de sluiting van een bedrijfspand door de burgemeester van Utrecht, besloten op 15 april 2026. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk is.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen afschrift van het bezwaarschrift en het besluit heeft overgelegd, ondanks een schriftelijke oproep om dit binnen een week te herstellen. Ook is het griffierecht niet betaald en is geen reden voor betalingsonmacht aangevoerd. Hierdoor is het verzoek om meerdere redenen niet-ontvankelijk.

Omdat er geen lopende bezwaarprocedure aannemelijk is gemaakt, kan het verzoek om voorlopige voorziening niet worden behandeld. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af zonder inhoudelijke beoordeling en zonder proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.H. Lange op 27 mei 2026 en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van het bezwaarschrift, het besluit en het niet betalen van griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2874

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker

en

de burgemeester van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. S. Silbermann).

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de sluiting van het bedrijfspand aan de [adres] in [plaats 2] . De burgemeester heeft hiertoe op 15 april 2026 besloten.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift overleggen [1] en zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft. [2] Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
4. Bij het verzoekschrift zijn het (inleidend) bezwaarschrift en het besluit waarop het geschil betrekking heeft niet overgelegd. De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 20 april 2026 verzocht om binnen één week deze verzuimen te herstellen.
5. Verzoeker heeft binnen die termijn geen afschrift van het besluit en het bezwaarschrift overgelegd. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim. Het verzoek om voorlopige voorziening is alleen hierom al niet-ontvankelijk.
6. Omdat verzoeker geen afschrift van het bezwaarschrift heeft overgelegd, moet de voorzieningenrechter er bovendien vanuit gaan dat er geen bezwaarprocedure loopt. Alleen als dat wel het geval is, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen.
7. Tot slot stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker het griffierecht niet op tijd heeft betaald. Er is geen beroep op betalingsonmacht gedaan. Ook het niet betalen van het griffierecht is reden voor een niet-ontvankelijkverklaring.
Conclusie en gevolgen
8. Het verzoek is daarom om meerdere redenen kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.
2.Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.