ECLI:NL:RBMNE:2026:4286

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
C/16/611047 / JL RK 26-300
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ondertoezichtstelling minderjarige wegens onvoldoende aannemelijkheid ernstige ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van een jaar, vanwege zorgen over een instabiele thuissituatie en emotionele achterstanden bij het kind. De moeder betwistte het verzoek en stelde dat zij zelf hulpverlening had ingeschakeld en dat de situatie verbeterd was.

Tijdens de zitting, waarbij de vader en de gezinsvoogd niet verschenen, werd vastgesteld dat de minderjarige niet op uitnodiging tot een gesprek reageerde. De kinderrechter nam kennis van het Raadsrapport en de standpunten van partijen, waaronder een recent incident waarbij de moeder met ambulance werd afgevoerd vanwege stressklachten.

De kinderrechter oordeelde dat hoewel er zorgen zijn over de ontwikkeling van het kind, deze vooral betrekking hebben op gebeurtenissen uit het verleden en dat de noodzakelijke zorg niet wordt geweigerd door de moeder. De hulpverlening is recent gestart en betrokken instanties zijn niet overtuigd van de noodzaak van een ondertoezichtstelling.

Het incident vlak voor de zitting veranderde het oordeel niet, mede omdat de moeder bereid is hulp te zoeken. De kinderrechter zag geen grond voor een ondertoezichtstelling en wees ook het verzoek van de moeder om proceskostenveroordeling af, omdat het de taak van de Raad is onderzoek te doen bij zorgen over een kind.

Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van ernstige ontwikkelingsbedreiging en het feit dat vrijwillige hulpverlening wordt geaccepteerd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almere
Zaaknummer: C/16/611047 / JL RK 26-300
Datum uitspraak: 9 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Midden-Nederland, Lelystad,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
feitelijk verblijvende in [plaats] ,
advocaat mr. J.M.M. Pater.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ontvangen op 1 mei 2026;
- het verweerschrift met bijlage van de moeder, met zelfstandig verzoek, ontvangen op 5 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat en tolk M. Kosicka;
- [A] namens de Raad.
De vader en de GI zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de GI wel juist zijn opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een gesprek om zijn mening te geven. [minderjarige] heeft niet op de uitnodiging gereageerd.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] niet erkend, maar is wel de biologische vader van [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont samen met zijn ouders in de woning van de vader in [plaats] .
2.3.
Bij de beschikking van 3 maart 2026 heeft de kinderrechter het verzoek tot het voorlopig onder toezicht stellen van [minderjarige] afgewezen.

3.De verzoeken

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De moeder is het niet eens met het verzoek. Zij verzoekt de kinderrechter het verzoek af te wijzen en de Raad in de kosten van de procedure te veroordelen.

4.De standpunten

4.1.
De Raad maakt zich (nog steeds) grote zorgen over [minderjarige] . [minderjarige] groeit al jaren op in een instabiele thuissituatie, waarbij er veel conflicten zijn tussen de ouders, waarvan [minderjarige] in het verleden ook getuige is geweest. Ook heeft [minderjarige] meermaals van woonplekmoeten wisselen. [minderjarige] lijkt een achterstand in zijn emotionele ontwikkeling te hebben waar aandacht voor nodig is. De hulpverlening komt echter moeizaam tot stand en het lijkt de moeder niet te lukken om de hulpverlening door te zetten. De vader lijkt het moeilijk te vinden om adequaat bij [minderjarige] aan te sluiten, en de moeder is onvoldoende beschikbaar vanwege stress over haar woonsituatie. De Raad vindt dat de ouders door dit alles op dit moment onvoldoende in staat zijn om [minderjarige] de stabiliteit te bieden die hij nodig heeft. Tijdens de zitting heeft de Raad in aanvulling op het verzoek verteld dat de politie op 8 juni 2026, de dag voor de zitting, bij de woning is geweest en dat de moeder is meegenomen met de ambulance.
4.2.
De moeder vindt dat een ondertoezichtstelling niet nodig is. Volgens haar staan er veel onwaarheden in het Raadsrapport en is dit tijdens de vorige zitting in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling ook al besproken, maar is hier ten onrechte niets mee gedaan. Al sinds begin 2026 wonen de moeder en [minderjarige] weer bij de vader en dit verloopt goed. Ook op school wordt gezien dat het goed gaat met [minderjarige] . De moeder heeft zelf hulpverlening ingeschakeld voor het gezin via Carrefour. Voor [minderjarige] is, in samenspraak met de school, de GGz ingeschakeld. De moeder heeft verteld dat zij veel stress heeft vanwege het verzoek om een ondertoezichtstelling. Zij had kalmeringsmedicatie ingenomen, en omdat dat onvoldoende rust bracht, daarna nog een hogere dosis. Daarvan werd zij onwel. Haar dochter heeft toen hulpdiensten geïnformeerd en om die reden is zij met de ambulance meegenomen. Waarom de politie gekomen is, weet de moeder niet goed. [minderjarige] was bij dit alles niet aanwezig. In het ziekenhuis heeft de moeder een telefoonnummer ontvangen voor hulp bij haar stressklachten en de moeder wil daar graag gebruik van maken.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter zal het verzoek van de Raad afwijzen. Dat betekent dat er geen ondertoezichtstelling komt. Hierna legt de kinderrechter dit uit.
5.2.
Voor een ondertoezichtstelling is ten eerste noodzakelijk dat sprake is van ernstige ontwikkelingsbedreigingen voor een kind. De kinderrechter begrijpt in dit verband de zorgen van de Raad. In de relatie tussen de ouders is in het verleden veel gebeurd. [minderjarige] en de moeder zijn meerdere keren (noodgedwongen) vertrokken uit de woning van de vader en de vader heeft uitspraken gedaan die niet goed zijn voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft mogelijk PTSS/trauma gerelateerde klachten en daar is aandacht voor nodig. De kinderrechter merkt hierbij op dat de zorgen wel voort lijken te komen uit gebeurtenissen die al wat langer geleden zijn. De informatie in het Raadsrapport dateert vrijwel allemaal van eind 2025/begin 2026; alleen de gemeente is in maart 2026 nogmaals gesproken, maar de ouders, [minderjarige] , de school en de hulpverlening zijn niet meer recent door de Raad gesproken. Dat neemt niet weg dat die gebeurtenissen ook nu nog de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig kunnen bedreigen, en dat er hulp nodig kan zijn bij het verwerken ervan.
5.3.
Voor een ondertoezichtstelling is echter ook vereist dat de zorg die nodig is om de ernstige ontwikkelingsbedreigingen weg te nemen, niet of onvoldoende door de ouder met gezag – hier: de moeder - wordt geaccepteerd. Anders gezegd: vrijwillige hulp lukt of kan niet. De Raad heeft naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan dit vereiste is voldaan, gelet op de gemotiveerde betwisting door de moeder. de kinderrechter niet voldaan. De moeder heeft zelfstandig hulp ingeschakeld bij Carrefour, nadat de gemeente deze hulp eerder had stopgezet. Dit heeft zij gedaan ná de behandeling van het verzoek tot een voorlopige ondertoezichtstelling, en dit is dus niet een stap die de moeder alleen maar heeft gezet om een dreigende ondertoezichtstelling te voorkomen, maar juist een stap die wijst op een eigen motivatie om hulp te zoeken. Ook heeft de moeder in overleg met de school van [minderjarige] hulp gezocht bij de GGz. Deze hulp is net gestart. De kinderrechter weegt hierbij daarnaast mee dat de ambulante crisishulpverlening, die in 2025 bij het gezin betrokken is geweest, tegen de Raad heeft gezegd een ondertoezichtstelling niet nodig te vinden. Carrefour heeft tegen de Raad gezegd dat een ondertoezichtstelling ‘wellicht nodig’ zou kunnen zijn. De school van [minderjarige] heeft tegen de Raad gezegd dat er de laatste maanden geen zorgen zijn geweest. Deze bij het gezin betrokken instanties zijn, kortom, niet overtuigd van een noodzaak van een ondertoezichtstelling. Dat is voor de kinderrechter niet doorslaggevend, maar weegt wel mee.
5.4.
Het incident van dat een dag voor de zitting heeft plaatsgevonden, maakt het oordeel van de kinderrechter niet anders. De moeder heeft uitgelegd hoe dit is gegaan, en de Raad heeft die gang van zaken ter zitting niet weersproken. De moeder heeft ook aangegeven dat zij zelf ook graag hulp wil bij haar stressklachten. De kinderrechter vindt het heel belangrijk dat de moeder deze hulp ook daadwerkelijk zoekt en de al ingezette hulp doorzet.
5.5.
De kinderrechter ziet op dit moment geen rol voor een gezinsvoogd weggelegd, behalve dat deze zou kunnen monitoren of de moeder de ingezette hulpverlening doorzet. De kinderrechter vindt dat onvoldoende grond voor een ondertoezichtstelling. Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.
5.6.
Het verzoek van de moeder om de Raad in de proceskosten te veroordelen, wijst de kinderrechter ook af. Het is de taak van de Raad om onderzoek te doen als zij zorgen zien rondom de ontwikkeling van een kind. Dat is ook wat de Raad hier heeft gedaan. Het enkele feit dat het verzoek van de Raad wordt afgewezen, vindt de kinderrechter onvoldoende reden om de Raad in de proceskosten te veroordelen.

6.De beslissing

De kinderrechter wijst de verzoeken af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. J.M. Atema, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.R.S. Salomé als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.