ECLI:NL:RBMNE:2026:4294

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
12173979 LE VERZ 26-18 RD/960
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:632 BWArt. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet gerechtvaardigd wegens herhaald te laat komen en nalaten schoonmaaktaken

De Storemanager trad op 1 juli 2025 in dienst voor acht maanden en werd op 6 februari 2026 op staande voet ontslagen wegens herhaald te laat komen en het niet uitvoeren van schoonmaaktaken. Ondanks meerdere waarschuwingen, waaronder een formele schriftelijke waarschuwing, verbeterde zijn gedrag niet. De werkgever stelde dat tijdige aanwezigheid essentieel was vanwege de functie en verantwoordelijkheden, waaronder het openen van de winkel.

De kantonrechter stelde vast dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was omdat sprake was van een samengestelde dringende reden: het structureel te laat komen en het nalaten van essentiële schoonmaaktaken. De werkgever had de dringende reden onverwijld medegedeeld. De werknemer had geen gegronde reden voor zijn gedrag en had de waarschuwingen genegeerd.

De Storemanager vorderde loon, transitievergoeding en terugbetaling van een bedrag dat onterecht was ingehouden op de eindafrekening. De kantonrechter wees deze vorderingen af, behalve een klein bedrag van €30,25 bruto dat te veel was ingehouden. De werknemer werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de werkgever.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig verklaard en de meeste vorderingen van de werknemer zijn afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Lelystad
zaaknummer: 12173979 LE VERZ 26-18 RD/960
Beschikking van 29 juni 2026
inzake
[verzoeker],
wonende in [woonplaats] ,
verder te noemen: [verzoeker] ,
verzoekende partij,
gemachtigde: mr. L. Biemond,
tegen:
de besloten vennootschap
[verweerder],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verder te noemen: [verweerder] ,
verwerende partij,
gemachtigde: mr. M. de Jong.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift, met producties 1 tot en met 15, door de griffie ontvangen op
  • het verweerschrift met producties 1 tot en met 4.
1.2
De mondelinge behandeling is gehouden op 28 mei 2026. Op de mondelinge behandeling zijn verschenen:
  • [verzoeker] , bijgestaan door een tolk, met mr. Biemond;
  • [A] (verder ook te noemen [A] ), de directeur van [verweerder] , met
mr. De Jong.
Aan de hand van spreekaantekeningen hebben partijen hun standpunten toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder met partijen is besproken.
1.3
Op de mondelinge behandeling is bepaald dat op 25 juni 2026 een beschikking wordt gegeven. Om organisatorische redenen is dit uitgesteld tot 29 juni 2026.

2.De kern van het geschil

2.1
[verweerder] is eigenaar van een [bedrijf] in [plaats] in [woonplaats] . [verzoeker] is op 1 juli 2025 in dienst getreden als Storemanager voor een periode van 8 maanden. [verweerder] heeft [verzoeker] op 6 februari 2026 op staande voet ontslagen. [verzoeker] zou, ondanks waarschuwingen, te laat op het werk verschijnen en schoonmaakwerkzaamheden niet (goed) uitvoeren. [verzoeker] is het hier niet mee eens. Er is volgens hem geen dringende reden voor het ontslag en het ontslag is niet onverwijld gegeven. Hij verzoekt de kantonrechter daarom om het ontslag op staande voet te vernietigen. Primair maakt [verzoeker] aanspraak op loon (met wettelijke verhoging en wettelijke rente) en de transitievergoeding. Verder heeft [verweerder] volgens [verzoeker] bij de eindafrekening ten onrechte € 1.065,72 bruto op de eindafrekening in mindering gebracht. Dit bedrag vordert hij terug (met wettelijke verhoging en wettelijke rente).
2.2
De kantonrechter is het met [verweerder] eens dat er een onmiddellijk einde aan de arbeidsovereenkomst mocht komen. De verzoeken van [verzoeker] worden daarom afgewezen. Wat wordt toegewezen is een klein gedeelte van het op de eindafrekening onterecht ingehouden bedrag door [verweerder] .

3.De beoordeling

Het juridisch kader
3.1
De kantonrechter moet het ontslag op staande voet aan de hand van onderstaande regels beoordelen.
3.2
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden aanwezig is en het ontslag onmiddellijk (onverwijld) is gegeven onder onmiddellijke mededeling van de dringende reden aan de werknemer. Voor de werkgever wordt als dringende reden gezien zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en in samenhang, in aanmerking worden genomen. Bij deze beoordeling moet ook rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zouden hebben.
De mededeling van de dringende reden aan [verzoeker]
3.3
In een brief van 6 februari 2026 en Whatsapp bericht van diezelfde datum schrijft [verweerder] het volgende aan [verzoeker] :

Following repeated discussions and several warnings from our side, including a final formal warning, we have concluded that there has been no sufficient improvement in arriving on time and in carrying out the assigned duties.
3.4
Aan het ontslag ligt dus ten grondslag dat (ondanks verschillende waarschuwingen) [verzoeker] geen verbetering heeft laten zien in het op tijd komen en het uitvoeren van de hem opgedragen werkzaamheden. Omdat er verschillende feiten ten grondslag worden gelegd aan een enkel ontslag op staande voet, is sprake van een samengestelde dringende reden. Dat [verweerder] vier dagen later, op 10 februari 2026, per e-mail heeft gesteld dat ook de twee redenen op zichzelf een dringende reden vormen, doet daar niet aan af. De gehele aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde reden moet dus komen vast te staan. Het ontslag op staande voet is ongeldig als één van de onderdelen ontbreekt.
De inhoud van de functie van Shopmanager
3.5
[verzoeker] had bij [verweerder] de functie van Shopmanager. In het personeelshandboek is over deze functie opgemerkt:

You are entrusted with the day-to-day running of the business, leading your crew with steady hands and clear direction. As a manager or Assistant Manager, you act as the business owner aboard your ship, responsible for operation tasks, smooth sailing of shifts, and the performance of your crew.”
3.6
De aard van de werkzaamheden als Shopmanager vereiste de tijdige aanwezigheid van [verzoeker] , omdat hij beschikte over de sleutel en verantwoordelijk was voor het openen van de winkel voor zowel klanten als leveranciers. De opening werd altijd door één medewerker verzorgd. Ook in het weekend, wanneer later op de dag meerdere medewerkers aanwezig waren, bestond de ochtenddienst tot ongeveer 12.00 – 13.00 uur, uit één werknemer. Tijdige aanwezigheid was dus essentieel. Hoewel van een werknemer verwacht mag worden dat hij begrijpt dat hij op tijd aanwezig moet zijn, is dit ook onderschreven in het personeelshandboek waar in het overzicht van de taken en verplichtingen van de Shopmanager is opgenomen:
“Your duties at a glance:

Arriving promptly for duty and ensuring your crew keeps shipshape time.”
Verder was met [verzoeker] in artikel 2 van Pro de arbeidsovereenkomst overeengekomen dat hij in zijn functie van Shopmanager in voorkomende gevallen ook andere werkzaamheden verricht, zoals schoonmaakwerkzaamheden.
3.7
[verweerder] heeft onbetwist gesteld dat [verzoeker] zelf het personeelshandboek heeft opgesteld. Hij wist dus dat op tijd op het werk verschijnen in zijn functie absoluut noodzakelijk was. Op de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] verder gezegd dat in het kader van het waarborgen van de hygiëne de tafels, vloer en de grillplaten dagelijks schoongemaakt moesten worden. Incidenteel moesten andere schoonmaakwerkzaamheden worden verricht, zoals het schoonmaken van de inloopkoelkast.
[verzoeker] kwam ondanks waarschuwingen vaak te laat op het werk
3.8
Doordat [verzoeker] in de ochtenden vrijwel altijd alleen werkzaam was in de winkel, ontbrak directe controle of toezicht door andere medewerkers. Om die reden moest [verzoeker] inklokken (en uitklokken) via een tablet in het systeem Consilio.
Eind september 2025 stelde [verweerder] vast dat [verzoeker] zijn eigen inkloktijden achteraf had aangepast. Per Whatsapp sprak [verweerder] [verzoeker] hierop aan. [verzoeker] betwiste dat hij de begintijd had aangepast. Volgens hem was hij vergeten in te klokken. Toen [verweerder] medio november 2025 de functionaliteit voor [verzoeker] had opgeheven om de kloktijden aan te passen werd zichtbaar dat [verzoeker] structureel te laat op het werk verscheen. Bij 36 van de 54 diensten in de periode van medio november tot 6 februari 2026 (de datum van het ontslag op staande voet) kwam [verzoeker] te laat. Het te laat komen varieerde van 5 tot maar liefst 45 minuten. [verweerder] vertelde op de mondelinge behandeling dat hij [verzoeker] daar meerdere keren mondeling op aansprak. [verzoeker] heeft op de mondelinge behandeling erkend dat hij vaak te laat kwam. Niet alleen bij [verweerder] , maar ook bij zijn vorige werkgevers. Hij heeft moeite met het inschatten van tijd. Daarbij dacht [verzoeker] dat het te laat komen niet een groot probleem was. Dat hij door [verweerder] werd aangesproken op zijn te laat komen betwistte [verzoeker] in eerste instantie. Vervolgens zei hij dat hij slechts in algemene zin op het te laat komen werd aangesproken en uiteindelijk vertelde hij dat hij wel in oktober en november 2025 buiten de winkel was aangesproken door [verweerder] op zijn tijdigheid. [verweerder] vertelde dat [verzoeker] steeds beterschap beloofde en hij daarop vertrouwde.
3.9
[verzoeker] bleef te laat komen. Op 22 januari 2026 zelfs 35 minuten. De winkel ging die dag daardoor ook pas 35 minuten later open. Toen ook nog bleek dat [verzoeker] belangrijke schoonmaakwerkzaamheden had nagelaten, heeft [verweerder] hem op 26 januari 2026 een schriftelijke formele waarschuwing (
final warning) gegeven. In de brief schrijft [verweerder] :
“We have repeatedly emphasized the necessity of arriving on time to work. Unfortunately, on January 22, 2026, you were late once again, causing the store to open later than intended.This not only affects our customers but also the team.Additionally, we have noticed that important tasks, despite our repeated instructions, have not been carried out as expected. This is something we have also discussed with you before. We are referring to Cleaning the fat grates, HACCP lists etc
Our patience has run out.
In the event of another occurrence of similar behaviour, we will be compelled to issue a dismissal for cause. (…)”
3.1
[verzoeker] liet deze brief onweersproken. Hij heeft ook de stelling van [verweerder] niet betwist dat hij expliciet gezegd heeft dat hij zich schaamde voor zijn laksheid en dat hij zijn gedrag zou aanpassen. De belofte van [verzoeker] bleek loos te zijn. Bij een controle door [verweerder] van het systeem Consilio een week later bleek [verzoeker] van de acht diensten zes keer opnieuw te laat te zijn verschenen. [verweerder] zond toen de ontslagbrief en Whatsapp van 6 februari 2026.
3.11
De kantonrechter vindt dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Mogelijk drong voor 26 januari 2026 de ernst van het te laat komen niet tot [verzoeker] door. Maar door de inhoud van deze brief was [verzoeker] een gewaarschuwd man. Het had voor hem duidelijk moeten zijn dat [verweerder] niet langer tolereerde dat hij te laat op het werk zou komen én ook dat hij de noodzakelijke schoonmaakwerkzaamheden moest uitvoeren. Het is aan de werkgever om de aanvangstijd van de werkzaamheden te bepalen. [verweerder] mocht van [verzoeker] als Shopmanager verwachten dat hij op tijd zou komen. [verzoeker] heeft geen goede reden kunnen geven waarom van hem niet verwacht kan worden om op tijd te komen. Hij woont bovendien in [woonplaats] en ging met de fiets naar het werk. Dat hij het moeilijk vindt om de tijd in te schatten maakt dit niet anders. Hij had bijvoorbeeld ook een wekker kunnen zetten. Daarbij gaat het niet om enkele keren een paar minuten te laat komen, maar geruime tijd structureel te laat komen tot zelfs 45 minuten. Doordat [verzoeker] te laat verscheen, kon de winkel niet op tijd openen. [verweerder] heeft uitgelegd dat klanten en leveranciers erop moeten kunnen vertrouwen dat de winkel op de vastgestelde openingstijden geopend is, zodat ze niet voor een dichte deur staan. Bovendien heeft hij op de mondelinge behandeling verteld dat er aan een plek in [plaats] strikte voorwaarden gelden. De winkels in [plaats] moeten 364 dagen per jaar (op tijd) open zijn. Door de directie van [plaats] is [verweerder] inmiddels herhaaldelijk aangesproken op de te late opening van de winkel. Het te laat komen van [verzoeker] heeft dus gevolgen voor de professionele uitstraling en brengt de bedrijfsvoering van de onderneming in gevaar. Het te laat komen levert dan ook een dringende reden op voor ontslag.
[verzoeker] heeft essentiële schoonmaakwerkzaamheden niet verricht
3.12
Het tweede dat [verweerder] aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd is dat [verzoeker] onvoldoende verbetering heeft laten zien bij het uitvoeren van de toegewezen taken. [verzoeker] moest voldoen aan een dagelijkse takenlijst met schoonmaakwerkzaamheden (HACCP-lijst). In ieder geval moest hij de tafels, vloer en de grillplaten dagelijks schoonmaken. Dat is ook logisch, gelet op het feit dat in de winkel van [verweerder] voedsel (vis) wordt klaargemaakt en opgegeten en dus aan strenge hygiëne eisen zal moeten worden voldaan om de voedselveiligheid te kunnen garanderen. In de ‘
final warning’ van 26 januari 2026 wees [verweerder] daar ook op.
3.13
Volgens [verzoeker] had hij te weinig tijd om de schoonmaakwerkzaamheden uit te voeren als hij alleen in de winkel stond. Hij moest dan namelijk ook de klanten en kassa bedienen. Zo ook op 5 februari 2026. Uit het overzicht van de Customer Traffic bleek het [verweerder] vervolgens dat [verzoeker] op 5 februari 2026 in een dienst van acht uur, maar dertien klanten had gehad. Bovendien was er in de middag een tweede medewerker op de werkvloer. Zoals [verweerder] aanvoert is het tegen die achtergrond niet te begrijpen dat [verzoeker] de basale, maar essentiële, hygiëne eisen niet naleefde. Volgens de kantonrechter heeft [verzoeker] daardoor geen goede reden om de schoonmaakwerkzaamheden (weer) niet (goed) uit te voeren. Als [verzoeker] onvoldoende tijd had om schoon te maken, dan had hij dat die dag aan [verweerder] moeten laten weten en het niet erop aan moeten laten komen.
3.14
[verzoeker] voert aan dat het niet voldoen aan dagelijkse schoonmaaktaken geen dringende reden voor een ontslag op staande voet kan opleveren. Volgens hem moet een werkgever een werknemer een verbetertraject bieden als hij kritiek heeft op hoe een werknemer zijn taken uitvoert. Hoewel de kantonrechter [verzoeker] hier in kan volgen, is dat in dit geval niet van toepassing. [verzoeker] gaat er namelijk aan voorbij dat hij al vaker was gewaarschuwd voor het niet goed uitvoeren van zijn schoonmaakwerkzaamheden. Dit blijkt uit de “
final warning” en de ontslagbrief. [verzoeker] heeft erkend dat hij de schoonmaakwerkzaamheden niet (goed) heeft uitgevoerd op 5 februari 2026 en daarover gezegd dat dit kwam door tijdgebrek. Dat heeft niets te maken met onvoldoende functioneren, maar kennelijk met een bewuste keuze van [verzoeker] om door tijdgebrek het schoonmaken niet (naar behoren) uit te voeren. Dat [verzoeker] op 5 februari 2026 weer zijn taken verzaakte kan dus zoals [verweerder] ook aanvoert gezien worden als de druppel die de emmer doet overlopen. Dit levert ook een dringende reden op.
De dringende reden is onmiddellijk (onverwijld) medegedeeld
3.15
Na de “
final warning” kwam [verzoeker] al op 2 februari 2026 weer te laat op het werk. Dit geldt ook voor 4 en 5 februari 2026. Toch is [verweerder] pas op 6 februari 2026 overgegaan tot het ontslag op staande voet. [verzoeker] stelt dat dit te laat is. Als [verzoeker] gelijk de kloktijden had bekeken, had ze al op 2 februari 2026 kunnen zien dat [verzoeker] weer te laat kwam.
[verzoeker] gaat er met dit standpunt aan voorbij dat niet beslissend is wanneer de werkgever het vermoeden had kunnen hebben, maar wanneer hij dat daadwerkelijk had (HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1347). [verweerder] heeft in dit verband opgemerkt dat de kloktijden pas aan het einde van de week definitief worden gemaakt. [verweerder] zag zodoende pas op 6 februari 2026 dat [verzoeker] op 2 februari 2026, 4 februari 2026 en 5 februari 2026 wederom te laat op zijn werk was verschenen. Omdat hij ook zijn schoonmaakwerk niet (volledig) uitvoerde is [verweerder] op 6 februari 2026 tot ontslag op staande voet overgegaan. Gelet hierop heeft [verweerder] voldoende voortvarend gehandeld bij de opzegging.
Conclusie: het ontslag op staande voet is rechtsgeldig
3.16
[verweerder] had een dringende reden voor het ontslag op staande voet van [verzoeker] . [verweerder] heeft het ontslag onverwijld gegeven onder onmiddellijke mededeling van de dringende reden aan [verzoeker] . Door het veelvuldig te laat komen en het niet goed uitvoeren van de schoonmaakwerkzaamheden tastte [verzoeker] de professionele uitstraling van [verweerder] aan en bracht hij de bedrijfsvoering van [verweerder] in gevaar. Dit is [verzoeker] ernstig te verwijten. Van [verweerder] kon daarom niet verwacht worden dat hij de arbeidsovereenkomst, ondanks de nog korte looptijd en de gevolgen van het ontslag voor [verzoeker] , nog langer zou voortduren. Het ontslag op staande voet blijft dus in stand. Dit maakt dat de verzochte verklaring voor recht zal worden afgewezen. Hetzelfde geldt als vanzelfsprekend voor de door [verzoeker] verzochte nevenvorderingen, omdat deze volledig samenhangen met het ontslag op staande voet. Ook het verzoek tot toekenning van een transitievergoeding zal worden afgewezen, omdat het handelen van [verzoeker] ernstig verwijtbaar is (zoals blijkt uit voorgaande overwegingen).
De eindafrekening is voor een klein deel niet correct geweest
3.17
Op de eindafrekening heeft [verweerder] € 1.065,72 bruto ingehouden. [verzoeker] verzoekt [verweerder] te veroordelen dit bedrag, vermeerderd met vakantietoeslag, wettelijke verhoging en wettelijke rente aan hem te betalen.
3.18
Volgens [verweerder] had [verzoeker] 52,829 minuren, doordat hij lang vakantie had opgenomen (van 9 december tot en met 31 december 2025). Omdat [verweerder] wel het volledige loon had betaald mocht [verweerder] deze minuren verrekenen met de eindafrekening op grond van de toepasselijke CAO Horeca en het bepaalde in artikel 7:632 BW Pro. [verzoeker] betwiste op de mondelinge behandeling de minuren niet, tenminste niet gemotiveerd. Hij voerde alleen aan dat afgesproken was dat hij de uren nog zou inhalen, maar dat is door het ontslag op staande voet niet meer gelukt.
Dit betekent dat [verzoeker] 52,829 uur te veel aan loon betaald heeft gekregen. Dit loon mocht [verweerder] verrekenen met de eindafrekening. Uitgaande van een uurloon van € 19,43 bruto inclusief vakantiegeld komt dit neer op € 1.026,47 bruto (52,829 x € 19,43). Dit is
€ 30,25 bruto minder is dan [verweerder] op de eindafrekening heeft ingehouden. [verweerder] heeft nog aangevoerd dat ook dit bedrag verrekend kan worden, omdat [verzoeker] door het schadeplichtig ontslag de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd is. Maar hierop is door [verweerder] te laat aanspraak gemaakt.
3.19
Het voorgaande betekent dat [verweerder] nog een bedrag van € 30,25 bruto aan [verzoeker] moet betalen vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente daarover.
[verzoeker] moet de proceskosten betalen
3.2
Gelet op de uitkomst van deze procedure (waarin [verweerder] grotendeels in het gelijk is gesteld) moet [verzoeker] de proceskosten van [verweerder] betalen. Deze kosten bedragen
€ 1.009,00 en bestaan uit € 865,00 aan salaris voor de gemachtigde van [verweerder] en
€ 144,00 aan nakosten.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van € 30,25 bruto aan ten onrechte verrekend loon, te vermeerderen met € 15,13 aan wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente vanaf het moment van verrekening tot aan het moment van betaling;
4.2
wijst de overige verzoeken van [verzoeker] af;
4.3
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van [verweerder] van € 1.009,00. De proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [verzoeker] ook de kosten van betekening betalen;
4.4
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.J. Schoenaker, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.