ECLI:NL:RBMNE:2026:4297

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
C/16/611318 / JL RK 26-308
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWBesluit gezagsregisters
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen voor zes maanden

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen voor zes maanden vanwege aanhoudende zorgen over de opvoeding en verzorging, waaronder onvoldoende hygiëne bij de vader en instabiele hulpverlening bij de moeder.

De moeder stemde in met verlenging maar vond zes maanden te kort en verzocht om een jaar. De vader steunde de verlenging van zes maanden en benadrukte het belang van een ouderschapsplan.

De kinderrechter oordeelde dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld omdat de ontwikkelingsbedreiging nog niet is weggenomen en vrijwillige hulpverlening onvoldoende is benut. De verlenging voor zes maanden is passend, terwijl het verzoek van de moeder tot een jaar niet ontvankelijk werd verklaard omdat zij geen langere termijn kan verzoeken dan de GI.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en wordt geregistreerd in het gezagsregister. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor zes maanden en het verzoek van de moeder tot verlenging van een jaar wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almere
Zaaknummer: C/16/611318 / JL RK 26-308
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd in Almere,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonend in [woonplaats 1] , gemeente [gemeente] ,
advocaat: mr. M. Janse uit Apeldoorn,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonend in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift (met bijlagen) van de GI, ontvangen op 8 mei 2026;
  • het verweerschrift met zelfstandig verzoek (met bijlagen) van 9 juni 2026 van de moeder;
  • het bericht (met bijlage) van 10 juni 2026 van de GI.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [A.] namens de GI.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader.
2.3.
De kinderrechter heeft op 4 december 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 18 juni 2026.

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren
3.2.
De moeder verzoekt het verzoek van de GI toe te wijzen, de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De GI
4.1.
De GI vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk. De bestaande zorgen over de opvoedsituatie en de verzorging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn niet weggenomen. Zo is de hygiëne in de woning van de vader volgens de GI nog niet voldoende. De vader laat wel een positieve ontwikkeling zien, maar heeft de regie van de GI nodig om de gemaakte afspraken om te kunnen zetten in duurzame verbetering. Bij de moeder is de hulpverlening nog niet voldoende van de grond gekomen door de vele wisselingen van hulpverleners. Hoewel verbetering van de situatie zichtbaar is, is de ontwikkeling nog onvoldoende stabiel en is het risico op terugval aanwezig. Daarnaast is de ingezette hulpverlening tot nu toe nog niet gericht geweest op opvoedingsvraagstukken. Omdat de ouders allebei goed meewerken aan de hulpverlening, vindt de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden voldoende. De GI heeft er vertrouwen in dat de noodzakelijke hulpverlening na deze zes maanden door de ouders vrijwillig wordt voortgezet. Daarnaast ontwikkelen de kinderen zich erg goed op school.
De moeder
4.2.
De moeder is het met de GI eens dat een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Zij ziet dat de kinderen zich emotioneel onveilig voelen en maakt zich zorgen om de situatie bij de vader thuis. Ook laten de kinderen bij haar thuis zorgelijk gedrag zien. De betrokken hulpverleners bij de vader en de moeder zouden daarom met elkaar moeten communiceren. De moeder vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling van zes maanden te kort. Het is onduidelijk waar de duur van zes maanden op is gebaseerd. De zichtbare verbeteringen zijn tot nu toe minimaal. De rapportages van de GI bevatten steeds verschillende doelen, zonder dat eerdere doelen zijn behaald. Ook is er nog geen zicht op de opvoedvaardigheden van de vader. Daarnaast kunnen de zes maanden niet volledig worden benut, omdat de Raad voor de Kinderbescherming de beëindiging van de ondertoezichtstelling moet toetsen. De moeder vindt het onwenselijk dat na zes maanden weer een verlenging van de ondertoezichtstelling wordt verzocht, omdat dit opnieuw onrust met zich meebrengt.
De vader
4.3.
De vader is van mening dat hij alles heeft gedaan wat hij moest doen. De hulpverlening die nodig is om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen, kan daarom ook vrijwillig plaatsvinden. Het enige probleem is dat er geen ouderschapsplan is en de vader en de moeder het over veel dingen niet eens zijn. De vader wil dan ook een verlenging van de ondertoezichtstelling, omdat dit kan helpen bij het opstellen van een ouderschapsplan.

5.De beoordeling

Het verzoek van de GI
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat de zorgen over de opvoeding en verzorging onvoldoende zijn weggenomen. De hygiëne bij de vader thuis is nog niet volledig op orde. Ook moet er zicht komen op de opvoedvaardigheden van beide ouders voordat de ondertoezichtstelling kan worden beëindigd. Beide ouders maken zich zorgen over de opvoedsituatie bij de andere ouder.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ingezette hulpverlening nog niet volledig is benut en de zichtbare positieve ontwikkeling niet stabiel genoeg is. De vader staat meer open voor hulpverlening dan voorheen, maar heeft de regie van de GI nodig om de situatie duurzaam te verbeteren. Bij de moeder is de hulpverlening nog onvoldoende van de grond gekomen door de wisselingen van hulpverleners.
Net als de GI, ziet de kinderrechter ouders die het beste met hun kinderen voor hebben en willen meewerken aan hulpverlening. De betrokkenheid van de GI is daarom nog een korte tijd nodig, zodat de noodzakelijke verbeteringen gerealiseerd kunnen worden en de ouders hier verder aan kunnen werken met vrijwillige hulpverlening.
5.4.
De kinderrechter weet niet of het de ouders lukt om een ouderschapsplan te maken in de komende zes maanden. Tijdens de zitting werd duidelijk dat hiertoe al vele pogingen zijn gedaan. Het ontbreken van een ouderschapsplan is ook niet de reden van de verlenging van de ondertoezichtstelling. Van belang is hoe het met de kinderen gaat. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelen zich over het algemeen heel goed. Een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden lijkt daarom op dit moment voldoende.
5.5.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het verzoek van de moeder
5.7.
De moeder verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Op grond van artikel 1:260, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de moeder dit verzoeken, als de GI niet tot een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling overgaat. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden. Artikel 1:260, tweede lid, BW brengt niet met zich mee dat de moeder bevoegd is om een langere termijn te verzoeken dan de GI heeft verzocht.
5.8.
Gelet op het bovenstaande zal de kinderrechter de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 18 december 2026;
6.2.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot het verlengen van de ondertoezichtstelling;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door
mr. L.P. de Haas, kinderrechter, in aanwezigheid van A. Spanninga als griffier, en op schrift gesteld op 24 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.