ECLI:NL:RBMNE:2026:4304

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
16.273154.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 24c SrArt. 5 WVWArt. 6 WVWArt. 177 WVW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor dodelijk verkeersongeval wegens kort moment onoplettendheid, geldboete voor gevaarlijk rijgedrag

Op 10 mei 2025 veroorzaakte de verdachte op de Rijksweg A6 een kettingbotsing waarbij één persoon overleed en meerdere zwaargewond raakten. De rechtbank oordeelde dat de verdachte een kort moment van onoplettendheid had, maar dat dit niet volstond voor aanmerkelijke onvoorzichtigheid zoals vereist voor schuld aan dood of zwaar letsel onder artikel 6 WVW Pro. Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van deze ernstige tenlastelegging.

Wel werd vastgesteld dat de verdachte zich schuldig maakte aan het veroorzaken van gevaar op de weg door te laat te reageren op een file en remlichten, wat leidde tot de kettingbotsing. Dit subsidiaire feit onder artikel 5 WVW Pro werd bewezen verklaard. De rechtbank legde een geldboete van €1.000 op, rekening houdend met het blanco strafblad van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en de ernst van het ongeval.

De rechtbank benadrukte dat het overlijden en de zwaargewonde slachtoffers tragisch zijn, maar dat de strafmaat niet alleen door de gevolgen wordt bepaald, maar door de mate van verwijtbaarheid. De verdachte was afgeleid door het bedienen van het navigatiesysteem, maar dit was slechts een kort moment van onoplettendheid. De opgelegde geldboete weerspiegelt de ernst van het gevaarzettingsfeit zonder onnodig zwaar te straffen.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van schuld aan dood en zwaar letsel, veroordeeld tot geldboete voor gevaarzetting op de weg.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.273154.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 15 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1967] in [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk),
verblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats 1] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 1 juli 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. R. den Uijl;
  • de advocaat van de verdachte: mr. M.Ü. Özsüren (hierna: de advocaat);
  • de slachtoffers: [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , en overige nabestaanden van [slachtoffer 4] .

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
primair:
op 10 mei 2025 te [plaats 2] een verkeersongeval heeft veroorzaakt door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden, waardoor [slachtoffer 4] is overleden en bij [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel is ontstaan;
subsidiair:
op 10 mei 2025 te [plaats 2] als bestuurder van een voertuig zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank primair om de verdachte geheel vrij te spreken en subsidiair om de verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 4.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak primaire feit
De rechtbank oordeelt dat het primair tenlastegelegde feit niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom zij tot dit oordeel komt.
3.3.2.
Bewijsmiddelen subsidiaire feit
De rechtbank oordeelt dat het subsidiaire feit wel is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: [1]
De verklaring van verdachte ter terechtzitting op 1 juli 2026:
Toen ik het navigatiesysteem uit wilde zetten, stond het verkeer voor mij ineens stil en toen was het al gebeurd. Ik ben op de andere auto ingereden. Ik zag nog wel de remlichten van de auto voor mij, maar toen zat ik er al bovenop.
Een proces-verbaal FO-verkeer opgemaakt op 6 oktober 2025, inhoudende een Forensisch onderzoek plaats delict, zakelijk weergegeven:
Op 10 mei 2025, had op de Rijksweg A6 Re, ter hoogte van hectometerpunt 94.0, gelegen buiten de als zodanig aangegeven bebouwde kom van [plaats 2] ,
een verkeersongeval plaatsgevonden. Bij dit verkeersongeval waren vijf personenauto's betrokken, zijnde een Peugeot, een Toyota, een Mercedes-Benz, een Mitsubishi en een Honda.
De bestuurder van de Mercedes-Benz stond gedurende 4 seconden voor het verkeersongeval stil. De bestuurder van de Toyota reed achter de Mercedes-Benz en remde zijn voertuig in 4,2 seconden af van een snelheid van 10 km/h tot een snelheid van 2 km/h op het moment van het verkeersongeval.
Dit betreft een comfortabele remming.
De bestuurder van de Peugeot is met een minimale snelheid van 121,58 km/h achter op de Toyota gereden. De Toyota is vervolgens ongeveer 16,5 meter naar voren geduwd, tegen de Mercedes-Benz aan. De Mercedes-Benz is naar voren geduwd, tegen de Mitsubishi aan en de Mitsubishi is naar voren geduwd en tegen de Honda gereden.
Ten gevolge van het verkeersongeval zijn twee inzittenden van de Peugeot, waaronder de bestuurder, en drie inzittenden van de Toyota, waaronder de bestuurder, gewond geraakt. Een vierde inzittende van de Toyota is ten gevolge van het verkeersongeval overleden. [2]
Op 10 mei 2025 heeft [getuige 1] een getuigenverklaring afgelegd, zakelijk weergegeven:
Op 10 mei 2025 reed ik in mijn voertuig over Rijksweg A6 in de richting van Emmeloord op rijstrook 2. Ter hoogte van hectometerpaal 94 rechts zag ik voor mij een file. Ik kwam volledig tot stilstand. Ik zag dat het voertuig achter mij volledig tot stilstand kwam. Ik voelde opeens dat ik van achter aangereden werd. Ik stapte uit het voertuig. Ik zag dat er meerdere voertuigen tegen elkaar waren gereden. [3]
3.3.3.
Bewijsoverwegingen
Wat kan worden vastgesteld?
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat de verdachte op 10 mei 2025 op de Rijksweg A6 een personenauto van het merk Peugeot heeft bestuurd. De toegestane maximum snelheid op dat deel van de A6 is 130 kilometer per uur.
Er was een file ontstaan. De Mercedes-Benz van getuige [getuige 3] stond 4 seconden stil en de Toyota van de slachtoffers die daarachter reed heeft in 4,2 seconden afgeremd van 10 kilometer per uur naar 2 kilometer per uur. De remlichten van de Toyota werkten en de verdachte heeft deze remlichten naar eigen zeggen heel kort voor de aanrijding gezien. De verdachte heeft niet op tijd geremd en is vervolgens met minimaal een snelheid van 121,58 kilometer per uur achterop de Toyota gereden. Door de botsing is de Toyota tegen de Mercedes-Benz gereden die op zijn beurt op een Mitsubishi is gebotst. Ten slotte is de Mitsubishi nog op de auto daarvoor, de Honda van getuige [getuige 1] , gebotst. Er is dus een kettingbotsing ontstaan.
Door deze botsing is [slachtoffer 4] overleden. Zij was de bijrijder in de Toyota. De overige inzittenden van de Toyota, bestuurder [slachtoffer 3] en passagiers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , hebben allen zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Ook de verdachte en zijn zoon hebben zwaar lichamelijk letsel opgelopen door het ongeval.
Vrijspraak primair (artikel 6 WVW Pro)
Voor schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) moet minstens sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Bij de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Vastgesteld moet worden dat de verdachte aanmerkelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het gedrag van de verdachte moet daarvoor worden vergeleken met wat van een bestuurder van een motorrijtuig in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro kan niet alleen kan worden afgeleid uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag. Het overlijden van een persoon, hoe ernstig ook, door een verkeersongeval, heeft op zichzelf geen invloed op de mate van verwijtbaarheid van de verdachte. Daarnaast geldt dat een enkel moment van onoplettendheid niet voldoende is om tot een bewezenverklaring van aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid te kunnen komen.
Uit het dossier leidt de rechtbank af dat de file plotseling is ontstaan. Het ongeluk heeft plaatsgevonden ter hoogte van hectometerpaal 94 rechts. Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , die in de voorste twee auto’s reden die betrokken waren bij de kettingbotsing, hebben de file pas opgemerkt bij hectometerpaal 94. Dit is dus pas kort voor de botsing geweest. Uit de camerabeelden, die op zitting besproken zijn, blijkt dat getuige [getuige 2] verder heeft verklaard dat zij 130 kilometer per uur reed en dat het verkeer toen ineens stil stond. Op de bodycam-beelden van de politie die direct na het ongeluk ter plaatse was, heeft de rechtbank verder waargenomen dat de matrixborden die waarschuwen voor filevorming niet aanstonden.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de andere automobilisten konden anticiperen op de file en dat de bestuurders van de Honda, Mitsubishi en Mercedes-Benz hun alarmlichten hadden aangedaan. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat de auto waar de verdachte achter reed, de Toyota, ook alarmverlichting voerde. Kennelijk is dit aan de bestuurder van de Toyota niet gevraagd, en het blijkt ook overigens nergens uit. Of de verdachte de alarmverlichting van de auto’s voor de Toyota heeft kunnen opmerken blijkt eveneens onvoldoende. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de verdachte gedurende enige tijd is gewaarschuwd voor de file en daarop heeft kunnen anticiperen.
Wel staat vast dat de Toyota voor de duur van 4,2 seconden heeft geremd en dat de remlichten toen voor de verdachte zichtbaar moeten zijn geweest, omdat de verdachte heeft verklaard dat hij de remlichten heeft gezien.
De vraag ligt dan voor waarom de verdachte de file en de remlichten van de voorganger niet dusdanig op tijd heeft opgemerkt dat hij een botsing kon voorkomen door tijdig te remmen.
Uit het dossier blijkt dat de verdachte en zijn zoon bezig waren met de navigatie voor de volgende dag. Zowel de verdachte als zijn zoon hebben verklaard dat de verdachte opdracht gaf aan zijn zoon om een adres op te zoeken. Op de camerabeelden is te horen dat de zoon direct na het ongeval heeft verklaard dat er een verkeerd adres op het navigatiesysteem verscheen, dat zijn vader ernaar keek en dat toen de klap kwam. Het ligt dus voor de hand dat aandacht voor de navigatie voor afleiding heeft gezorgd.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat het niet relevant is in hoeverre de verdachte zich met het navigatiesysteem heeft bemoeid en hoe lang zijn aandacht bij het scherm was, omdat geconcludeerd kan worden dat hij er hoe dan ook enig moment door was afgeleid. De rechtbank deelt die mening niet.
De rechtbank is van oordeel dat hooguit kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een kort moment van onoplettendheid. Hierbij weegt mee dat uit het dossier is gebleken dat de verdachte niet harder heeft gereden dan ter plaatste was toegestaan en dat het aannemelijk is dat op de matrixborden naast de snelweg geen filewaarschuwing werd getoond. Omdat niet duidelijk is waar de filevorming begon, is niet vast te stellen binnen welke reactietijd de verdachte op de filevorming had moeten reageren. Bovendien blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 2] dat het verkeer ‘ineens’ stilstond. Verder kan niet worden vastgesteld dat de verdachte door bemoeienis met de navigatie langer dan een kort moment was afgeleid. Het feit dat de botsing fatale gevolgen heeft gehad, maakt dit niet anders.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het enkele moment van onoplettendheid, hoe ernstig de gevolgen ook zijn geweest, onvoldoende is om ondergrens van aanmerkelijk verwijtbare onvoorzichtigheid te halen. Daarom spreekt de rechtbank de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit.
Bewezenverklaring subsidiair (artikel 5 WVW Pro)
Bij de beoordeling of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een overtreding van artikel 5 WVW Pro, moet worden vastgesteld of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt, of dat het verkeer op de weg werd gehinderd of kon worden gehinderd.
De advocaat heeft aangevoerd dat er geen sprake is geweest van gevaarzettend gedrag als bedoeld in artikel 5 WVW Pro. De rechtbank komt tot een ander oordeel.
Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is besproken bij de behandeling van artikel 6 WVW Pro stelt de rechtbank vast dat er bij de verdachte sprake is geweest van een kort moment van onoplettendheid, waardoor gevaar op de weg in de zin van artikel 5 WVW Pro is veroorzaakt. Gebleken is dat hij te laat heeft gereageerd op de filevorming, en meer in het bijzonder de gedurende enige tijd zichtbare remlichten van de voorganger te laat heeft opgemerkt. Het gevaar heeft zich ook verwezenlijkt, nu door de gedraging van de verdachte een kettingbotsing heeft plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer 4] is overleden en [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. De subsidiair tenlastegelegde overtreding van artikel 5 WVW Pro is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
subsidiair:
op 10 mei 2025, te [plaats 2] , gemeente [.] , als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A6,- terwijl op de voor hem, verdachte, gelegen rijbaan van die A6 zich langzaam rijdende en stilstaande voertuigen bevonden (in een file) en- daarbij in onvoldoende mate acht heeft geslagen op de voor hem, verdachte gelegen rijba(a)n(en) en het zich voor hem bevindende langzaam rijdende en stilstaande verkeer op die rijba(a)n(en) en- de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet zodanig heeft aangepast dat hij in staat was om zijn, verdachtes, motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg/rijba(a)n(en) kon overzien en kon zien of deze vrij was en- met onverminderde snelheid op voornoemde file is ingereden en een kettingbotsing heeft veroorzaakt,door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
4.2.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf en/of maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
  • een taakstraf van 200 uur, te vervangen door 100 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert, waarvan een gedeelte van 40 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar;
  • een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 12 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat indien de rechtbank tot een strafoplegging overgaat rekening moet worden gehouden met het blanco verkeersverleden van de verdachte, de open en coöperatieve proceshouding, zijn bereidheid tot mediation, de ingrijpende persoonlijke gevolgen die het ongeval ook voor de verdachte en zijn gezin heeft gehad en de zware psychische last waarmee de verdachte sinds het ongeval dagelijks leeft.
De advocaat heeft aangegeven dat een onvoorwaardelijke straf en/of een onvoorwaardelijke rijontzegging geen recht doen aan de mate van verwijtbaarheid die uit het dossier volgt.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een geldboete ter hoogte van € 1.000,- op.
Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het blanco strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft op 10 mei 2025 als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval veroorzaakt op de A6 door met onverminderde snelheid in te rijden op de stilstaande dan wel langzaam rijdende voertuigen voor hem. Het verkeersongeval heeft grote gevolgen gehad. [slachtoffer 4] is als gevolg van het ongeval overleden en [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] zijn ernstig gewond geraakt. Het is voor de nabestaanden van [slachtoffer 4] , waaronder haar man ( [slachtoffer 3] ) en zoon ( [slachtoffer 2] ), onverteerbaar dat zij door het verkeersgedrag van de verdachte hun vrouw, moeder, familielid of vriendin zijn kwijtgeraakt. Dit is door [slachtoffer 2] op indrukwekkende en emotionele wijze onder woorden gebracht tijdens zijn spreekrecht.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het uittreksel justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat hij niet eerder voor enig strafbaar feit is veroordeeld.
In strafverminderende zin weegt de rechtbank ook mee dat de verdachte naar aanleiding van het ongeluk EMDR heeft gehad in verband met herbelevingen. Ook gebruikt hij antidepressiva sinds het ongeluk, wegens de schuldgevoelens die hij heeft. Hij gaat nog altijd gebukt onder de gevolgen van het ongeval. De verdachte heeft vanaf het begin af aan spijt betuigd en heeft altijd open gestaan voor mediation.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om zijn zoon, die op topsportniveau golf speelt, naar trainingen en wedstrijden door het hele land en het buitenland te brengen.
De straf
De rechtbank realiseert zich dat de nabestaanden van het overleden slachtoffer met enorm leed moeten leven en hier dagelijks mee worden geconfronteerd. Geen enkele strafoplegging zal het verlies van hun moeder en echtgenote kunnen opheffen. Ook de slachtoffers met zwaar lichamelijk letsel leven nog dagelijks met de gevolgen van het ongeval dat de verdachte heeft veroorzaakt.
Zoals hierboven uitgelegd zijn de gevolgen van een ongeval echter niet bepalend voor de mate van schuld. Die wordt alleen bepaald door het handelen of nalaten van de verdachte. De mate van schuld die de verdachte aan het verkeersongeval heeft, maakt dat zijn handelen geen misdrijf, maar een overtreding is. Daarbij ging het om een kort moment van onoplettendheid. De op te leggen straf moet daarbij passend zijn. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat voor dit soort verkeersovertredingen doorgaans geldboetes en ontzeggingen van de rijbevoegdheid worden opgelegd.
Omdat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van het primair tenlastegelegde, komt zij ook tot een substantieel lagere straf dan de officier van justitie heeft gevorderd.
Alles overwegende ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van een ontzegging van de rijbevoegdheid gelet op aard van de begane overtreding en de persoon van de verdachte.
De rechtbank zal aan de verdachte een geldboete ter hoogte van € 1.000,- opleggen.

6.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht;
  • 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

7.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart het primair tenlastegelegde feit niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde tot een geldboete van € 1.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.A. Groeneveld, voorzitter, mr. S.D. Groen en mr. J.A. Koorevaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
De oudste rechter en griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 10 mei 2025, te [plaats 2] , gemeente [.] , althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A6, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- terwijl op de voor hem, verdachte, gelegen rijbaan van die A6 zich langzaam rijdende en/of stilstaande voertuigen (met ingeschakelde alarmverlichting) bevonden (in een file) en/of
- tijdens het besturen van voornoemd motorrijtuig een of meerdere (gebruikers)handeling(en) te verrichten aan het navigatiesysteem en/of op het scherm van het navigatiesysteem te kijken en/of
- (daarbij) niet voortdurend zijn blik en/of aandacht op de weg te houden en/of niet, althans in onvoldoende mate acht te slaan op de voor hem, verdachte gelegen rijba(a)n(en) en/of het zich voor hem, bevindende langzaam rijdende en/of stilstaande verkeer op die rijba(a)n(en) en/of
- de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet zodanig aan te passen dat hij in staat was om zijn, verdachtes, motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg/rijba(a)n(en) kon overzien en/of kon zien of deze vrij was en/of
- met onverminderde, althans met een (veel) hogere snelheid dan gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was op voornoemde file in te rijden en/of een kettingbotsing te veroorzaken, waardoor een ander, te weten
- [slachtoffer 4] (bijrijder Toyota Auris met kenteken [kenteken 1] ) werd gedood en/of
- [slachtoffer 3] (bestuurder Toyota Auris met kenteken [kenteken 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere bloeduitstorting(en) en/of een zware hersenschudding en/of een of meerdere klaplong(en) en/of een of meerdere gebroken rib(ben) en/of schaafwonden en/of een of meerdere wervelfractu(u)r(en), althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of
- [slachtoffer 2] (inzittende Toyota Auris met kenteken [kenteken 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere schaafwond(en) en/of een bloeding in de milt en/of een bloeding in de nier(en) en/of een bloeding in de bijnier en/of een klaplong en/of een breuk in de heup, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of
- [slachtoffer 1] (inzittende Toyota Auris met kenteken [kenteken 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere schaafwond(en) en/of een bekkenfractuur en/of blaasletsel en/of darmletsel (perforatie) en/of een bloeding in de milt, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of
- [slachtoffer 5] (bijrijder Peugeot 308 met kenteken [kenteken 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een bloeduitstorting en/of een breuk van de lendewervel, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 10 mei 2025, te [plaats 2] , gemeente [.] , althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A6,
- terwijl op de voor hem, verdachte, gelegen rijbaan van die A6 zich langzaam rijdende en/of stilstaande voertuigen (met ingeschakelde alarmverlichting) bevonden (in een file) en/of
- tijdens het besturen van voornoemd motorrijtuig een of meerdere (gebruikers)handeling(en) heeft verricht aan het navigatiesysteem en/of op het scherm van het navigatiesysteem heeft gekeken en/of
- (daarbij) niet voortdurend zijn blik en/of aandacht op de weg heeft gehouden en/of niet, althans in onvoldoende mate acht heeft geslagen op de voor hem, verdachte gelegen rijba(a)n(en) en/of het zich voor hem, bevindende langzaam rijdende en/of stilstaande verkeer op die rijba(a)n(en) en/of
- de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet zodanig heeft aangepast dat hij in staat was om zijn, verdachtes, motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg/rijba(a)n(en) kon overzien en/of kon zien of deze vrij was en/of
- met onverminderde, althans met een (veel) hogere snelheid dan gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was op voornoemde file is ingereden en/of een kettingbotsing heeft veroorzaakt,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voetnoten

2.Pagina 44.
3.Pagina 126.