ECLI:NL:RBMNE:2026:4305

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
UTR 24/5862
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:17 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep niet-tijdig beslissen

Opposant heeft op 10 september 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar door de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht. De rechtbank verklaarde dit beroep op 23 december 2025 niet-ontvankelijk omdat niet was voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep niet-tijdig beslissen.

Tegen deze uitspraak is opposant in verzet gegaan. De rechtbank beoordeelt in dit verzet of de eerdere beslissing zonder zitting terecht was, waarbij zij nog niet toetst of het beroep inhoudelijk gegrond is. Opposant stelt dat hij het bezwaarschrift op 3 april 2024 per e-mail tijdig heeft ingediend.

De rechtbank overweegt dat volgens artikel 2:17 Awb Pro het tijdstip van ontvangst door het bestuursorgaan bepalend is, en dat de bewijslast bij opposant ligt. Opposant heeft een audit trial overgelegd waaruit blijkt dat het bezwaarschrift op 3 april 2024 om 14:54 uur ongeschonden op de server van verweerder is afgeleverd. Hiermee is de bewijslast voldaan.

De rechtbank verklaart het verzet gegrond, waardoor de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt en de behandeling van het beroep wordt voortgezet. Over proceskosten wordt nog niet beslist. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt, waardoor de behandeling van het beroep wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5862-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 op het verzet van

[opposant] , te [plaats] , opposant,

(gemachtigde: mr. J.W. Vugts).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend op 10 september 2024 omdat de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (verweerder) niet op tijd beslist zou hebben op het bezwaar van opposant.
In de uitspraak van 23 december 2025 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 23 december 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat er niet is voldaan aan de vereisten die de wet stelt voor het instellen van een beroep niet-tijdig beslissen. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 23 december 2025 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 23 december 2025 niet juist, omdat hij van mening is dat hij het bezwaarschift op 3 april 2024 per mail (tijdig) heeft ingediend.
4. Volgens artikel 2:17, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het tijdstip waarop een bericht door het bestuursorgaan elektronisch is ontvangen, het tijdstip waarop het bericht zijn systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt.
In de Memorie van Toelichting op dit artikel [1] staat dat het risico van het gebruik van de elektronische weg in beginsel bij de verzender ligt en dat de omstandigheid dat een bericht op een bepaald tijdstip is verzonden, nog niet zegt dat het de geadresseerde ook (ongeschonden) heeft bereikt. Dit volgt ook uit de jurisprudentie. Dit betekent dat de bewijslast bij opposant ligt. Verweerder heeft in dit geval betwist dat hij het bezwaarschrift heeft ontvangen. Het is dan aan opposant om aannemelijk te maken dat verweerder wel tijdig het bezwaarschrift heeft ontvangen.
5. In dit geval heeft opposant op 12 oktober 2024 een schermafbeelding van een ‘audit trial’ overgelegd. Uit een audit trial blijkt duidelijk op welke datum en welk tijdstip het bezwaarschrift via een e-mailbericht is verzonden vanuit de server van opposant en op welke datum en welk tijdstip het e-mailbericht is afgeleverd op de server van verweerder. Uit de overgelegde audit trial blijkt dat het bezwaarschrift op 3 april 2024 om 14:54 uur is afgeleverd op de server bij verweerder. De rechtbank is van oordeel dat opposant daarmee heeft aangetoond dat het bezwaarschrift verweerder (ongeschonden) heeft bereikt. Opposant heeft voldaan aan zijn bewijslast.
6. Dit betekent dat opposant gelijk heeft. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van
23 december 2025 vervalt (artikel 8:55, negende lid, van de Awb). Het vervallen van die uitspraak betekent dat de rechtbank de behandeling van het beroep (mede gericht tegen het alsnog genomen besluit) zal voortzetten. Opposant krijgt over de verdere behandeling nog bericht.
7. De rechtbank neemt nu nog geen beslissing over de vergoeding van de proceskosten van opposant. Dit gebeurt pas in de einduitspraak over het beroep.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

Voetnoten

1.TK 2001-2002, 28483 nr. 3, pag. 42.