ECLI:NL:RBMNE:2026:4306

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
UTR 24/7317-V
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep niet-tijdig beslissen ongegrond verklaard

Opposant heeft op 10 september 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen een dwangsombesluit. De rechtbank heeft op 23 december 2025 dit beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat niet was voldaan aan de wettelijke vereisten, met name het ontbreken van een ingebrekestelling aan verweerder.

Tegen deze uitspraak is opposant in verzet gegaan, waarbij hij stelde dat hij het bezwaarschrift tijdig per mail had ingediend en bezwaar maakte tegen het splitsen van zijn beroepszaken. De rechtbank heeft in het verzet beoordeeld of de eerdere niet-ontvankelijkverklaring terecht was en of een zitting noodzakelijk was.

De rechtbank oordeelde dat opposant niet had voldaan aan de voorwaarde van ingebrekestelling zoals vereist in artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb. Ook was er geen reden om af te wijken van de eerdere beslissing zonder zitting, omdat er geen twijfel over de uitkomst bestond.

Daarom verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond en handhaafde de uitspraak van 23 december 2025. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7317-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 op het verzet van

[opposant] , te [plaats] , opposant,

(gemachtigde: mr. J.W. Vugts).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend op 10 september 2024 omdat verweerder niet op tijd beslist op zijn bezwaar gericht tegen het dwangsombesluit.
In de uitspraak van 23 december 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 23 december 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat er niet is voldaan aan de vereisten die de wet stelt voor het instellen van een beroep niet-tijdig beslissen. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 23 december 2025 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 23 december 2025 niet juist, omdat hij van mening is dat hij het bezwaarschift op 3 april 2024 per mail (tijdig) heeft ingediend. Daarnaast is opposant het niet eens met het splitsen van de door hem ingediende beroepszaken in twee afzonderlijke zaken. Opposant heeft verder niet aangevoerd waarom hij geen ingebrekestelling heeft ingediend.
4. De rechtbank stelt vast dat opposant verweerder niet in gebreke heeft gesteld. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.
5. De rechtbank heeft terecht besloten om de uitspraak van 23 december 2025 op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb zonder een zitting te doen, omdat er geen twijfel over de uitkomst van de zaak was. De rechtbank ziet in wat opposant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
6. Dit betekent dat het verzet ongegrond is. De uitspraak van 23 december 2025 blijft in stand.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.