ECLI:NL:RBMNE:2026:4307

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
16/330285.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b SrArt. 38v SrArt. 38w Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging moord met messen in horecagelegenheid en bedreiging van twee personen

Op 3 december 2025 liep de verdachte met drie messen een horecagelegenheid in Almere binnen en maakte een steekbeweging richting aangever, zonder hem te raken. Aangever en aangeefster konden zich met behulp van een pizzaschep verdedigen en ontsnappen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte met voorbedachte raad handelde en het voornemen had om aangever te doden, wat blijkt uit zijn eigen verklaringen.

De rechtbank verwierp het beroep op vrijwillige terugtred omdat het niet aannemelijk was dat de verdachte uit eigen wil afzag van het misdrijf; het was het verzet van aangever en aangeefster dat het misdrijf verhinderde. De verdachte werd ontoerekeningsvatbaar verklaard op basis van psychologisch en psychiatrisch onderzoek, waaruit bleek dat hij leed aan meerdere stoornissen die zijn gedragskeuzes beïnvloedden.

De rechtbank legde een ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging op vanwege het hoge recidiverisico en de ernst van de feiten. Tevens werd een contactverbod van vijf jaar opgelegd met een vervangende hechtenis bij overtreding. De vorderingen van de benadeelde partijen voor immateriële schade werden volledig toegewezen: €8.000 voor aangever en €5.000 voor aangeefster, vermeerderd met wettelijke rente en met een schadevergoedingsmaatregel.

Uitkomst: Verdachte is ontoerekeningsvatbaar verklaard en opgelegd een ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging en schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/330285-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 15 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [woonplaats] ,
gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 1 juli 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. A. van Weegen;
  • de advocaat van de verdachte: mr. R.G.M. Rijkhoff (hierna: de advocaat);
  • de benadeelde partij: [slachtoffer] ;
  • de advocaat van de benadeelde partijen: mr. C.P. Zwaanswijk.

2.Tenlastelegging

De beschuldiging over feit 1 is op de zitting aangepast. De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1 primair:
op 3 december 2025 in Almere opzettelijk en met voorbedachten rade heeft geprobeerd om [slachtoffer] van het leven te beroven;
dit is
subsidiairtenlastegelegd als een poging tot zware mishandeling;
feit 2:
op 3 december 2025 in Almere [aangeefster] en/of [slachtoffer] heeft bedreigd.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage van dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 primair en feit 2 heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 1 primair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat bewezen kan worden dat sprake is geweest van een poging moord.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 1 primair en feit 1 subsidiair. Ten aanzien van feit 2 refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank. Als de rechtbank de verdachte niet integraal vrijspreekt voor feit 1, heeft de advocaat verzocht om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat sprake is geweest van vrijwillige terugtred. Het beroep op vrijwillige terugtred wordt besproken bij de strafbaarheid van het feit (paragraaf 4.1).
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.2.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen feit 1 primair en feit 2
De rechtbank oordeelt dat feit 1 primair (poging moord) en feit 2 zijn bewezen. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
3.3.2.
Bewijsoverwegingen feit 1 primair
Het incident
Op 3 december 2025 liep de verdachte met drie messen een [horecagelegenheid] in Almere binnen. Met het grootste mes in de hand liep hij naar [slachtoffer] (hierna: aangever) en [aangeefster] (hierna: aangeefster) die zich achter de balie bevonden, en maakte een steekbeweging richting aangever zonder hem te raken. Aangeefster begon te schreeuwen en met behulp van een pizzaschep konden aangever en aangeefster afstand tot de verdachte creëren en ontsnappen.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte dient te worden aangemerkt als een poging om aangever, al dan niet met voorbedachte raad, van het leven te beroven.
De poging
De rechtbank stelt vast dat de verdachte het voornemen had (en heeft) om aangever van het leven te beroven. Zo verklaarde hij meermalen, ook tijdens de zitting, dat hij aangever wilde doodsteken, onthoofden en zijn ogen eruit wilde steken.
In het licht van deze uitingen ziet de rechtbank:
  • het betreden van de [horecagelegenheid] met drie messen;
  • het uit de broeksband trekken en vasthouden van een groot mes;
  • het toelopen naar aangever achter de balie met dit mes;
  • het roepen dat hij hem gaat doden en
  • het maken van een steekbeweging richting aangever
als een begin van uitvoering van het voornemen van de verdachte om aangever van het leven te beroven. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van het misdrijf. De rechtbank is daarmee van oordeel dat sprake is van een poging.
Voorbedachte raad
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van (poging tot) moord moet komen vast te staan dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Hiervan is sprake als de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
De rechtbank oordeelt dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Hij heeft namelijk verklaard dat hij al enige tijd rondliep met het idee om aangever te vermoorden. Naar eigen zeggen staakte hij een eerdere poging om aangever te doden omdat hij toen onder invloed was. De focus van de verdachte lag dus al een langere tijd op het om het leven brengen van aangever. Deze bedoeling volgt ook uit het gegeven dat hij met drie messen naar de [horecagelegenheid] van aangever is gegaan. Zijn doel heeft hij zelf meermaals in niet mis te verstane bewoordingen verklaard, ook ter zitting. De verdachte heeft dus niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling gehandeld en heeft voldoende gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad. Van enige contra-indicaties die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is de rechtbank niet gebleken.
Conclusie
Alles overwegende, oordeelt de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord. Dat de verdachte met vol opzet heeft gehandeld, blijkt uit de bewijsmiddelen.
3.3.3.
Bewijsoverweging feit 2
De rechtbank oordeelt dat de verdachte ook aangeefster heeft bedreigd met het mes, ondanks dat de verdachte zijn pijlen gericht had op aangever. Dit volgt uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen. Het mes en de stekende beweging waren namelijk ook gericht in de richting van aangeefster. Aangeefster stond in de directe nabijheid van aangever: achter de balie, waar zij geen kant op kon. Dat aangeefster vrees had dat ook zij door het mes (dodelijk) zou worden geraakt volgt uit haar aangifte en is gezien het handelen van de verdachte alleszins te begrijpen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1 primair:
op 3 december 2025 te Almere, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] , van het leven te beroven,
- de [horecagelegenheid] in is gelopen en direct achter de balie is gelopen, en
- een mes uit zijn broeksband heeft getrokken, en
- met dat mes een steekbeweging heeft gemaakt in de richting van de buik, althans het lichaam van die [slachtoffer] , en
- die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: "ik maak je dood",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2:
op 3 december 2025 te Almere, [aangeefster] en [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door
- de [horecagelegenheid] in te lopen en direct achter de balie te lopen, en
- een mes uit zijn broeksband te trekken, en
- met dat mes een steekbeweging te maken in de richting van de buik, althans het lichaam van die [slachtoffer] en met dat mes een steekbeweging te maken nabij het lichaam van die [aangeefster] , en
- die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: "ik maak je dood",.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Strafbaarheid feit 1 primair
4.1.1.
Beroep op vrijwillige terugtred
De advocaat heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake is van vrijwillige terugtred.
4.1.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op vrijwillige terugtred niet kan slagen.
4.1.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) sprake is, indien de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid. Of gedragingen van de verdachte voldoende zijn om te concluderen dat het misdrijf niet is voltooid door omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval.
De rechtbank overweegt aan de hand van het dossier, de camerabeelden en het onderzoek ter terechtzitting het volgende.
De verdachte liep de [horecagelegenheid] binnen, pakte een mes uit zijn broeksband en ging naar de achterkant van de balie, waar aangever en aangeefster zich bevonden. Achter de balie liep de verdachte naar voren, waardoor aangever gedwongen werd naar achteren te wijken. De verdachte greep aangever bij de kraag en stond zeer dicht bij zowel aangever als aangeefster. Hij uitte dreigende woorden en maakte een stekende beweging. Aangever verdedigde zich met zijn handen en aangeefster schopte herhaaldelijk naar de verdachte. Aangeefster schreeuwde en pakte een pizzaschep, gaf deze aan aangever, die daarmee bovenhands slaande bewegingen maakte, terwijl aangeefster luid schreeuwde. Daarna liep de verdachte naar achteren en was de directe confrontatie voorbij.
De rechtbank oordeelt dat het onder deze omstandigheden niet aannemelijk is dat de moord op aangever niet is voltooid door omstandigheden die van de wil van de verdachte afhankelijk waren. Het is juist door het handelen van aangever en aangeefster dat de verdachte zijn voornemen om aangever te doden niet heeft voltooid. Het verzet van aangever en aangeefster – het weren met de handen, het schoppen door aangeefster en het gebruik van de pizzaschep om afstand te creëren, allemaal onder luid geschreeuw van aangeefster – zijn omstandigheden buiten de macht van de verdachte.
De verdachte heeft verklaard dat hij van zijn voornemen om aangever te doden heeft afgezien omdat aangeefster ook aanwezig was en hij aangever niet wilde doden waar zijn vrouw bij was. Daar gaat de rechtbank gelet op het voorgaande niet in mee. Ook omdat de verdachte, als hij om die reden van zijn plan afzag, niet achter de balie had hoeven komen.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat, zelfs als de enkele aanwezigheid van aangeefster de verdachte ervan zou hebben weerhouden zijn plan te voltooien, dit nog steeds een externe factor betreft. Bij een voltooide poging tot moord is pas sprake van vrijwillige terugtred als de verdachte uit eigen wil en op eigen initiatief afziet van het voltooien van het misdrijf. De aanwezigheid van een ander persoon is daarvoor geen voldoende reden.
Het handelen van de verdachte laat dan ook niet zien dat hij zelf op enige wijze heeft geprobeerd de uitvoering van de voorgenomen moord te stoppen; het waren slechts externe omstandigheden die zijn keuzes hebben beïnvloed en hem ervan hebben weerhouden aangever van het leven te beroven. Daarom wordt het beroep op vrijwillige terugtred verworpen. Het feit is strafbaar.
4.2.
Kwalificatie
Eendaadse samenloop ex artikel 55 van Pro het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank oordeelt dat met betrekking tot feit 1 primair en feit 2 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde gedragingen leveren namelijk een zodanig samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt.
Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2:
De eendaadse samenloop van
poging moord
en
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
4.3.
Strafbaarheid verdachte
4.3.1.
Standpunten
De officier van justitie en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
4.3.2.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beantwoording van de vraag of de gepleegde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport met daarin het psychologisch onderzoek van 6 maart 2026 opgesteld door psycholoog M.C. Overduin en het psychiatrisch onderzoek van 4 maart 2026, opgesteld door psychiater J.C. Laheij.
Uit dit rapport – dat hierna onder paragraaf 5.3 uitgebreider aan de orde komt – blijkt dat beide gedragsdeskundigen tot het oordeel komen dat de verdachte lijdt aan een andere gespecificeerde schizofreniespectrum-of andere psychotische stoornis, een stoornis in het gebruik van cocaïne, een stoornis in het gebruik van heroïne en een stoornis in het gebruik van cannabis. Beide deskundigen hebben gerapporteerd dat de stoornissen ten tijde van het plegen van de feiten aanwezig waren.
Op het moment van het tenlastegelegde was de verdachte niet in staat de strekking en de gevolgen van zijn handelingen in te zien. Door de paranoïde en de psychotische overtuigingen had de verdachte de overtuiging dat hij het recht in eigen hand moest nemen om het vermeende hem aangedane onrecht te wreken. Er bestond voor de verdachte maar één mogelijkheid: het doden van aangever. Vanuit die ontregeling was de verdachte niet in staat om de ernst en aard van zijn plannen in te zien en zijn gedrag te toetsen aan de realiteit en adequaat bij te sturen. De psychiater en de psycholoog adviseren dan ook eensluidend om het tenlastegelegde in het geheel niet aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank oordeelt dat de conclusies van de gedragsdeskundigen worden gedragen door een gemotiveerde onderbouwing. De conclusies van de gedragsdeskundigen over de toerekenbaarheid van de feiten neemt de rechtbank daarom over. Gelet hierop zal de rechtbank de verdachte ontoerekeningsvatbaar verklaren voor de door hem gepleegde feiten en hem ontslaan van alle rechtsvervolging.

5.Maatregelen

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd:
  • tbs met dwangverpleging, ongemaximeerd;
  • de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid van de verdachte voor de duur van vijf jaren, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en [aangeefster] te vervangen door twee weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, tot een maximum van zes maanden.
De officier van justitie eist dat de vrijheidsbeperkende maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdachte kan zich vinden in de adviezen van de psycholoog en de psychiater en wenst dat hem tbs met dwangverpleging wordt opgelegd.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de maatregelen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
Aangever en aangeefster waren in hun [horecagelegenheid] aan het werk toen zij plotseling de schrik van hun leven kregen. De verdachte kwam binnen met een groot mes en met de intentie om aangever te vermoorden. Aangever en aangeefster moesten zich weren en vreesden voor hun leven. Beide hebben sindsdien angstklachten en herbelevingen, waardoor zij geruime tijd niet hebben kunnen werken. Aangever kampt daarnaast met slaapproblemen en aangeefster moet, zoals zij in haar slachtofferverklaring heeft verwoord, dagelijks leren leven met een trauma, waarvan zij hoopt dat het in de toekomst geleidelijk zal afnemen.
De verdachte toont geen berouw en heeft tijdens de zitting herhaaldelijk verklaard dat hij aangever alsnog wil doden, en inmiddels ook aangeefster. Het is zeer voorstelbaar dat deze wetenschap buitengewoon beangstigend moet zijn.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:
- het strafblad van de verdachte van 22 januari 2026, waaruit blijkt dat hij eerder voor strafbare feiten is veroordeeld;
- een Pro Justitia-rapport van 6 maart 2026, uitgebracht door M.C. Overduin, psycholoog;
- een Pro Justitia-rapport van 4 maart 2026, uitgebracht door J.C. Laheij, psychiater.
Pro Justitia rapportage
Zoals eerder aangegeven concluderen de psycholoog en de psychiater dat bij de verdachte sprake is van meerdere stoornissen. De stoornissen waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en hebben de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed. De psycholoog en de psychiater adviseren om het tenlastegelegde in het geheel niet aan de verdachte toe te rekenen.
Het risico op recidive van gewelddadig (delict)gedrag wordt als (zeer) hoog geschat. Zowel in algemene zin als naar aangever en aangeefster specifiek. Om het recidiverisico te kunnen verlagen is behandeling nodig van de psychose- en de verslavingsproblematiek. Gezien het langdurig bestaan van deze structurele en complexe problematiek zal hiervoor een zeer geruime tijd (van jaren) nodig zijn in een voldoende beveiligde klinische behandelingsetting waarbij elke stap richting vrijheden en resocialisatie geleidelijk en scherp gecontroleerd zal dienen plaats te vinden. Nadere diagnostiek naar de persoonlijkheid en intelligentie zal dan ook plaats kunnen vinden.
De psycholoog en de psychiater adviseren alles overwegend om de behandeling op te leggen binnen een hoog beveiligde forensisch psychiatrische kliniek in het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging.
De op te leggen maatregelen
De tbs-maatregel met dwangverpleging
De officier van justitie heeft tbs met dwangverpleging gevorderd. De rechtbank overweegt dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel is voldaan, namelijk dat:
sprake is van een misdrijf (poging moord) waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld;
is vastgesteld dat bij de verdachte ten tijde van het delict sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens;
de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist (gevaarscriterium);
de rechtbank beschikt over adviezen van gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, namelijk een psychiater en een pcyholoog, die de verdachte hebben onderzocht.
Ter toelichting geldt het volgende.
Gebrekkige ontwikkeling of stoornis van de geestvermogens:
Bij de verdachte was ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De rechtbank volgt daarbij de hierboven genoemde conclusies van de gedragsdeskundigen en legt die ten grondslag aan haar oordeel.
Gevaarscriterium
De rechtbank oordeelt dat het risico op recidive hoog is. Uit de rapporten van de gedragsdeskundigen volgt dat er een grote kans is op recidive van gewelddadig (delict)gedrag, zowel ten aanzien van aangever en aangeefster als in het algemeen. De verdachte heeft ook op zitting meermalen gezegd dat hij hen nog steeds wil doden. De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan het gevaarscriterium en daarmee aan alle wettelijke vereisten om een tbs-maatregel op te leggen.
Oplegging tbs-maatregel met verpleging van overheidswege
De rechtbank oordeelt dat het noodzakelijk is dat de verdachte
langdurigwordt behandeld, om de kans op recidive terug te dringen en omdat de veiligheid van anderen dit vereist.
De deskundigen adviseren opname in een klinische forensische behandelsetting met een voldoende hoog beveiligingsniveau voor een intensief behandeltraject. Binnen een dergelijke behandeling zal eerst medicamenteuze behandeling van de psychose plaatsvinden, waarna, na stabilisering middels verdiepingsdiagnostiek, meer zicht kan ontstaan op geïndiceerde behandelingen en risicomanagement. Binnen het behandeltraject zal er na stabilisering ook aandacht zijn voor de verslavingsproblematiek van de verdachte, agressieregulatie en ontwikkeling van zelfredzaamheid en copingvaardigheden in algemeenheid.
De afgelopen jaren is gebleken dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende resultaat behaalde om blijvende effecten op het gebied van psychische stabiliteit en delictpreventie te bereiken. Alles overziend is slechts opname binnen een forensisch psychiatrische kliniek in het kader van een tbs met bevel tot verpleging als optie denkbaar. Een behandeling binnen een voorwaardelijk kader zoals een tbs met voorwaarden is niet haalbaar, omdat een dergelijk kader een mate van samenwerking vereist met de verdachte, een vrijwillige behandeling betreft en in een dergelijke maatregel aan de verdachte niet de begrenzing in combinatie met dwang en drang geboden kan worden die hij juist nodig heeft.
De rechtbank weegt tot slot mee dat de verdachte op de zitting heeft aangegeven hulp te willen accepteren en dat hij zal meewerken aan de tbs met dwangverpleging.
Alles overziend oordeelt de rechtbank dat de veiligheid van anderen de oplegging van tbs met dwangverpleging noodzakelijk maakt en dat deze maatregel de enige mogelijkheid is om de verdachte te helpen en het hoge recidiverisico in te perken.
Duur van de maatregel
De maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten de poging moord op aangever. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
38v-maatregel
De rechtbank zal ook een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen ter beveiliging van aangever en aangeefster en ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze contact mag opnemen of hebben met aangever en aangeefster.
Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van twee (2) weken, met een maximum van 6 (zes) maanden.
De rechtbank oordeelt het noodzakelijk dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Gelet op de aard van de feiten en de hardnekkigheid van verdachtes problematiek, is de rechtbank namelijk van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens aangever en aangeefster. Daarom zal zij bevelen dat het contactverbod dadelijk uitvoerbaar is.

6.Vordering benadeelde partij [slachtoffer]

6.1.
Vordering van de benadeelde partij (feit 1 primair en feit 2)
[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 8.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft aangevoerd dat de gestelde schade niet is onderbouwd en dat de zaken waarnaar wordt verwezen in de vordering vele malen ernstiger zijn. In onderhavige zaak is niemand gewond geraakt. De advocaat verzoekt de rechtbank daarom primair om de vordering af te wijzen en subsidiair om de vordering sterk te matigen. Met verwijzing naar vergelijkbare zaken komt de advocaat uit op een bedrag van € 500,-.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij het slachtoffer is geworden van een poging tot van de ernstigste strafbare feiten uit het wetboek van strafrecht, namelijk een poging tot moord. Er is weliswaar geen diagnose over geestelijk letsel, maar gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, zoals omschreven in zijn vordering, oordeelt de rechtbank dat hij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Aangever heeft voor zijn leven gevreesd en het is alleszins voorstelbaar dat hij onder andere last heeft van angstklachten ten gevolge hiervan, zeker gezien de herhaalde uitingen van de verdachte waarin hij aangeeft hem en zijn vrouw te willen vermoorden.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 8.000 billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom in zijn geheel toe. De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 december 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. Als de verdachte niet betaalt, zal deze verplichting worden aangevuld met 65 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Proceskosten
De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

7.Vordering benadeelde partij [aangeefster]

7.1.
Vordering van de benadeelde partij [aangeefster] (feit 2)
[aangeefster] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich ten aanzien van de vordering van [aangeefster] op dezelfde standpunten als ten aanzien van de vordering van [slachtoffer] .
7.4.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij het slachtoffer is geworden van een bedreiging van de buitencategorie. Zij heeft niet alleen een bedreiging moeten doorstaan, maar is ook getuige geweest van een gewelddadige moordpoging op haar man. Er is weliswaar geen diagnose over geestelijk letsel, maar gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, zoals omschreven in haar vordering, oordeelt de rechtbank dat zij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Het is daarbij alleszins voorstelbaar dat zij onder andere last heeft van angstklachten, zeker gezien de herhaalde uitingen van de verdachte waarin hij aangeeft haar en haar man te willen vermoorden.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 5.000 billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom in zijn geheel toe. De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 december 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. Als de verdachte niet betaalt, zal deze verplichting worden aangevuld met 50 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Proceskosten
De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38v, 38w, 45, 55, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 primair en feit 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.2 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat hem van alle rechtsvervolging;
tbs met dwang
- gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;
vrijheidsbeperkende maatregel
- legt aan de verdachte op
de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidvoor de duur van
5 (vijf) jaren;
- beveelt dat de verdachte
 op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met:
o [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] );
o [aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] (Turkije));
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel wordt vervangen door maximaal
2 (twee) wekenhechtenis, met een maximum van
6 (zes) maandenhechtenis;
- beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1 primair en feit 2)
  • wijst de vordering van [slachtoffer] geheel toe tot een bedrag van € 8.000,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 8.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 65 dagen gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangeefster] (feit 2)
  • wijst de vordering van [aangeefster] geheel toe tot een bedrag van € 5.000,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [aangeefster] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster] aan de Staat € 5.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 50 dagen gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Koorevaar, voorzitter, mr. V.A. Groeneveld en mr. S.R. van Breukelen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.L. Sterkenburg als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan de verdachte is na aanpassing van de tenlastelegging tenlastegelegd dat:
feit 1:
hij op of omstreeks 3 december 2025 te Almere, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven,
- de [horecagelegenheid] in is gelopen en direct naar/achter de balie is gelopen, en/of
- een mes uit zijn broeksband heeft getrokken, en/of
- met dat mes steekbewegingen heeft gemaakt in de richting van de buik, althans het lichaam van die [slachtoffer] , en/of
- die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: "ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 december 2025 te Almere, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- de [horecagelegenheid] in is gelopen en direct naar/achter de balie is gelopen, en/of
- een mes uit zijn broeksband heeft getrokken, en/of
- met dat mes steekbewegingen heeft gemaakt in de richting van de buik, althans het lichaam van die [slachtoffer] , en/of
- die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: "ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2:
hij op of omstreeks 3 december 2025 te Almere, althans in Nederland, [aangeefster] en/of [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- de [horecagelegenheid] in te lopen en direct naar/achter de balie te lopen, en/of
- een mes uit zijn broeksband te trekken, en/of
- met dat mes steekbewegingen te maken in de richting van de buik, althans het lichaam van die [slachtoffer] en/of met dat mes steekbewegingen te maken nabij het lichaam van die [aangeefster] , en/of
- die [aangeefster] en/of die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: "ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.